Diagnose: jongen

Het gebeurt steeds weer, in alle zaaltjes waar ik kom praten over omgaan met ingewikkelde onderwijssituaties. Als ik mensen vraag om een leerling in gedachten te houden waar ze een oplossing voor zoeken heeft 90% een jongen in gedachten. Van meisjes hebben mijn zaaltjes minder last. Ik stel de zaaltjes inmiddels ook voor dat we jongen tot een nieuwe diagnose verklaren. Waarom hebben we zoveel moeite met jongens?

Je kunt best een boom opzetten over het gefeminiseerde onderwijs, het gebrek aan mannelijke rolmodellen en de mate waarin jongens passen binnen een setting waar zithouding, uitstel van behoeftes, cognitieve vaardigheden en verbale assertiviteit prevaleren boven fysieke kracht, beweeglijkheid en trial and error. Dat ga ik niet doen.

Een recente analyse door Trimbos en RIVM wijst namelijk uit dat meisjes veel meer last hebben van emotionele problemen dan jongens. Het gaat dan vooral om de internaliserende problemen en de verschillen zijn echt opmerkelijk. Bij jongens gaat het vooral om gedragsproblemen van het externaliserende soort. Dus waarschijnlijk ligt ook daar een verklaring voor het overschot aan jongens in de gedachten van mijn zaaltjes. Een internaliserend emotioneel probleem is in een klas waar stilzitten en uitstel van behoeftes de norm is nou niet direct een probleem.

En toch.

Moeten we de diagnose jongen niet toch maar invoeren? Al was het maar om het bewustzijn te vergroten dat het niet de jongen is die een probleem is, maar het systeem dat we die jongen aandoen? Dat als we zijn eigen aardigheden wat meer als uitgangspunt nemen er misschien wel veel minder externaliserende problemen ontstaan? Misschien hooguit externaliserend gedrag waar we om glimlachen, de schouders ophalen om door te gaan met waar we mee bezig waren. Of misschien een potje meerennen of een robbertje vechten?

Ik blijf het doen in zaaltjes. Kijken of het klopt. Niet alleen voor de jongens. Ook voor de meisjes. Door jongens en meisjes te zien zoals ze zijn, met al hun bijzonderheden zoeken we echt naar aansluiting. Aanpassen aan een systeem kan altijd nog. Al mag die behoefte wat mij betreft nog best even uitgesteld worden.

Share

Weerbaarheid

Het gaat momenteel veel over weerbaarheid. En over hoe we de weerbaarheid van de jeugd kunnen verbeteren. Het deed me denken aan een column die ik een paar jaar geleden schreef. Een column naar aanleiding van een interview met Andre Manuel. De afgelopen periode ben ik druk met depressie onder jongeren, mentale gezondheid, prestatiedruk, suicidepreventie, maar ook zaken als early life stress. En dan is luisteren naar Andre Manuel een verademing. Hij introduceert in zijn interview de term “losjes”. Ik neem u een paar jaar mee terug:

Losjes

Andre Manuel vindt dat zijn kind “losjes” mag beginnen. Andre Manuel is artiest, held en vrijdenker uit mijn landstreek. Hij heeft mooie ideeën en dat komt te pas*[1], om het in termen van mijn landstreek te zeggen. Hij vertelde over zijn eigen onderwijs dat hij zich naast af- en opstromen herinnerde door uitzonderlijke leraren die precies daar raakten waar het fijn voelt. Hij vertelde over de toevalligheid van wonen in een dorp waar twee oude jongeren een boerderij kraakten en er een vrijplaats voor jongeren van maakten. Hij was in de buurt, erbij en betrokken. Hij begon “losjes”, gitaar op de heup en zonder al te veel pretenties.

Vanochtend hoorde ik het bericht dat het gebruik van antidepressiva onder jongeren beneden de 21 jaar toeneemt. Het aantal voorschriften voor ADHD-medicatie neemt al jaren toe en ook het aantal dyslexieverklaringen neemt een grote vlucht. Zou het misschien te maken kunnen hebben met de eisen die we stellen aan kinderen? Met de eisen die ze mede daardoor aan zichzelf stellen?  En mogen dingen ook gewoon soms moeilijk zijn? Mag je gewoon soms van het pad raken? Mag je nog gewoon falen voor sommige dingen? En dat je sommige dingen gewoon niet kan?

Mijn zoon kiest zijn profiel dit jaar. Hij heeft geen idee en ik heb net zoveel idee. Het is een goed jong en samen hebben we veel vertrouwen in zijn toekomst. Een toekomst die vooral bestaat uit de dag van morgen en de volgende wedstrijd. In zijn eerste sollicitatiebrief deze week schreef hij dat hij vooral wil dat mensen het goed naar hun zin hebben. Dat zijn goede vooruitzichten.

Mijn dochter begon met studeren dit jaar. Zij zag zich door het leenstelsel gedwongen te tekenen voor een lening die grote gelijkenis vertoont met het soort leningen waar in 2008 de wereld bijna over struikelde. De dekking is onduidelijk, het onderpand moet nog gecreëerd worden en de lening wordt aangegaan voor een studie zonder keiharde baangarantie. Maar ook: ze heeft het er naar haar zin, doet leuke dingen, vermaakt zich en geeft dáárdoor vertrouwen.

Voor beiden geldt hopelijk dat ze ondanks hun grote gebeurtenissen dit jaar, die vooral toch ook “losjes” gaan invullen. Wat mij betreft mag dat het motto worden: “losjes”. Misschien maakt dat het onderwijs, de zorg, het wonen, het samenleven wel wat gemakkelijker. En levert het minder gedoe, minder recepten, minder uitvallers op. Bij “losjes” hoort namelijk ook de afwezigheid van te veel regels en voorschriften. Vooral doen!

Experimenteren, klooien, prutsen, struikelen.
Net zolang als nodig is.
Misschien wel een mensenleven.

[1]Te pas: Twents voor “op het goede moment, gelegen”
NB: Mark is bij het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid bezig met de pijler Weerbaarheid uit de JGZ Preventieagenda. Deze tekst is gebaseerd op een oude tekst (hier) en werd gebruikt op een middag over weerbaarheid in de gemeente Albrandswaard in november 2018.
Share

Complexisme

Een goede kennis berichtte over de koortsstuip van haar eerstgeborene. Ze was heftig in paniek geraakt daardoor. Het was op een donderdagavond gebeurd, haar huisarts had vakantie, haar man was aan de andere kant van het land op klus. Ze had hulpdiensten ingeschakeld en de buurvrouw geroepen om haar te helpen.

Ik kende haar goed genoeg om te weten hoe dit bij haar aankwam. Sinds mijn toetreden tot het preventiegilde had ik al eens bij haar gecheckt hoe dingen in de praktijk verliepen. Zij had een persoonlijke geschiedenis die aan alle kanten risicofactoren bevatte en uit alle afvinklijstjes moest zij wel naar boven komen. Anderzijds was zij als geen ander in staat geweest haar persoonlijke geschiedenis te boven te komen, moeilijke zaken te verwerken en haar leven te leven. Daar had ik haar ook mee geholpen. Normaliseren noemden we dat: zie je reacties als normale reacties op soms abnormale omstandigheden. Pas als je abnormaal op normale dingen gaat reageren moeten er alarmbellen gaan rinkelen. Het bleek een goed uitgangspunt.

Het blijkt lastig te zijn voor mensen om “normaal” te doen. Het is gemakkelijker en meer voor de hand liggend om in alles complexiteit te ontdekken en ik kom er steeds meer achter dat daar een functionele reden voor is. Alle gedrag is immers functioneel: het dient een doel, soms onbekend en onbewust aan de diegene met dat gedrag, maar toch functioneel. Wat levert dit gedrag op, waardoor het in stand blijft.

Complexisme

Ik noem het complexisme. Dat is een maatschappelijke ontwikkelingsstoornis van groepen mensen met gelijke eigenschappen die met elkaar “moeilijk” doen om iets in stand te houden. Door te stellen dat iets complex is hoef je het immers niet op te lossen, blijft het ingewikkeld, verdient elke oplossing (die nooit gevonden wordt) de nobelprijs en maak je tenminste je eigen werk nuttig. Nadenken over complexe problemen is per definitie nuttig werk. Zo lijkt het.

Mensen met complexisme vergeten dat het leven helemaal niet zo ingewikkeld is. Dat de meeste zaken die een mens in zijn leven tegenkomt met normaal gedrag best te handelen zijn en dat het van moeilijk doen niet gemakkelijker wordt. En toch blijven veel mensen moeilijk doen.

Normaliseren

Mijn goede kennis snapte meteen mijn reactie: “Mooi!”, schreef ik, “Wat een heerlijk normale reactie op zo’n abnormale situatie. En wat goed om te zien dat je naast je paniek, die ik best begrijp hoor, zo adequaat handelde door de medische diensten in te schakelen, de buurvrouw te roepen en om hulp te vragen. Wat wil je nog meer?” Het gesprek ging daarna over haar handelen, haar zorgen, de manier waarop ze haar zorgen met haar man besprak en hoe ze elkaar daarin half stonden. Ze sloot af met te stellen dat ze, ondanks haar “nieuwe stempeltje op de traumatische ervaringskaart”, toch maar mooi weer aan zelfvertrouwen had gewonnen.

Ze mag blij zijn dat ik niet lijd aan complexisme. Dan had ik waarschijnlijk aangeslagen op haar paniek, had dat gerelateerd aan haar persoonlijke geschiedenis (met gedoe, veel psychiatrie en een scala aan onbegrepen klachten) en was volledig voorbijgegaan aan de manier waarop ze haar leven inmiddels al een hele tijd erg goed op orde had. Met haar steady relatie, haar goed ontwikkelende kind, haar fijne woonplek en bevredigende sociale contacten. Maar misschien was dat ook wel precies de reden dat ze het mij vertelde.

De mythe van maakbaarheid

Complexisme is iets van deze tijd en heeft te maken met een overtuiging dat alles maakbaar is en dat, als het leven zich niet in ideale vorm aan je voorbijtrekt, het niet aan jezelf zou moeten liggen dat dat niet lukt. Dus noem je het “complex” en ontsla je jezelf daarmee van de verantwoordelijkheid om het op te kunnen lossen.

Terwijl een mens zich toch vooral door het leven struikelt, maar wat probeert, aanklooit, misgrijpt, zo nu en dan successen boekt en het er vooral om gaat om onzekerheden goed te verdragen. Hoe beter je verdraagt dat succes zich niet laat dwingen, hoe beter het lukt gewoon te leven. Losjes aanklooien, prutsen, oefenen, fouten maken, beschaamd om jezelf kunnen lachen als het weer eens niet gelukt is. Dat werk.

Goed genoeg

En vooral ook verantwoordelijkheid nemen! Voor wat je doet, gedaan hebt, van plan bent en de gevolgen die dat heeft. Want met complexisme komt vooral ook mee dat de oorzaak, de oplossing en de actie vooral van een ander moet komen. Als zij nu maar eens…, zij zouden eens moeten…, etc…. Mensen met complexisme maken zo niet alleen hun eigen wereld ingewikkeld, ze zorgen er met het beleggen van de verantwoordelijkheid ook nog eens voor dat ze zelf niet eens tot de oplossers behoren.

Het leven van mijn goede kennis was er door het normaliseren leuker, maar niet direct eenvoudiger op geworden. Tot dan toe werd ze door de complexisten ingepalmd. Er stonden altijd drommen professionals klaar die haar wilden helpen, onderzoeken deden, therapieën voorstelden, ondersteuning boden. Mooi, maar niet erg helpend. Door zaken te normaliseren (“dit is het nou eenmaal en maak er maar het beste van”) was ze ineens zelf weer verantwoordelijk, mocht zich weer fouten permitteren, had ineens weer keuzes en merkte weer op dat vallen pijn doet. Zij legde zich neer bij de onvermijdelijkheid van zaken, wist dat steeds beter te verdragen en durfde ondertussen weer van alles. Juist omdat ze zichzelf weer fouten toestond. Ze stapte toen pas in haar relatie, werd toen ook pas zwanger, kreeg haar kind en kluunt zich voort. Omdat het leven nu eenmaal niet zo ingewikkeld is, als je er zelf niet zo moeilijk over doet.

Normaliseren dus. Gewóon doen, gewoon dóen!

 

 

Share

De dobbelfunctionaris

Hierbij solliciteer ik naar de functie van dobbelfunctionaris. Oké, ik weet dat de functie nog niet vacant is, maar hij komt er vast en dan heb ik alvast gesolliciteerd. Ik denk dat ik erg geschikt ben als dobbelfunctionaris. Ik kan goed overweg met dobbelstenen. Ben betrouwbaar en van onberispelijk blazoen en kan een geldige verklaring omtrent gedrag overleggen. Als dobbelfunctionaris lever ik graag een bijdrage aan de moeilijke opgaves in de wereld van zorg-onderwijs-jeugdhulp-gemeente-etc.

Wat ik ga doen als dobbelfunctionaris?

Dobbelen. In al die situaties waar “het veld” er niet uitkomt wie voor welk deel van de zorgvraag, of onderwijsvraag of welke vraag dan ook gaat betalen kom ik opduiken. Ik heb mijn dobbelstenen bij me en na het inschenken van goede koffie krijgen de aanwezige partijen precies tien minuten om alsnog tot afspraken te komen.

Na tien minuten rollen onverbiddelijk de dobbelstenen en worden de stenen verdeeld. Al naar gelang het aantal aanwezigen zal het aantal dobbelstenen worden aangepast. Ik kan u daarvoor het model doen toekomen. Ik heb daar echt over nagedacht.

De ogen van de dobbelstenen corresponderen met de aanwezigen en bepalen wie er gaat betalen. Degene die de dobbelronde wint betaalt. Deze keer. Een volgende keer is een ander aan de beurt.

Waarom?

Het komt immers allemaal uit dezelfde grote pot. En uiteindelijk moet er toch betaald worden. Dus zonder dat er oeverloze domeindiscussies gevoerd moeten worden kunnen we zo snel ter zake komen. Waarschijnlijk is het veel goedkoper en als je het mij maar vaak genoeg laat doen is het ook steeds eerlijker.

Ik kom ook graag dobbelen tussen de ministeries over wie mijn tarief en mijn ov-jaarkaart mag betalen. Roept u maar!

photo credit: Judy ** dice via photopin (license)
Share

Pas goed op elkaar

Ook gepubliceerd op: delen.oudersonderwijs.nl

Zo nu en dan is er zo’n krantenbericht dat onder mijn huid gaat zitten. Zoals zo’n liedje dat zich als een oorwurm nestelt en je blijft plagen. Dat je niet loslaat en waar je tot ’s nachts aan moet denken. Of waar je steeds weer op teruggrijpt in allerlei andere situaties. Omdat het bericht te veel vragen oproept en je tot twijfelen brengt.

Zo’n bericht is het bericht over M uit Almelo. Ze is 4 en ze was uren zoek, met haar roze outfit en goedgevulde schooltas. Of althans: zij was niet zozeer zoek. Ergens tussen de taxirit en het moment dat ze uren later pas gemist werd raakte ze kwijt. Zij zat gelukkig veilig en wel bij een gemeentelijke dienst nadat ze van straat was geplukt. Maar ze werd door niemand gemist. En daar begon mijn oorwurm.

Systeem

Inmiddels ben ik er wel achter, ook doordat ik bij andere situaties steeds weer aan M moest denken. Steeds weer trof ik situaties waarbij professionals vanuit allerlei kanten hun allerbeste diensten leveren, hun uiterste best doen en dat het dan toch niet werkt. Samen is een systeem bedacht dat voorziet in een oplossing voor alles. Totdat er iemand als M komt die het kloppend hart van dat systeem stillegt.

In Almelo kwamen de reacties snel los: de chauffeur trof geen blaam. Ook de school had een excuus. De ouders wisten niet beter of hun kind was veilig en wel op school.

Het is een bekende reactie van het systeem: het ligt namelijk nooit aan de mensen in dat systeem: we hadden toch afgesproken dat jij.. we hadden toch besloten om… jij zou toch… Straatje schoonvegen en naar de buren wijzen. Dat hoort bij systeemproblemen.

Andere situaties

Ook in andere situaties kom ik dit tegen. Rond thuiszitters wordt bijvoorbeeld al jaren gewerkt aan een sluitend systeem. Een systeem dat voor 90% van de kinderen moet werken. Waarna we voor die 10% een nieuw systeem gaan bedenken, wat weer voor 90% van die kinderen werkt, waarna we weer voor 10% van die kinderen een systeem wordt bedacht, wat weer voor 90%… etc.

Rond EMB-kinderen (ernstig meervoudig beperkte kinderen waar zorg en onderwijs in combinatie een rol moet spelen) komen ze maar niet uit een systeem dat precies vertelt of het zorg of onderwijs is. Het is niet zo gek dat ze dat niet kunnen vinden. Die grens is er alleen in de gekunstelde systeemwereld. Een systeem is altijd gebaseerd op een model van de werkelijkheid. Het model heeft de beperking dat het altijd een beperkte weergave van die werkelijkheid is.

Een systeem klopt totdat er iemand komt die laat zien dat het niet klopt. Zoals M, zoals veel thuiszitters, zoals veel EMB-kinderen. Er is maar één wetmatigheid aan een systeem: er komt altijd iemand die bewijst dat het niet klopt en dat moment komt altijd sneller en onverwachter dan je had gewild.

Terug naar de kern

Bij M werd het systeem rond het vervoer van huis naar school bedacht om te zorgen dat alle kinderen op de school aankomen. De chauffeur let op, de leerkracht let op, de ouders letten op. Ieder op zijn eigen stukje.

Bij thuiszitters en EMB-kinderen gaat het om een systeem om iedereen in het onderwijs te krijgen, of aan het onderwijs, of in ontwikkeling. Het zijn stapjes in de discussies over het systeem. Iedere keer als blijkt dat het niet klopt. Wat dus ook iedere keer weer blijkt.

De kern van al deze systemen is dat ze moeten helpen om goed op kinderen te passen. En het is precies daar waar de systemen falen. M. werd niet gemist, al werd ze gelukkig wel gevonden. Thuiszitters hebben geen plek en voor EMB-kinderen is het nooit lang duidelijk uit welke pot geld de kosten betaald worden.

Oplossing

Wat me in al deze situaties het meest raakt is dat de bedoelingen allemaal wel deugen. Iedereen probeert het beste te doen, het werkt alleen niet. Dat maakt de situaties tragisch. Een kind dat niet gemist wordt. Een kind dat niet naar school kan. Een aanbod dat niet betaald wordt.

Als blijkt dat je zelfbedachte systeem niet werkt moet je weer terug naar de basis. Naar de kern vanwaarom je in dit werk zat, waarom je deze dingen bedacht. De chauffeur moet weer mensen vervoeren van A naar B en zorgen dat de aantallen kloppen. De leerkracht moet weten waar alle kinderen zijn voor aan de lesdag te beginnen. Voor thuiszitters moet maatwerk bedacht worden en voor EMB-kinderen moet gewoon worden betaald.

Daarvoor moeten systemen opzij. Systemen die best aangepast mogen worden aan de nieuwe situatie. Als kinderen daar maar niet de dupe van worden. Er was ooit een intentie achter de systemen en als je teruggaat naar die intentie moet het lukken. Tot die tijd: pas goed op elkaar.

Share

Passend onderwijs of passende kinderen en ouders?

Verschenen in Sardes special nummer 22, november 2017

Ongeveer twee derde van de vragen die binnenkomen bij Ouders & Onderwijs gaan direct of indirect over passend onderwijs. Vrijwel altijd gaan ze over de relatie, over communicatie of over het gelijk. Mark Weghorst gaat hier nader op in en concludeert: een goede relatie en een goede communicatie met ouders is voorwaarde voor het slagen van passend onderwijs.

Kinderen die extra aandacht nodig hebben zijn van alle tijden. Iedereen weet uit zijn eigen schoolcarrière de bijzondere klasgenoten te noemen, kinderen die wat extra uitleg kregen, een eigen aanpak kregen of soms ineens van het toneel verdwenen omdat ze naar een andere school gingen.

Passend onderwijs heeft daar niet veel aan veranderd. Wat wel is veranderd, is de positie van ouders. Ouders zijn mondiger, ze hebben meer toegang tot kennis over allerlei zaken, die zij ook gemakkelijker delen. Dat zien we ook terug in het onderwijs. De leerkracht kan niet meer, zoals vroeger, uitgaan van het vanzelfsprekende vertrouwen van de ouders. Ouders vragen door en informeren zichzelf. Ze halen hun informatie niet alleen bij de eigen school, maar koppelen dit ook aan ervaringsgegevens van andere ouders. Naast omgaan met de veranderende omgangsvormen en verwachtingen van ouders en hun snel toenemende kennisniveau, moeten scholen ook nog een wet (passend onderwijs) implementeren. Dat maakt het extra complex.

Het schoolsucces van kinderen hangt in grote mate af van de rol van de ouders. Betrokkenheid tussen ouders en kind is een belangrijke voorspeller van dit succes (www.expertisecen- trumtop.nl). Leraren zijn passanten in het leven en in de leefwereld van een kind. Dat is een moeilijke rol, omdat ze veel zien, deskundigheid hebben, maar niet verder kunnen reiken dan de mogelijkheden van (de leefwereld van) dat kind.

Ongeveer twee derde van de vragen die binnenkomen bij Ouders & Onderwijs (momenteel een kleine duizend per maand) gaan direct of indirect over passend onderwijs. De vragen komen vaak onversneden binnen (‘weet u een advocaat die voor mijn kind het onderwijs kan regelen?’) en hebben bijna altijd betrekking op de thema’s ‘relatie’, ‘communicatie’ en ‘het gelijk’.

Relatie

Ouders van kinderen met speciale onderwijs- behoeften weten als geen ander hoe belangrijk de relatie is. Ze weten dat een prettige (school) dag erg afhankelijk is van de manier waarop de leerkracht de zorg voor hun kind vormgeeft.

Ouders zijn zelf primair verantwoordelijk voor hun kind, maar zijn een groot deel van de dag afhankelijk van de manier waarop onderwijs- professionals daar vorm en inhoud aan geven.

In beginsel zijn ouders bereid om die verantwoordelijkheid daar neer te leggen. Ouders vertellen vaak dat ze het ‘eerst een tijd hebben aangezien’ en ‘niet meteen aan de bel hebben willen trekken’. Dat moment – aan de bel trekken – is voor ouders vaak een grote stap. Het is immers nogal wat om de relatie op de proef te stellen met degene die overdag, zonder jouw directe toezicht, de verantwoordelijkheid draagt voor je kind.

Van professionals vereist dat sensitiviteit voor dit soort momenten. Ouders stellen vragen nooit ‘zomaar’, er zit opgebouwde zorg achter en er is moed voor nodig om vragen te stellen over de manier waarop de leerkracht de dingen doet. Dit is te voorkomen als er al lang voordat er ook maar sprake is van problemen, een relatie is tussen de leerkracht en de ouder, waarin het vanzelfsprekend is om zaken te bespreken. Dan zie je dat ouders vanaf het eerste moment meepraten over problemen en meedenken over oplossingen.

Ouders van kinderen die intensieve zorg nodig hebben, zijn als geen ander gewend aan de grillen van hun kind en hebben al vaak moeten improviseren in weer een nieuwe situatie. Hun rol in de relatie zou wat dat betreft actief meedenkend moeten zijn. Professionals zoeken vaak oplossingen door andere professionals te raadplegen, maar in de relatie met ouders liggen de oplossingen vaak zomaar voor het oprapen.

Communicatie

Er bestaan grote verschillen tussen ouders. Er zijn hoogopgeleide en ongeschoolde ouders, intelligente en zwakbegaafde ouders, er zijn ouders met veel eigen (financiële) mogelijk- heden en ouders die in sterke mate afhankelijk zijn van het aanbod dat er is.

Onderwijsprofessionals moeten met al deze ouders kunnen communiceren. Ze zijn immers verantwoordelijk voor de relatie met alle ouders. Dat valt niet mee. Het betekent dat ze informatie die bij ouders terecht moet komen, vooral moeten geven vanuit het perspectief van de ouders. Soms kan dat het beste met een nieuwsbrief, soms met een gesprek, soms met een telefoontje en soms met een bezoek. Zoveel ouders, zoveel manieren om te communiceren.

Ouders & Onderwijs ziet een duidelijke lijn in de vragen van ouders. De communicatie tussen school en ouders verloopt niet altijd goed en de verantwoordelijkheid is niet altijd duidelijk. Dat is deels een kwestie van vaardigheden (hoe communiceer ik met die ouder: begrijpen we elkaar en wat kan ik doen als dat niet het geval is?) en het heeft deels te maken met de organisatie van de communicatie.

Voor situaties rond passend onderwijs is communicatie extra belangrijk, omdat het schoolsucces van kinderen niet alleen afhankelijk is van de betrokkenheid van ouders, maar ook van het onderling vertrouwen tussen ouders en school. In situaties waarin aanpassingen nodig zijn, is een goede basis voor overleg noodzakelijk (Hoogeboom, 2010).

Als de leerkracht en de ouders er niet uitkomen, wordt er vanuit het onderwijs vaak ‘opgeschaald’: van de intern begeleider naar de schoolleider, naar een schoolbestuurder, naar het samenwerkingsverband. Er zijn een aantal stappen te maken als het niet lukt. Ouders hebben maar één escalatieniveau en moeten bij iedere ‘stap hoger’ weer opnieuw beginnen met het contact, en nemen daarbij de eventueel opgebouwde frustratie uit het vorige contact (of contacten) mee. Omdat het vertrouwen in een oplossing te lijden heeft onder deze opschaling, komt de oplossing daarmee niet altijd dichterbij.

Onafhankelijke ondersteuning van ouders moet in elk samenwerkingsverband geregeld zijn, maar we zien in de praktijk dat dit niet echt van de grond komt. Het zou enorm schelen als er professionele onafhankelijke ondersteuning beschikbaar is, die ouders ondersteunt in de communicatie met school (PO-raad e.a., 2017).

Het gelijk

Ouders hebben altijd gelijk. Ik heb het ooit zo opgeschreven, en hoewel de uitleg hiervan erg genuanceerd is, komt het nog steeds hierop neer. Alle ouders hebben altijd gelijk. Dit uitgangspunt helpt erg goed om in het werken met ouders oplossingen te vinden. Als professional ken ik ook de deskundige overwegingen, de objectieve en subjectieve gegevens waarop je professionele keuzes baseert. Maar ik weet ook dat oplossingen nooit tot stand komen zonder medewerking van de sleutelfiguren in de context van een kind. Dat zijn de ouders.

Een oplossing moet dus aansluiten bij de mogelijkheden van de ouders. Soms betekent dat dat je een paar professionele stappen terug moet doen. Misschien verraadt zich daar wel de ware professional: een oplossing is immers alleen van professionele kwaliteit als deze uitvoerbaar is. En uitvoerbaar is een oplossing pas als deze wordt gedragen door de ouders.

Voor de praktijk van passend onderwijs is dit extra belangrijk. Het is in het belang van kinderen dat de oplossing wordt gedragen door alle partijen. Strijd moet worden voorkomen. En dat is het gemakkelijkst als je als professional de verantwoordelijkheid neemt voor het voorkomen van strijd. Dat lukt als je uitgaat van het standpunt dat ouders gelijk hebben. Wanneer je dan ook nog rekening houdt met het feit dat ouders nooit verder kunnen reiken dan de eerstvolgende stap, voorkom je ook oeverloze besprekingen waarin ouders overtuigd moeten worden van de goede intenties en de werkbaarheid van de professionele oplossingen.

Wanneer ouders vanaf het begin deel zijn van het proces om tot oplossingen te komen, is het risico op professionele luchtfietserij niet zo groot. De ouders zullen je met de voeten op de grond houden. Zij hebben namelijk als geen ander belang bij oplossingen die werken.

Welkom

Het gaat dus om attitude. Of het nu gaat om het leggen en onderhouden van de relatie met ouders, om de manier waarop je met ouders communiceert, of om de wijze waarop je omgaat met ouders die niet instemmen met je professionele ideeën, het gaat erom hoe je daarin als onderwijsprofessional je houding bepaalt.

Ouders die goed contact hebben met de school van hun kind, noemen één overeenkomstig kenmerk: het contact met school begon met een welkomgevoel en de school wist dat gevoel door alle stormen en moeilijkheden heen vast te houden. Ondanks de duidelijke regels over zorgplicht, zijn er nog altijd ouders die dat welkome gevoel niet hebben en dan zoeken zij echt verder. Scholen waar ouders zich welkom voelen en die bij problemen niet ‘van zich af gaan organiseren’, hebben voor veel ouders een streepje voor. En belangrijker nog: die scholen kunnen zich over het algemeen meer (kleine) missers permitteren. Zolang daar maar op een open, eerlijke, zelf-reflectieve manier over wordt gesproken.

Kortom, zorg ervoor dat alle kinderen en hun ouders zich welkom voelen, en houd dat ook in zwaar weer vol. Weet je verantwoordelijk voor de relatie met de ouders, weet met wie je communiceert en blijf daarin kritisch kijken naar je eigen rol en naar wat daarin wel en niet werkt. Zorg dat oplossingen voor ouders uitvoerbaar zijn. Zet je professionaliteit in om het bewijs voor het gelijk van ouders te leveren in plaats van het tegenovergestelde. Het gaat immers om passend onderwijs en niet om passende kinderen.

Mark Weghorst is maatschappelijk werker en thema-adviseur bij Ouders & Onderwijs. Hij houdt zich onder andere bezig met passend onderwijs en de positie van ouders daarbij.

Meer lezen

https://www.oudersonderwijs.nl/nieuws/ ouders-hebben-altijd-gelijk/

Bronnen

  • Expertisecentrum TOP Taal Ouderbetrokkenheid Participatie. www.expertisecentrumtop.nl.
  • Hoogeboom, B. (2010). Ouders en schoolsucces in het voortgezet onderwijs. Amersfoort: CPS Onderwijsontwikkeling en advies.
  • Meer, J. van der & Vriezen, M. (2017). De Staat van de Ouder. Utrecht: Ouders & Onderwijs.
  • PO-raad, VO-raad, Ingrado, Gedragswerk, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Welzijn, NJi, VNG (2017). Doorzettingsmacht organiseren. Utrecht: Steunpunt Passend Onderwijs VO.
  • Weghorst, M. Emancipatie door facebook. Blog op www.oudersonderwijs.nl
Share

Oplossing nodig? Bedenk ze eens mét ouders!

Verschenen op: delen.oudersonderwijs.nl

Deze week ben ik druk met drie verschillende onderwijssituaties waarin in de kern dezelfde problemen spelen. Zo is er de professional die stelt dat ouders “nog maar even niet geïnformeerd” moeten worden omdat dat onnodig ruis geeft. En is er de ouder die geconfronteerd wordt met het professioneel doordachte en doorwrochte plan waar ze niet over mee mocht denken. Tenslotte is er de school die de eigen organisatie op de kop zet en onder tijdsdruk de communicatie naar ouders op de laatste plaats zet.

Ouders zijn altijd nodig bij de oplossing

Drie situaties, verschillend van aard, maar allemaal met eenzelfde kern. Ouders voelen zich niet betrokken in het proces. De hamvraag is of je ouders buiten beeld kunt houden als professional. Of het professioneel is om ouders niet te betrekken in je oplossingen. Het antwoord op die vraag is voor mij steeds duidelijker.

In alle gevallen zullen ouders de bedachte oplossing moeten gaan uitvoeren, thuis in relatie tot hun kinderen en naar school in relatie tot de school van die kinderen. Een oplossing die niet past in de gedachtegang van ouders is een onwerkbare oplossing. Die stelling durf ik aan.

Welke keuze hebben ouders?

In de drie situaties gaat het hier ook op mis. Afgezien van de bedachte oplossingen is er niet in voorzien dat ouders mee moeten in de gedachtegang en dat dat tijd kost. In twee van de drie gevallen wordt de oplossing bij ouders over de schutting geworpen als eindoplossing. Slikken of stikken. In die twee gevallen is er bovendien ook nog eens sprake van het volledig ontbreken van een alternatief. En het is bijna zomervakantie.

Zeker voor ouders met kinderen die specifieke ondersteuning nodig hebben zijn de keuzes in het onderwijs al beperkt, bleek ook deze week uit het onderzoek van Oberon. Dan is het wel het minste dat je mee hebt kunnen denken in de best mogelijke oplossing.

Ouders hebben altijd gelijk

Ik schreef eerder dat ouders altijd gelijk hebben. Binnen het perspectief van de ouder is dat een te verdedigen stelling. Het blijft gekmakend en frustrerend om steeds weer te zien dat, hoewel het contact met sommige ouders lastig zal zijn, onderwijsprofessionals ervoor blijven kiezen om eerst zelf de zaak op te gaan lossen.

Drievinger-principe

Voor alle professionals is het van belang het drievinger-principe te hanteren. Op ieder moment dat naar een ander, iets anders, iets buiten de eigen persoon gewezen wordt (de lastige ouders, de bezuinigingen, de overheid, de werkdruk, de zomervakantie) wijzen er tegelijkertijd drie vingers naar jezelf. Die staan voor drie vragen:

  1. Wat betekent deze gebeurtenis?
  2. Wat leer je ervan?
  3. Hoe kom je verder?

Het antwoord laat zich raden: begin maar met dat wat het moeilijkste is. Als dat lukt is de rest een makkie. Dus als die ouder moeilijk mee te nemen is in de oplossingen of de meningen liggen erg ver uit elkaar? Zet iedereen aan tafel en wissel argumenten. En nog een tip? Vertrek vanuit het perspectief van de ouder. Kijk wat er voor nodig is om hun oplossing te realiseren en wissel dat ook uit.

Wederzijdse verwachtingen, maar..

Dat mag je van ouders natuurlijk ook verwachten. Dat ze niet wijzen, dat ze redelijk zijn, dat ze meewerken. Misschien zelfs wel dat ze zich voegen naar jouw professionaliteit. Je mag dat verwachten, maar je mag het niet eisen. Ouderschap kent geen basisniveau dat hierin voorziet. Zo kan het zijn dat je met een brede variëteit aan ouders te maken krijgt. De een is gebekter dan de ander, de een is redelijker dan de ander. En met al die ouders zul je het moeten doen.

Natuurlijk vertellen we ouders dat ze moeten denken om hun relatie met de school, dat ze proberen samen te werken met school en dat ze goed moeten communiceren. We vertellen ook dat ze terecht heel veel mogen verwachten van die hoogopgeleide professionals.

Ze zitten echter wel in een bijzondere positie. Waar iedere professional op ieder moment zijn handen ervan af kan trekken, is dat voor een ouder niet mogelijk. Die blijft ouder, hoe de situatie zich ook ontwikkelt. Dat maakt dat de haalbaarheid van een oplossing altijd begint en eindigt bij de mogelijkheden van de ouder. Daarom is het meenemen van ouders in het proces van oplossen zo belangrijk.

In alle drie de situaties wordt de ouder niet betrokken. Het maakt dat de situaties stagneren waar dit niet nodig was geweest. Dat laat onverlet dat iedereen in dergelijke situaties ongetwijfeld zijn best zal doen. Het kan echter beter. Zorg tenminste voor uitvoerbaarheid door de ouders bij bedachte oplossingen.
En oh ja, dit zijn redelijk gemiddelde weken. Er is kennelijk nog veel nodig om de brug tussen ouders en onderwijs te slechten.

Share

Down and out: eindelijk een school?

Verschenen op: delen.oudersonderwijs.nl

Eerder schreef ik over de moeder met haar dochter met Down-syndroom die vooruitlopend op de schoolgang van haar kind alvast op zoek ging naar een passende school. Het werd een zoektocht waarbij ze weigerachtige scholen, ongastvrije schooldirecteuren en zorgplichtontwijkers tegenkwam. Zonder dat het te bewijzen is voelde moeder het goed: haar kind was niet welkom op die scholen.

Uiteindelijk leek ze een school te hebben gevonden die haar dochter onderwijs wilde geven. Toen ik de dochter met haar moeder deze week weer tegenkwam bleek niets minder waar. Er was weliswaar een school gevonden, maar wat een zoektocht werd dat.

 

Of haar dochter mij herkende van zolang geleden weet ik niet, maar ze maakte opnieuw gemakkelijk contact. Haar eigenwijze staartje completeerde haar open blik. Ze maakte tekeningen, kon vertellen wat erop stond (een aap en een papegaai) en ging in op verzoeken ten aanzien van de tekening. Wat een heerlijk kind!

 

Weigerscholen

De school die de dochter in eerste instantie welkom heette gebruikte het gehele voor-leerplichtige jaar voor onderzoek naar de mogelijkheden. Ik fronste mijn wenkbrauwen? Een aanmeldprocedure van een jaar? Duurt in deze regio het onderzoek naar de mogelijkheden voor passend onderwijs binnen een school een jaar? Tijdens het jaar werd de één na de andere functionaris toegevoegd aan het onderzoek, werd handtekening na handtekening gevraagd en was er na een jaar nog nauwelijks duidelijkheid. De wet schrijft voor dat een school zes weken na aanmelding een passende oplossing moet hebben en de school mag hier nog vier weken aan toevoegen.

Haar dochter had inmiddels twee klasgenoten met down gekregen op de school van keuze, maar toch voelde moeder het warme welkom van een jaar eerder langzaam wegebben. Haar twijfel zette ze om in steeds cynischer meewerken met weer een onderzoek en het ondertussen rondkijken naar alternatieven. Alternatieven waarvan ze inmiddels wist dat ze moeilijk vindbaar zouden zijn.

 

Ondertussen had haar dochter een volgende tekening gemaakt. Nog een aap en een papegaai. Ze wist het zelf uit te leggen en het verbaasde me dat er een jaar nodig was om te zien dat ook dit kind tot ontwikkeling kon komen.

Shoppen naar zorgplicht

Moeder was gaan shoppen naar een nieuwe school voor haar dochter. Het shoppen dat de wetgever met de inwerkingtreding van de wet passend onderwijs wilde voorkomen was hier gewoon nog gemeengoed. Het leek zelfs in de hand gewerkt te worden door de lankmoedige houding van school.

In een naburig dorp, weg van de grote stad met de onbegrensde mogelijkheden vond ze een school voor haar dochter. De school nam twee weken de tijd na de aanmelding om aan te geven dat ze het zagen zitten met haar dochter. Acht weken minder dan de maximale termijn, minder dan een jaar overbodig drempelverhogend onderzoek en gewoon zoals de zorgplicht bedoeld is. Het kan dus wel.

Volgende uitdaging

Dat moeder daarvoor dagelijks haar dochter vijftien kilometer moet heen-en-weer-brengen wordt een volgende uitdaging. Er zijn immers reguliere scholen genoeg in de omgeving. Een gemeente zal niet zomaar extra vervoerskosten betalen nu moeder zelf het initiatief nam. Hoe begrijpelijk die stap ook is. De school van het jaar onderzoek gaf namelijk inmiddels ook een positief besluit over de mogelijkheid tot aanmelden.

Zou deze gemeente het aandurven de rekening voor de extra vervoerskosten bij het samenwerkingsverband neer te leggen? Omdat school na school de zorgplicht ontweek, ontdook of haar eigen procedures bedacht? En gaat het samenwerkingsverband dan die scholen aanspreken op hun gedrag? En stelt het daarbij ook consequenties? En worden scholen die wel een welkom weten vorm te geven en vol te houden daar ook voor beloond? Of laten we ook deze rekening gewoon weer bij de ouders liggen?

Dochter was officieel nog niet eens leerplichtig en had inmiddels afwijzing op afwijzing gehad. Allemaal opgevangen door haar ouders die haar zorgvuldig buiten dit gebeuren proberen te houden. Het verdrag voor de rechten van personen met een handicap is inmiddels een jaar geleden geratificeerd, maar de uitwerking daarvan is nog erg ver weg. Zouden scholen zich kunnen indenken hoe het is voor ouders om hun kind steeds afgewezen te zien worden? Hoe vervelend het is om steeds weer met belemmeringen geconfronteerd te worden?

De dochter heeft de tekening meegenomen en nog maar een kleur toegevoegd. Ze drinkt uit een beker, zoekt contact met aanwezigen, kan haar beurt afwachten, kan zich verstaanbaar maken. Bij mij duurde het hele onderzoek nog geen half uurtje. Maar ja, ik ben geen school en ik zag alleen de mogelijkheden.

Share

Lansbreker in actie

Verschenen op: delen.oudersonderwijs.nl

Eén van de lansbrekerouders belde. Ze deed mee aan een aantal sessies van de lansbrekersbeweging, ontving op de laatste bootcamp in maart 2017 haar speld en deelt de manier van kijken en doen van de lansbrekers. Ze voelt zich een lansbreker en voelt zich verbonden met de beweging die gericht is op oplossingen, op de samenwerking en die het kind centraal stelt.

Ze had een vraag.

“Een ouder vraagt of ik meega naar een moeilijk gesprek en mag ik dat doen als lansbreker?” Ze legt me kort de situatie voor. Zoals alleen zij kan: in twee minuten vertelt ze twee levens en brengt ze het hele probleem terug tot één kern: gaat er iemand tijdelijk betalen voor het leerlingvervoer nu vader als vaste vervoerder door ziekte is uitgevallen.

Er zou een overleg plaatsvinden met jeugdarts, mensen van het zorgloket van de gemeente, orthopedagogen van twee samenwerkingsverbanden, twee directeuren samenwerkingsverbanden en de leerkracht van het betreffende kind. Doel van het overleg: het kind moet naar een andere school. Het feit dat vader door ernstige ziekte tijdelijk het vervoer van zijn kind niet kan verzorgen was de aanleiding om de onderwijsondersteuning van dit kind maar op de kop te zetten. Dat was het idee.

“Natuurlijk ga ik voor een oplossing en de samenwerking. Maar het kind moet wel centraal! Het is toch helemaal geen goed moment om alles op de kop te zetten? Het kind zit daar goed! Als het kind er maar kan komen nu de vader zo ziek is.” Een mooie pragmatische aanpak. Lansbrekerachtig!

“Als het helpt om je als lansbreker te presenteren: prima! Ik hoor graag hoe het uitpakt.” Ouders mogen zich in gesprekken zoals deze altijd laten ondersteunen. In iedere gemeente is daarvoor onafhankelijke clientondersteuning beschikbaar. Dat kunnen professionals zijn, maar soms ook (ervaringsdeskundige) vrijwilligers.

Ze belde niet veel later terug.

Ze had een gaaf gesprek gehad. Ze had zich voorgesteld als ondersteunende ouder en lansbreker. Ze had zelfs haar lansbrekerspeld opgedaan. Ze had de aanwezigen eerst maar eens ter kennismaking gevraagd naar hun ervaringen met het kind van vader. Zij vond het een leuk kind die het goed deed onder de bijzondere en verdrietige omstandigheden, had ze zelf verteld. Ze had er van opgekeken dat er een aantal mensen aanzaten die het kind niet eens kenden.

Vervolgens had ze maar eens gevraagd waar het gesprek over ging: over de plek van het kind op school of over de manier waarop hij op school kon komen, zolang vader ziek was. Ook dat was een verrassende wending voor de deelnemers aan het overleg. Toen ze, net als bij mij eerder aan de telefoon, in twee minuten de situatie schetste en de oplossing -betaal voorlopig even het vervoer- erbij deed was de zaak snel beklonken.

Er werd een nieuwe afspraak gemaakt voor over een aantal maanden om het over de schoolplek te hebben van het kind. Dat kon best nog even wachten, vond ineens iedereen aan tafel.

“Heb ik het goed gedaan zo als lansbreker?”

“Heb je het kind geholpen? Hielp je naar een oplossing? Heb je de samenwerking ondersteund? Dan was je volgens mij een echte lansbreker!”

Share

Ouders hebben altijd gelijk

Verschenen op ouderonderwijs.nl

Ouders hebben altijd gelijk! Ook als het niet zo is. Het staat geschreven op een flap-over bij Ouders & Onderwijs en staat er al een tijdje. Het is het meest simpele uitgangspunt voor het werken met ouders in situaties waar hun kinderen in de knel komen. Het roept meteen ook reacties op. Hoezo? Hebben ouders altijd gelijk? Ze kunnen er toch naast zitten?

Als kinderen in de knel komen hebben ouders er als geen ander belang bij dat er een oplossing komt. Het zijn immers hun kinderen. Als geen ander zullen ze daarom ook in staat zijn om de geboden oplossingen te kunnen beoordelen. Gaat het werken? Is dit voor mijn kind in deze situatie op dit moment de goede oplossing? Snap ik de oplossing? Kan ik de oplossing (helpen) uitvoeren?

Zone van de naaste ontwikkeling

Net als kinderen kennen ouders ook een “zone van de naaste ontwikkeling”. Dat is het gebied buiten hun comfortzone waar ze, met hulp van anderen, best wat nieuws willen proberen. Als professionals met hun oplossingen verder dan de zone van de naaste ontwikkeling reiken zullen ouders in de weerstand gaan. En terecht! Een oplossing die (nog) niet bereikbaar is voelt onveilig en schreeuwt om een afwerende en (gezins)beschermende reactie.

Professionals moeten dus aansluiten bij die “zone van de naaste ontwikkeling”. Dat betekent investeren in de relatie. Weten waar de ouder zich comfortabel bij voelt en wat de mogelijkheden zijn om dingen te veranderen in de huidige situatie. Ouders wennen, net als gewone mensen, gemakkelijk aan situaties die eigenlijk best beter zouden kunnen. We zagen het in de Staat van de Ouder aan de reactie op schooltijden: het zou wel anders mogen, het zou op een andere manier zelfs handiger zijn, maar het is ook wel best zo.

Ouders zitten, net als alle mensen, graag in hun comfortzone. Ouders van zorgintensieve kinderen kennen allemaal de ervaring met professionals die, vanuit hun deskundigheid, met betere oplossingen komen. Die professionals hebben, in hun deskundigheid, ook gelijk. Er zijn vast betere oplossingen. Het is wel de vraag of ze haalbaar zijn. In deze situatie, met dit kind, deze ouders en op dit moment in deze comfortzone. Ook die inschatting mag van professionals verwacht worden. De inschatting of ouders er aan toe zijn hun comfortzone te verlaten en te zien welke gebieden van de naaste ontwikkeling verkend kunnen worden.

De verandertheorie van de ouders is het uitgangspunt

“De verandertheorie van de ouders is het uitgangspunt”, schreef iemand onder “De ouder heeft gelijk! Ook als het niet zo is” bij Ouders & Onderwijs op de flap-over. We hebben het laten staan. Het klopt namelijk en biedt professionals een uitleg van het gelijk van ouders. De situatie van kinderen verander je alleen als je uitgaat van de verandertheorie van de ouders. Die heb je namelijk nodig bij elke oplossing. Zelfs dwangmaatregelen werken niet zonder dat het aansluit bij de verandertheorie van de ouders.

De beste oplossing is een haalbare oplossing

Sterker nog. Elke professional kan zich laten vervangen. Ouders nooit. De constante factor in het leven van een kind is de ouder. Het is goed voor professionals om dat steeds weer te beseffen. Aansluiten bij ouders zorgt voor vertrouwen in de relatie en voor meer kans op succes. Professioneel gezien levert dat misschien niet de allerbeste oplossing op, maar wel de best haalbare. En de best haalbare oplossing is misschien wel de allerbeste.

Share