Categoriearchief: Idee

Jeugdgezondheidszorg als arbodienst voorschoolgaande kinderen

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Eén van de gedenkwaardige gesprekken met ouders in de afgelopen periode leverde een prachtige testcase op. Waar we al een tijd bezig zijn met het ‘pluggen’ van de jeugdarts en de jeugdgezondheidszorg als een soort bedrijfsarts voor schoolkinderen bleek een moeder (Mariska) met precies hetzelfde idee rond te lopen. Sterker nog: voor haar jongste kind had ze net op dat moment een grote behoefte aan het meedenken en het monitoren van zijn herstelperiode door een jeugdarts.

De test

Mariska zou op eigen initiatief contact gaan leggen met de jeugdarts om te vragen om zijn opinie in de situatie van haar zoon. Haar zoon: geen stoornissen, houdt van school, ijverig, geen schoolconflicten, maar ook een medische status: langerdurend ziek en onder behandeling bij een kinderarts met een goede prognose. Regelmatig te moe om de dag rond te krijgen en een sterk wisselende belastbaarheid die ook op korte termijn nog niet weer op orde is. Een aantal goede afspraken, ondersteund door de kundige visie van een jeugdarts moet het voor haar zoon mogelijk kunnen maken om zijn school gewoon te vervolgen. Slimme keuzes in zijn rooster, iets eerder naar huis, thuiswerk aan projecten.

Fase 1

Deze week meldde Mariska de voortgang van haar test: ze belde voor een schoolvakantie en aan de telefoon werd ze hartelijk te woord gestaan. Een terugbelverzoek door een jeugdarts werd ingepland. Ze werd teruggebeld door verpleegkundige 1 die stelde dat het toch echt aan een arts was om hier in mee te denken. Een dag later volgde verpleegkundige 2 die stelde dat dit niet iets was voor de jeugdarts, maar iets tussen ouders en school.

De uitleg van Mariska dat het juist tussen school en ouders soms lastig is om over dit soort medische zaken goede afspraken te maken en dat ze graag een jeugdarts als een soort bedrijfsarts voor haar zoon zou willen zien maakte de verpleegkundige enthousiast. Ze vond het een interessante gedachte en opnieuw werd een afspraak voor de jeugdarts gepland.

Door de vakantie bleek het ingewikkeld om teruggebeld te worden door de goede persoon. Inmiddels leek de behandeling van haar zoon goed aan te slaan, al betekende dit nog niet dat het probleem daarmee al verholpen was. Inmiddels wilde school graag in gesprek over het rapport. Mariska voegde hier de zorgplicht van school maar vast als agendapunt aan toe en gaf aan dat ze de jeugdarts had gevraagd om mee te denken in een goed plan om de schoolloopbaan te volgen.

De leerkracht was verbaasd en bereidwillig, maar de intern begeleider was not amused en vroeg zich af “waarom dit nu weer nodig was”. Mariska heeft het ook haar netjes uitgelegd, maar trof vooral weerstand en tegenwerking.

Het wachten is nu nog op het contact van de jeugdarts. Wordt vervolgd…

Bedrijfsarts voor schoolgaande kinderen

Het idee is simpel:

Zorg dat kinderen die te maken hebben met schooluitval door ziekte in voorkomende gevallen terecht kunnen bij de jeugdgezondheidszorg. Daar kunnen ze geholpen worden met re-integratie, kunnen aangepaste plannen gemaakt worden en kan een medische inschatting van de situatie gemaakt worden. De inzet van de jeugdgezondheidzorg kan door school, maar ook door ouders gebeuren.

Dat kan nu al, in elke gemeente in Nederland. Overal is de jeugdgezondheidszorg te vinden en kan ook op deze manier ingezet worden. Dat is alleen nog lang niet voor iedereen bekend. Vanuit Ouders & Onderwijs gaan we hier samen met het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid breed bekendheid aan geven. Problemen met schooluitval en thuiszitten beginnen altijd met problemen in de afstemming en/of verzuim. Ook zittenblijven heeft soms zijn oorzaak in logisch en verklaarbaar verzuim.

Voor werknemers is het vanzelfsprekend dat ze een aangepaste re-integratie krijgen als ze terugkeren na ziekte. Voor schoolgaande kinderen betekent het vaak een opboksen tegen de opgelopen achterstand. Dat is vreemd. De leerkracht hoeft immers ook niet zijn gemiste lessen in te halen. De jeugdgezondheidszorg kan helpen om in deze situatie te bemiddelen voor het kind, tussen school en ouders.

Naast het volgen van deze testcase van Mariska zijn we ook bezig met een plan om in één of meerdere regio’s de mogelijkheid van de jeugdgezondheidszorg onder de aandacht van ouders en scholen te krijgen. We werken hierin samen met mensen van de jeugdgezondheidszorg.

Doorstroomrecht VMBO een goede zaak

Verschenen op Ouders & Onderwijs

In mijn woonwijk was in een straat het wegdek er slecht aan toe. Auto’s reden schade en fietsers kwamen ten val. De gemeente werd om maatregelen gevraagd. Dat deed de gemeente. Ze plaatsten een bord: “Pas op! Slecht Wegdek” en dit bord heeft er anderhalf jaar gestaan.

Doorstroomrecht

Sander Dekker brengt tot uitvoering wat de Kamer al vroeg: regel het recht om automatisch door te stromen van het VMBO naar de Havo. Vanuit het belang van de leerling is het van belang dat iedere leerling drempelvrij kan stapelen. Tot nu toe was dat niet vanzelfsprekend. Om van het VMBO naar de Havo te kunnen moest in veel gevallen aan extra eisen worden voldaan. Met een wettelijk doorstroomrecht vervallen die eisen.

Extra eisen

Voor VMBO-ers geldt dat veel scholen gebruik maken van de aanwijzingen die door hun eigen sectororganisatie (de VO-raad) zijn opgesteld. De VO-raad stelt dat een gemiddeld examencijfer van een 6,8 nodig is om kans te maken op een Havo-diploma. Daarnaast mag de Havo ook iets over de motivatie van kinderen zeggen dat een drempel kan opwerpen. Die aanwijzingen hoeven scholen niet op te volgen, maar in veel gevallen gebeurt dit wel. Door die extra eisen te schrappen wordt het voor leerlingen en hun ouders duidelijker wat er nodig is en wat hun diploma waard is.

Toch nog eisen?

Dekker heeft aangegeven na te denken over een verplicht te stellen extra vak op het VMBO. Dit lijkt toch weer op een extra drempel en het zou het voor VMBO-leerlingen lastiger maken om die keuze te maken. Een extra vak kun je immers niet drie weken voor je examen toevoegen. Het is dan ook de vraag of deze extra eis wenselijk is.

Beter lijkt het om de overgang van VMBO naar Havo extra te begeleiden. Kennelijk is de aansluiting niet gemakkelijk en totdat die aansluiting wel als vanzelf soepeler verloopt zou het redelijker zijn leerlingen extra ondersteuning te bieden, dan deze leerlingen extra eisen op te leggen.

Goed wegdek

Met het doorstroomrecht werken de staatsecretaris en de Kamer aan het verbeteren van het wegdek en kan het geplaatste bordje (de handreiking die geen wetgeving is, maar toch wel zo opgevat wordt) eindelijk verwijderd worden. Bovendien stimuleert het de scholen om te zorgen voor het verbeteren van de aansluiting, zodat extra ondersteuning op termijn niet meer nodig zal zijn.

Een goede zaak dus, dat doorstroomrecht voor leerlingen van het VMBO die naar de Havo willen.

Prachtfilm over het vmbo

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Het vmbo is volop in ontwikkeling. In de afgelopen jaren heeft een verandering plaatsgevonden. Leerlingen krijgen meer dan voorheen de kans om op een praktijkgerichte manier hun talenten te ontdekken. De 33 oude profielen zijn vervangen door 10 brede hoofdprofielen. Vmbo-scholen hebben de mogelijkheid om daarin nog indidivueel maatwerk te bieden.

Stages

Stages zijn belangrijk in het vmbo. Leerlingen moeten de mogelijkheid hebben om beroepsgericht mee te kijken bij professionals om zo hun talenten te ontdekken. Op veel plekken in het land vinden regionale stage-evenementen plaats (vmbo-on-stage), waar het beroepenveld zich kan presenteren, leerlingen stages kunnen vinden en waar ter plekke afspraken gemaakt kunnen worden

Film “Nee heb je”

Onlangs werd een film gepresenteerd waarin de transformatie van het vmbo goed in beeld wordt gebracht. In een aantal individuele portretten laten leerlingen zien wat er voor nodig is om stage te vinden en hoe het op die stage gaat. Op die manier zijn ze in staat om bewuster kuezes te maken voor een vervolgopleiding.

Vertoning

De vmbo-film is beschikbaar voor vertoning in uw eigen regio. Als u een vertoning wilt organiseren (bijoorbeeld als ouderraad van een (vmbo)school of als regionaal ouderinitiatief) dan kunt u contact met ons zoeken. Ouders & Onderwijs heeft mogelijkheden om u hierbij van dienst te zijn. Meer informatie is ook te vinden op de site van “Nee heb je”.

Het kan een mooie manier zijn om in de eigen regio te werken aan goede en positieve informatie over het vmbo. Zeker wanneer dit in samenwerking met de lokale vmbo-scholen gebeurt.

Anders vrijwillig met de ouderbijdrage

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Er is met terugkerende aandacht veel te doen over de ouderbijdrage. Gaat het niet om schoolkosten in het algemeen, dan wel over gratis schoolboeken of de ‘verplichte’ aanschaf van iPads, laptops en tablets. De rekening van zaken wordt gemakkelijk over de schutting bij ouders geworpen.

Digitale leermiddelen

Er is veel te doen over de wijze waarop veel scholen ouders verplichten iPads, tablets, laptops aan te schaffen. In Twente is dit voor de VO-scholen op een rij gezet en het beeld is somber: er is 1 school die het echt netjes lijkt te doen. De praktijken op alle andere scholen waar volgens hun website met digitale leermiddelen wordt gewerkt zijn dubieus of gewoon fout (zie kaartje met de stand van zaken van begin november 2016).

Sommige scholen passen hun beleid aan naar aanleiding van de aandacht voor de verplichting. Andere scholen blijven volharden in hun (on)gelijk. Voor ouders is dit een ondoenlijke situatie: geef je je kind immers in handen van een organisatie die je willens en wetens bedonderd?

Het belang van een goede relatie

In de gesprekken met ouders blijkt steeds weer hoe belangrijk het voor ouders is om te kunnen vertrouwen op de school waar ze hun kind naar toe sturen. Dubieuze verplichtingen doen die relatie geen goed en maakt ouders kritisch. Desalniettemin blijft ook treffend dat ouders niet gemakkelijk klachten indienen. Voor klachten moet je bekennen dat het vertrouwen in de relatie niet oké is. Je kind moet nog wel naar school en moet daar geen last van hebben. De enkele ouder die dat wel aandurfde heeft dat ook geweten. Hij gaf aan gestopt te zijn, omwille van zijn kinderen. Die werden er namelijk op aangesproken. Een zeurende ouder wil je niet zijn, al heb je alle recht om je beklag te doen.

Gelijke kansen

Het is niet verboden voor scholen om te vragen om een vrijwillige bijdrage voor extra activiteiten. Het is van belang dat het voor ouders klip en klaar is dat die bijdrage vrijwillig is en dat er dus keuze is om te betalen. De deelname aan (verplichte) schoolactiviteiten mag niet afhankelijk gesteld worden van een bijdrage. Als je de bijdrage wél betaalt, speelt nog iets anders mee. Ongewild kun je als betalende ouder dan meewerken aan het benadrukken van de verschillen tussen kinderen. Ouders die niet de bijdrage betalen zetten hun kinderen namelijk buiten spel.

Het kan ook anders

Hoe zou het zijn als je als ouder aan het begin van het jaar een lijstje krijgt met activiteiten die de school van plan is te gaan ondernemen (voor het leerjaar/afdeling van je kind) met de vrijwillige bijdrage van ouders. In dat lijstje geven ze bovendien een volgorde aan: de activiteiten die ze als team het belangrijkst vinden, gaan als eerste door als er voldoende geld is en daarna wordt pas begonnen aan de volgende activiteit.

De weken daarna kunnen ouders hun vrijwillige bijdrage storten en kunnen ze op de site van de school zien hoever het staat. Het nodigt ouders die wat extra kunnen missen uit om iets extra te investeren, zonder dat ze daarmee de kansongelijkheid bevorderen.

Stelregel is namelijk dat iedereen aan de activiteiten meedoet: of je nu betaalt of niet. De financiele draagkracht van ouders hoeft zo niet door te werken in de deelname aan de extra activiteiten van een school.

De bijdrage is niet gelimiteerd: ouders mogen bijdragen naar draagkracht en vrijwilligheid. Het is toegestaan om als ouder naar de school te bellen en aan te geven dat je graag het verschil bijlegt als er na de sluiting van de bijdrage nog wat nodig is.

Bereidwilligheid kun je niet afdwingen

De regels rond de vrijwillige bijdrage zijn duidelijk. De regels rond de verplichte aanschaf van digitale leermiddelen ook. Ouders zijn graag bereid om naar draagkracht bij te dragen aan extra activiteiten op school. Activiteiten die het schoolleven boeiend maken. Als je als school van die basale bereidheid van ouders gebruik wilt maken moet je daar netjes om vragen. Afdwingen is verkeerd. Zeker als het over de ruggen van leerlingen gaat. De dreiging met uitsluiting van leerlingen is een manier om een bijdrage af te dwingen en dus ook verkeerd. Dat past niet bij de maatschappelijke opdracht die het onderwijs heeft.

Ouders zijn geen professional

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Tijdens de thuiszitterstop verzorgde Ouders & Onderwijs onderstaande inleiding voor het gesprek over Ouders als partner. Ter informatie hierbij de volledige tekst. In het thuiszitterspact is overigens geregeld dat ouders vanaf het begin betrokken moeten worden in het overleg over hun kinderen. Ouders &  Onderwijs omarmt die afspraak, net als vele oudergroepen, van harte. 

Ouders aan tafel

Ik ben gevraagd om een inleiding te geven voor deze gespreksronde. Ik ben ouder, maar hier vooral als adviseur van Ouders & Onderwijs, waar ik me nauw bezighoud met de situaties rond thuiszitten. Alle situaties van thuiszitten kennen hun eigen individuele schrijnende geschiedenis. Ze zijn divers, niet eenduidig en ook oplossingen zijn nooit eenduidig. Er zijn wel parallellen te ontdekken. Maar eerst een kort voorbeeld:

Anne, moeder van Ruud, werd uitgenodigd voor een overleg door de mentor van Ruud. Ruud was al een tijdje thuis, hij voelde zich niet lekker, ging niet graag naar school. Anne gaat nietsvermoedend naar school voor het overleg. Daar wordt ze geconfronteerd met een vergadertafel waar niet alleen de mentor, maar ook de zorg coördinator, de schoolarts, de leerplichtambtenaar en een stagiaire zijn aangeschoven. Anne voelt zich geïntimideerd, maar weet zich te onthouden van toezeggingen. Die werden wel gevraagd.

In alle situaties die we bij Ouders & Onderwijs horen en meemaken gaat er iets mis in de communicatie. Het is ouders niet duidelijk, het is kinderen niet duidelijk of het is school niet duidelijk hoe dingen moeten verlopen. Partijen zijn te hard bezig elkaar te overtuigen en hoe harder ze dat proberen hoe minder dat lukt. Procedures zijn niet altijd voor iedereen even duidelijk en de informatievoorziening is niet op orde.
Preventief zou het helpen als ouders, kind en school vanaf hun komst op school regelmatig met elkaar de afspraken ijken. Dan zouden alle partijen zich vanzelfsprekender in de afspraken herkennen.

In alle situaties spelen opvattingen over de rol en positie van deelnemers aan overleg een cruciale rol. Daarbij geldt de wetmatigheid dat hoe meer er naar de ander gewezen wordt, hoe verder de oplossing weg is. Ouders vinden dat school verantwoordelijkheid moet nemen, school vindt dat ouders beter hun best moeten doen en het kind is het sluitstuk van die openstaande rekening. Maar alles begint steeds bij de manier waarop de relatie in eerste instantie tot stand is gekomen.

Deze overlegtafel gaat over “ouders als partner”. Voor mij een vanzelfsprekendheid. Daar waar het over kinderen gaat horen die kinderen, of hun vertegenwoordigers mee te kunnen praten. Die vanzelfsprekendheid is nog lang niet overal het geval. Daar gaan we het hier over hebben. Hoe krijg je die vanzelfsprekendheid bij iedereen in de genen. Daarbij nog twee overwegingen:

  1. Ik heb grote bewondering voor de inspanningen die vanaf de kant van het ministerie, de vakorganisaties, de koepels en de toezichthouders worden gedaan om het probleem van de relatie tussen ouders-school-kinderen te helpen oplossen. De echte oplossing kan volgens mij alleen op zeer lokaal niveau: tussen kind, ouder en school tot stand komen. Regels helpen de communicatie niet; goede intenties van betrokkenen wel.
  2. Ouders als partner veronderstelt iets van gelijkheid. Het is van belang voor het begrip om te benadrukken dat ouders nooit professional in het overleg zijn, hoe ervaringsdeskundig zij ook zijn. Ouders zijn 24/7 betrokken bij hun kind en dat is het belangrijkste verschil tussen professionals en ouders, wanneer ze aan één tafel zitten. Een oplossing kan dan ook alleen werken als deze gedragen kan worden door de ouder(s). De meest ideale oplossing is daarmee niet altijd de beste, maar wel de werkbaarste.

Anne was van beroep hulpverlener. Toch voelde ze zich vooral als moeder geïntimideerd. De volgende gesprekken werden voorbereid door haarzelf. Wie zit er waarom aan tafel en wat is het doel van het gesprek. Anne oogstte daarmee veel bewondering. Ze was alleen zelf meer professional dan moeder. Ze voelde zich als moeder in het overleg niet serieus genomen en ze voelde zich regelmatig schuldig naar Ruud. Ruud zat een tijd thuis en het gehannes in de communicatie versterkte zijn schoolangst. Hij is goed terecht gekomen. Hij vond een plek bij een schoolleider die hem wel graag wilde helpen, die vanaf het eerste moment werkte aan een goede overlegrelatie met de ouders van Ruud en die het ook volhield toen de regels niet meewerkten.

Als startvraag kom ik terug op wat ik zonet aangaf: hoe kun je zorgen dat het voor elke professional vanzelfsprekend wordt om ouders vanaf het eerste begin te betrekken. Hoe zorg je ervoor dat je als ouder geen professional hoeft te zijn om met onderwijsprofessionals te praten.

Passend onderwijs nog geen succes

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Passend onderwijs is twee jaar op gang. Naast een aantal belangrijke wijzigingen heeft het nog niet gebracht wat verwacht werd: voor ieder kind passend onderwijs; zo thuisnabij mogelijk. Pas deze week werd de afspraak dat ouders en kinderen vanaf het eerste begin betrokken moeten worden van kracht. In veel regio’s is dit een goede praktijk en daar waar dit stelselmatig wordt uitgevoerd gaat het ook met passend onderwijs een stuk beter. Er blijven echter teveel regio’s te ver achter. Het is dan ook tijd voor een beschouwing.

Er zijn grofweg vier redenen te noemen voor het feit dat passend onderwijs nog geen succes is. Het uitgangspunt is namelijk dat de ideeën achter passend onderwijs zeer deugdzaam zijn en goede kans biedt op successen. Ze bieden een goed kader om de onderwijspraktijk in te richten en ze lossen op wat er scheef zat in het vorige stelsel. Mits goed uitgevoerd.

Ventielen

De eerste reden dat het nog niet werkt is gelegen aan de ventielen in passend onderwijs. De oorspronkelijke gedachte paste veel meer bij inclusief onderwijs dan de praktijk van vandaag is. Het is in de loop van het wetgevingstraject steeds onduidelijker geworden. Het is aan scholen zelf om te stellen dat ze handelingsverlegen zijn. Op het moment dat ze dat zijn betekent dat in veel gevallen bijna automatisch dat ze hun probleem hebben opgelost. Zij hadden namelijk een probleem met een leerling en door zichzelf handelingsverlegen te verklaren, is het probleem op het bordje van iemand anders komen te liggen. Deze voor de school effectieve oplossingsstrategie maakt dat er nog steeds met leerlingen geschoven wordt. Hoe vanzelfsprekend zou het zijn dat je, juist in het onderwijs, als je iets niet kan, te horen krijgt dat iemand je gaat helpen om dat onder de knie te krijgen. En totdat je het zelf kunt zorgen we ervoor dat het actuele probleem opgelost gaat worden.

Ontheffingen

De tweede reden is het feit dat ook aan de andere kant ventielen bestaan. Die zitten in de ontheffingen voor de leerplichtwet. Met name de toename van de ontheffing 5 onder a is bijzonder. Het is niet zo dat er ineens veel meer kinderen zijn die lichamelijk of psychisch niet in staat zijn om naar school te gaan. Inmiddels wordt hier actie op ondernomen en zijn gemeenten gevraagd om toe te zien op de toepassing van deze ontheffingen. Het roept in ieder geval vragen op over de mate waarin scholen in staat zijn om met verschillen tussen leerlingen om te gaan.

Thuiszitters

Een derde reden waarom passend onderwijs nog geen succes is, is gelegen in de aanpak van thuiszitters. Of beter: het gebrek aan aanpak van het thuiszittersprobleem. Ook hier weer zijn er evenzoveel goede als slechte voorbeelden. Kern is wel dat het aantal thuiszitters niet is afgenomen. De druk in het schoolsysteem is enorm en die lijkt zijn eindpunt te vinden in met name deze groep leerlingen. Bij die druk in het systeem is het opmerkelijk dat hoe hoger de druk is hoe nadrukkelijker er naar anderen gewezen wordt voor de oplossing. Voor een kind geldt dat het op ontzettend veel momenten de maat genomen wordt. Bij iedere overgang van het ene naar het andere leerjaar zijn normen vastgesteld. Verschillen tussen kinderen doen er daarbij niet toe. Iedereen weet inmiddels dat zittenblijven een slecht plan is voor de ontwikkeling van kinderen. Het is namelijk helemaal geen oplossing. Zittenblijven is een jaar lang straf vanwege die ene maatvoering. Als diezelfde maatvoering pas aan het eind, bij bijvoorbeeld een diploma zou plaatsvinden, zou er meer ontspanning in het systeem komen. Scholen zijn vrij om het in te richten zoals zij het willen, maar verschuilen zich graag achter de regels.

Regels of oplossingen

Een vierde en laatste reden is dat regels slechts kaderstellend zijn, maar gebruikt worden om problemen op te lossen. Een goede oplossing heeft geen regel nodig en een goede regel mag een goede oplossing nooit in de weg staan. Passend onderwijs gaat in hoge mate om het oplossen van situaties waar niet altijd regels voor te bedenken zijn. Er is veel meer mogelijk dan in regels te vervatten is en het is aan het gehele overleg (inclusief ouders) om de verantwoordelijkheid voor de gekozen oplossing te dragen. Het niet volgen van de regels en het zoeken naar unieke oplossingen voor unieke problemen is geen gewoonte in het onderwijs. Het levert ook geen extra punten op en vindt (nog) nergens bevestiging. Een goede unieke oplossing is iets waar een leerkracht of docent alleen zelf, stilletjes blij van kan worden. Niet te hard, omdat er anders iemand komt vertellen dat de regels zijn overtreden. Stel met elkaar de enig belangrijke regel: een goede regel vervalt als de oplossing beter is.

Lef, durf en moed

Met de afspraken uit het thuiszitterspact op de laatste thuiszitterstop, de brede coalities (zoals LANSbrekers) om bovenstaande oorzaken weg te nemen en de uitvloeisels van het recht op een inclusieve samenleving kan het niet anders dan dat passend onderwijs uiteindelijk toch een succes gaat worden. Het echte werk moet op de werkvloer gedaan worden en niet door mensen die goed de regels uit kunnen voeren. Het gaat vooral om het handelen in de geest van de wet, in de geest van de bedoeling van passend onderwijs: dat ieder kind passend onderwijs krijgt, zo thuisnabij mogelijk. Daar is lef, durf en moed voor nodig. Het is aan iedereen om die mensen in de praktijk met lef, durf en moed te gaan zien en te gaan waarderen. Alleen dan kunnen we samen dit proces versterken.

De kansen van het huisbezoek

Verschenen op Ouders & Onderwijs 

Zo nu en dan komt het belang van huisbezoek in het onderwijs voorbij. Ik denk dan terug aan de kleuterjaren van mijn kroost. Toen ze net oud genoeg waren om het goed te beseffen kwam de aankondiging van het huisbezoek: juf zou thuis een kopje thee komen drinken. Voor mijn beide kinderen was dit een bijzondere gebeurtenis. Voor de juf een leuke gelegenheid om ons thuis te leren kennen.

De onderwijsinspectie deed onlangs uitspraken over kansenongelijkheid in het onderwijs. In haar rapport De Staat van het Onderwijs stelt ze bijvoorbeeld dat het opleidingsniveau en het inkomen van ouders van grote invloed is op de kansen die kinderen krijgen. In dat licht is het goed om nog eens naar het huisbezoek kijken.
Het is bekend, door langlopend internationaal onderzoek naar vooroordelen, dat alle mensen vooroordelen hebben. Deze spelen zich voor een belangrijk deel op onbewust niveau. Over de vooroordelen op bewust niveau kunnen we het met elkaar hebben. Voor wat betreft de vooroordelen op onbewust niveau geldt eerst dat er bewustwording moet plaatsvinden, voordat je het er over kunt hebben.

Leerkrachten en docenten behoren tot de groep hoger opgeleiden. De groep hoger opgeleiden wordt door de Onderwijsinspectie aangewezen als de meest kansrijke groep bij schoolgaande kinderen. In deze groep is er meer besef van het belang van diploma’s en is er meer toegang tot manieren (huiswerkbegeleiding, toets-trainingen, etc) om de kansen te vergroten. De vooroordelen van deze groep worden gekleurd door hun eigen referentiekader (zoals dat gaat met vooroordelen).

Terug naar de kleuterjuf van mijn kinderen. Zij zag tijdens haar huisbezoek bij ons een schoon en opgeruimd huis met mooie en nieuwe spullen, zij zag een boekenkast met literatuur die de nodige algemene ontwikkeling deed vermoeden, ze kon kiezen uit verschillende soorten thee, kreeg een taartje dat samen met mijn kinderen gebakken was. Ons huis ademt dat we het financieel goed hebben.

Gegeven de opmerkingen in De Staat van het Onderwijs hebben we daar goed aan gedaan. Mijn kinderen werden daardoor hoog ingeschat, kregen gemakkelijker het voordeel van de twijfel en kregen een hoger schooladvies.  Bij ieder selectiemoment viel voor hun het muntje de goede kant op. Het roept echter ook vragen op over de ouders in die andere groep: de laagopgeleide en niet-rijke ouder. Hoe werkt daar het huisbezoek door, gegeven het feit dat alle leerkrachten (onbewuste) vooroordelen hebben die nog eens versterkt worden door hun eigen referentiekader. Versterkt het huisbezoek de kansongelijkheid of vermindert het huisbezoek dat juist?

Iedereen die wel eens de impliciete associatietesten heeft ingevuld weet hoe confronterend het kan zijn om te merken dat je vooroordelen hebt. Zeker als je jezelf rekent tot de weldenkende elite van de maatschappij. Juist voor die groep is het van groot belang te beseffen dat die vooroordelen er zijn en dat je altijd door JOUW ogen naar de wereld kijkt. Bewustwording van die vooroordelen kan helpen om alle kinderen eerlijke kansen te bieden. Alleen dan is een huisbezoek zinvol en bijdragend aan het begrip van kinderen in hun context.

Onderwijsdata gebruiken

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Het artikel over de Nieuwe School van Diederik Samsom en Erik van ’t Zelfde deed de nodige stof opwaaien. Erik van ’t Zelfde is de directeur van een zeer succesvolle school, de Hugo de Groot in Rotterdam. Reden om eens te kijken bij de openbare data die voor iedere geïnteresseerde te vinden is op www.scholenopdekaart.nl. 

Deze data zijn door ouders te gebruiken om een keuze te kunnen maken tussen verschillende scholen.  Naast een schoolbezoek (liefst buiten de open dagen om als de school in “normaal” bedrijf is) en de informatie uit de schoolgids geeft dit een goede indicatie van de school.

Hugo de Groot

De Hugo de Groot heeft extreem hoge resultaten op de examens voor alle niveaus. Het is dan, als koude-grond-data-analist goed om te kijken of die resultaten de hele school doorgaan.

Het kan namelijk zijn dat de hoge examenresultaten het gevolg zijn van een scherpe voorselectie in het pre-examenjaar. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het percentage kinderen dat niet ononderbroken de bovenbouw doorloopt. Als dat hoog is (dus als er veel kinderen blijven zitten) kunnen de examenresultaten hoog zijn: de goeden gaan immers door.

De schoolloopbaan in de onderbouw is te vinden op Scholen-op-de-kaart. Ook daar gaat het om het cijfer van ononderbroken de onderbouw doorkomen. Als veel kinderen zonder zittenblijven de onderbouw doorkomen kan dit betekenen dat de selectie aan de poort (bij aanmelding) hoog is, of dat zittenblijven verboden is: als een kind niet voldoet aan de eisen om te worden bevorderd stroomt het af naar een lager niveau.

Bij de Hugo de Groot is alles, wat de data betreft, dik in orde. Er is niet alleen een extreem hoog examenresultaat: de resultaten zijn ook hoog in de doorstroom en de loopbaan van de kinderen. Dit zou dus zomaar een echt goede school kunnen zijn. Een school waar het zelfvertrouwen dat Erik van ’t Zelfde uitstraalt, goede gevolgen heeft voor het onderwijsteam en daarmee ook voor de kinderen die zijn school bezoeken.

Adder onder het gras

Er zit bij de onderwijsdata een adder onder het gras: van geen enkele school zijn de absolute leerlinggegevens beschikbaar. Die zijn nodig om zicht te krijgen op het aantal afstromers of uitstromers. Hoeveel kinderen beginnen aan een school en hoeveel komen er aan de eindstreep? En wat gebeurt er met de kinderen die de school verlaten? Waar gaan die naar toe?

Andere cijfers van het ministerie (onderwijs in cijfers) zijn wel te vinden, maar die zijn niet goed herleidbaar tot individuele scholen.

Inzicht in data

Voor ouders biedt Scholen-op-de-kaart dus een gedeeltelijke inkijk in de resultaten van scholen. Daarbij is het voor ouders belangrijk te weten wat ze willen voor hun kinderen.

  • Wilt u een school waar uw kind de kans krijgt, ook als het niet allemaal meteen lukt, maar wel de mogelijkheid houdt om door te gaan op de ingeslagen weg? Dan zou een school met iets lagere examenresultaten en een beperkte doorstroom zomaar geschikt kunnen zijn. Daar immers doen meer leerlingen mee aan het eindexamen dan er uiteindelijk slagen. Er krijgen er dus veel de kans.
  • Wilt u een school waar de resultaten gegarandeerd zijn? Kies dan een school met goede resultaten en bedenk dat dat niets zegt over het eindniveau van uw kind. Uw kind kan onderweg gemakkelijk struikelen en één of zelfs twee niveaus lager terecht komen. Dàar heeft het dan wel een bijna gegarandeerd resultaat.

Disclaimer

Data zeggen niet alles over de kwaliteit van het onderwijs. Bij scholen gaat het naast de wijze waarop ze kinderen kansen geven en zelf risico’s nemen ook om de kwaliteit van het onderwijs. Die is voor een goede lezer te vinden op de site van de onderwijsinspectie (en via een tabblad bij Scholen-op-de-kaart). Ook hier geldt dat cijfers en data niet alles zeggen. Een school leren kennen door alleen de data over die school is, met de beperkte beschikbaarheid van data, nu nog niet mogelijk.

Schoolbezoek

Er gaat niets boven een schoolbezoek, om te kijken of uw kind past bij de cultuur op die school. Daarbij kunt u immers zelf ook letten op hele specifieke zaken. Scholen-op-de-kaart is steeds in ontwikkeling en er komt steeds meer informatie beschikbaar. Hoe meer informatie beschikbaar komt en  hoe beter ook de data in hun context te presenteren zijn hoe bruikbaarder scholen-op-de-kaart zal worden.

Losjes

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Gisteren luisterde ik de podcast van een interview met Andre Manuel, artiest, held en vrijdenker uit mijn landstreek. Een mooi interview en de moeite van het luisteren waard. Het kwam te pas*, om het in termen van mijn landstreek te zeggen. De afgelopen dagen waren druk voor de onderwijszaak. Er was de discussie over dyslexieverklaringen en het ging ook weer over passend onderwijs, de rekentoets en de waarde van diploma’s. En daar was ineens Andre Manuel die de term “losjes” introduceerde.

Andre Manuel vindt dat zijn kind “losjes” mag beginnen. Hij vertelde over zijn eigen onderwijs dat hij zich naast af- en opstromen herinnerde door uitzonderlijke leraren die precies daar raakten waar het fijn voelt. Hij vertelde over de toevalligheid van wonen in een dorp waar twee oude jongeren een boerderij kraakten en er een vrijplaats voor jongeren van maakten. Hij was in de buurt, erbij en betrokken. Hij begon “losjes”, gitaar op de heup en zonder al te veel pretenties.

Vanochtend hoorde ik het bericht dat het gebruik van antidepressiva onder jongeren beneden de 21 jaar toeneemt. Het aantal voorschriften voor ADHD-medicatie neemt al jaren toe en ook het aantal dyslexieverklaringen neemt een grote vlucht. Zou het misschien te maken kunnen hebben met de eisen die we stellen aan kinderen? En mogen dingen ook gewoon soms moeilijk zijn? Mag je gewoon soms van het pad raken? Mag je nog gewoon falen voor sommige dingen? En dat je sommige dingen gewoon niet kan?

Mijn zoon kiest zijn profiel dit jaar. Hij heeft geen idee en ik heb net zoveel idee. Het is een goed jong en samen hebben we veel vertrouwen in zijn toekomst. Een toekomst die vooral bestaat uit de dag van morgen en de volgende wedstrijd. In zijn eerste sollicitatiebrief deze week schreef hij dat hij vooral wil dat mensen het goed naar hun zin hebben. Dat zijn goede vooruitzichten.

Mijn dochter begon met studeren dit jaar. Zij zag zich door het leenstelsel gedwongen te tekenen voor een lening die grote gelijkenis vertoont met het soort leningen waar in 2008 de wereld bijna over struikelde. De dekking is onduidelijk, het onderpand moet nog gecreëerd worden en de lening moet worden aangegaan voor een studie zonder keiharde baangarantie. Ze heeft het er naar haar zin, doet leuke dingen, vermaakt zich en geeft dáárdoor vertrouwen.

Voor beiden geldt hopelijk dat ze ondanks hun grote gebeurtenissen dit jaar, die vooral toch ook “losjes” gaan invullen. Wat mij betreft mag dat het motto worden: “losjes”. Misschien maakt dat het onderwijs, de zorg, het wonen, het samenleven wel wat gemakkelijker. En levert het minder gedoe, minder recepten, minder uitvallers op. Bij “losjes” hoort namelijk ook de afwezigheid van teveel regels. Vooral doen! Experimenteren, klooien, prutsen. Net zolang als nodig is. Misschien wel een mensenleven.

* te pas: Twents voor “op het goede moment”

Genuanceerd hokjesdenken

Verschenen op Ouders & Onderwijs

De aanpassingen aan het eindexamen voor kandidaten met dyslexie komen mogelijk te vervallen. Er was politieke wil dat spelling weer een prominente rol ging spelen bij de examens. Het College voor Toetsing en Examens stelt in haar verklaring dat de consequentie van deze politieke keuze is dat de spellingsondersteuning tijdens het examen wordt geschrapt. Anders zijn de resultaten immers niet vergelijkbaar.

Meten

Deze consequenties waren natuurlijk te voorzien geweest. Onlangs zette historicus Bram Mellink in de Correspondent de geschiedenis rond meten in het onderwijs nog eens op een rij. De roep om individuele aandacht noopte tot toetsen, maakte individuele verschillen (zoals dyslexie en dyscalculie) duidelijk, waardoor daar nu meer aandacht voor is.
Deze individuele verschillen leidden tot aanpassingen in lesstof, examens en toetsing en dat moest nu weer versimpeld worden. Eigenlijk een logische gang van zaken, zoals het ook logisch is dat mensen die daardoor getroffen worden geschokt en kwaad reageren over dit, door hen ervaren, onrecht.

Geschokt

De gemakkelijkste reactie is die van veel-begrip-voor-de-getroffenen van deze maatregel en mee-geschokt zijn. Het is echter de vraag wat de consequenties van mee-geschokt zijn. Wat zijn namelijk de gevolgen van een aanpassing aan het examen op grond van een diagnose? Wat betekent dat voor leerlingen die ook een diagnose hebben, ook hun belemmeringen daarin kennen bij examens, maar niet gecompenseerd worden? Heeft mee-geschokt zijn dan zin, of is er een genuanceerdere kijk nodig?
Het klopt dat er kinderen zijn die door hun eigenschappen belemmeringen kennen bij het maken van examens. Dat kunnen belemmeringen zijn van lichamelijke, psychische of sociale aard. Nu worden maar weinig leerlingen gecompenseerd voor die belemmeringen. De leerling met ADHD zit gewoon zijn hele examen op een stoel, aan een tafel, te lang, te stil. De leerling met een taalontwikkelingsstoornis heeft wel dyslexie, maar geen ‘enkelvoudige’ waardoor het geen aanpassingen oplevert. Deze leerling heeft het er maar mee te doen.

Gelijke behandeling

In de roep om gelijke behandeling zit een moeilijke kronkel. Natuurlijk wil je dat iedereen gelijk behandeld wordt. Of zou je iemand die echt aardig doet ook aardiger mogen vinden? Of als iemand echt goed is in wiskunde, mag je dat dan nog zien? Iedereen deed toch zijn best. Of eigenlijk maakt je best doen niet eens uit: het ging om de gelijke toegang tot examens. Om het te verabsurdiseren: iedereen zou toegang moeten hebben tot een VWO-examen. Gelijke kansen immers. Door belemmeringen te gaan compenseren kan straks iedereen een VWO-diploma halen. Is immers een heel laag IQ niet ook een breindefect: zoals dyslexie?

Begin van een oplossing

Ik heb niet de oplossing, maar zou er wel graag een beginnetje mee maken. Ik heb een zoon die zich ooit voornam om bij Barcelona in het eerste te spelen. Dat kan natuurlijk: als Messi opzij stapt en mijn zoon stapt in zijn plaats dan is het doel behaald. Natuurlijk wist ik dat dat doel moeilijk te behalen zou zijn. Maar ik legde geen strobreed in de weg. Ik bood een leerrijke omgeving, waarin hij aan zijn droom kon werken. Dus trainen, ruimte om veel te voetballen en zijn school op orde houden (een plan B is namelijk geen luxe in de voetbalwereld).
Na nog geen jaar stelde mijn zoon zelf al zijn “ontwikkelingsperspectief” bij: eredivisie zou ook wel mooi zijn. Inmiddels jaren later wil hij vooral lekker voetballen. Over ‘ik ga bij Barcelona voetballen’ hoor ik hem niet meer. Hij kent zijn belemmeringen en heeft daarmee leren dealen. Barcelona zit er niet in.

Zone van de naaste ontwikkeling

Neem je kinderen niet veel serieuzer als je ze zelf hun ontwikkelingsperspectief laat bepalen? En zelf laat ondervinden wat daarin haalbaar is? Ze weerbaar maakt binnen de mogelijkheden die ze hebben? Of dat nu dyslexie, adhd, taalontwikkelingsstoornis, etc is. Wat leren kinderen die, omdat ze rechten hebben, meedoen aan iets waar ze eigenlijk de capaciteiten of de mogelijkheden niet voor hebben? Ontwikkelen ze zich dan prettig? Is dat veilig voor die kinderen?

Een kind heeft recht op een veilige omgeving. Onderdeel van die veiligheid is het zorgen voor een passende omgeving. Een omgeving waarvan Vygotsky’s ogen zouden gaan glimmen: voldoende dingen om te laten zien wat je al kunt, voldoende dingen die binnen het bereik van je leerpotentieel liggen en nauwelijks dingen die je toch (nog) niet snapt.

Hokjesdenken

Het defectdenken is een vorm van hokjesdenken waarbij ik altijd last krijg van kronkelgedachten. Zeker wanneer daar de woorden ‘recht-op’,  ‘gelijkheid’ en ‘kansen’ bij gebruikt worden. Defectdenken was op zijn retour door passend onderwijs, maar kennelijk kunnen velen als het er op aan komt nog maar moeilijk afstand doen van het denken in hokjes, diagnoses en rechten. Daar waar afscheid genomen is van de slagboom als toegangspoort kunnen mensen moeilijk omgaan met de consequenties van die keuzes. Keuzes waar gewone democratische processen aan voorafgegaan zijn. Die we dus kennelijk, in meerderheid, met elkaar zo gewild hebben.

En ondertussen ligt op de operatietafel je partner, je kind, je beste vriend. De blinde chirurg met spasmen doet moeite om op de tast de juiste scalpel te pakken. Hij haalde zijn diploma dankzij gelijkheidsdenken. Gelijke kansen immers en hij is er maar wat blij mee. Al zijn belemmeringen werden tijdens examens gecompenseerd. En hij was niet eens dyslectisch. Hij zag zijn eigen ontwikkelingsperspectief door alle compensaties toch maar mooi opgerekt worden. Natuurlijk doet hij ook zijn uiterste best. Met je partner, je kind, je beste vriend.

Inclusie

Leer kinderen dealen met hun eigenschappen, het pakket dat ze meegekregen hebben en vergelijk ze met zichzelf. Help ze ontwikkelen en denk daarbij als Vygotsky: alleen dat wat in bereik van dit kind ligt,  is nu haalbaar. En als het niet haalbaar is, is het onveilig en moet je er wegblijven. Een kind dat ontwikkelt binnen zijn mogelijkheden, binnen de zone van de naaste ontwikkeling, voelt zich veilig en waarschijnlijk zelfs gelukkig.
Een dyslexieverklaring lijkt wel gelijke kansen te bevorderen, maar is misschien wel excluderender voor kinderen dan op het eerste gezicht lijkt. Maar misschien is dat alleen zichtbaar voor hen die net even iets langer dan de eerste verontwaardiging hebben nagedacht.