Categoriearchief: Organisatie

Recht op bereidwilligheid

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Vandaag trof ik een moeder die ik al een tijd ken. Haar kind heeft een beperking en kent mede daardoor problemen bij het meedoen in het onderwijs. Zij wil graag dat hij meedoet met “gewone” kinderen. Er was eerst een school die wel wilde. Toen kwam er een kink in de kabel en was de bereidheid weg. Een gesprek leidde tot niets. De bereidheid was er gewoon niet. Er kwamen deskundigen van buiten de situatie die aangaven dat er best mogelijkheden waren. Dat het best geregeld kon worden, maar de school hield voet bij stuk.

Gelijke behandeling

Moeder wilde een gelijke behandeling van haar kind en stapte naar het college. Dat is een lastige keuze. Van een hogere macht krijg je een uitspraak en daar moet je het dan mee doen. Je begint eraan om gelijk te krijgen, maar stel dat je gelijk krijgt, krijg je dan ook bereidwilligheid bij de school? In dit geval ging het mis. De ouders vroegen om, vooruitlopend op het recht op inclusief onderwijs, het recht op plaatsing van hun kind in een reguliere school. Ze kregen ongelijk. Het college zag kennelijk geen mogelijkheid om het kind te beschermen voor een ongelijke behandeling.

Ze zat er helemaal doorheen. Waar ik haar ken als een enthousiaste voorvechter voor inclusief onderwijs hingen haar schouders af en had ze het zwaar. Het hele traject had haar veel gekost. Er was veel energie in gaan zitten en nu moest ze opnieuw op zoek naar een goede plek voor haar kind. Met een ander perspectief en een andere inhoud. Ze zou de stap gaan zetten en haar kind gaan aanmelden bij de enige school die uit de veelheid van scholen overbleef. Ze moest wel. Haar kind gaat naar een school waar ze de visie niet mee deelt en waar door de afspraken op bestuurlijk niveau nauwelijks variatie mogelijk lijkt.

Bereidwilligheid

Het raakte mij haar zo te zien. Ik had met haar te doen en het maakte me kwaad. Had ze dan niet naar dat college moeten gaan? Of had de school bij aanvang iets meer moeite moeten doen? Ik neig naar het laatste. Ouders stappen vaker naar een college of een rechter en soms krijgen ze ook gelijk. Dat gelijk leidt echter nooit tot bereidwilligheid en met een rechtelijke uitspraak je schoolloopbaan beginnen of vervolgen is niet direct een garantie op succes. Bereidwilligheid dwing je nu eenmaal niet af en scholen zijn, voor wat betreft hun eigen bereidwilligheid, de machtigste partij.

Verantwoordelijkheid voor de relatie

Een school zou kost wat kost moeten voorkomen dat ouders naar een rechter stappen. Zij zijn verantwoordelijk voor de relatie met de ouder. Zij zijn namelijk de professional en dus horen zij daarin het voortouw te nemen. En als een ouder naar een rechter stapt zijn ze dus in gebreke gebleven.

Ik weiger te geloven dat er sprake is van onwil bij scholen. Ik zie het niet en merk nooit dat er onwil is. Toch stapelen de voorbeelden zich op waar het er toch erg op lijkt dat er sprake is van onwil. Er zijn veel situaties waarin scholen het laten gebeuren dat ouders hun heil gaan zoeken in het krijgen van gelijk. In al die situaties lukt het scholen kennelijk niet om de relatie te onderhouden en aan te sluiten bij de ouders.

De gevolgen voor ouders zijn enorm. Ze zoeken een goede plek voor hun kind, hebben daar ideeën over en proberen dat te realiseren. Niets mis mee. Ouders hebben 24/7 de verantwoordelijkheid voor hun kinderen en lopen, zeker als het allemaal niet vanzelf gaat, enorm op hun tenen. Met alle gevolgen van dien.

Beter je best doen

Het zal geen onwil van scholen zijn, maar mag het dan tenminste iets doortastender? En mag jij, als lankmoedige, trage en trainerende professional er ook eens een nacht of wat slecht van slapen? Of een jaar of twee? En zal je het dan voor altijd anders doen? Vanuit bijvoorbeeld je maatschappelijke opdracht dat je voor ieder kind een goede plek moet bieden? Dat je die goede plek zo dicht mogelijk bij de wens van de ouders moet organiseren?

Ik weiger te gaan geloven in onwil. Het zou alleen erg helpen als scholen me wat vaker de indruk geven dat mijn geloof nog steeds oprecht is. Dan moeten ze wel iets harder hun best gaan doen.

 

Emancipatie door Facebook

Verschenen op oudersonderwijs.nl

Vandaag spreek ik weer een grote groep ouders van thuiszitters. In het kader van een bijeenkomst met professionals en ouders die gericht zijn op een goede samenwerking voor de kinderen waar het om gaat. Het is bijzonder om daar deel van uit te mogen maken en daar een rol in te mogen spelen. Dat realiseer ik me iedere keer weer.

Kwetsbaar

De groep ouders is namelijk erg kwetsbaar. Het zijn ouders die allemaal aangedaan zijn doordat voor hun kinderen de normaalste zaken niet vanzelfsprekend zijn. Een kind moet immers gewoon naar school kunnen, deel uit kunnen maken van een klas, een leerjaar, een groep. Voor deze ouders geldt vaak al een lange weg van teleurstellingen in het onderwijssysteem dat voor hun kinderen niet biedt wat nodig is.

Facebook

Facebook begon in 2004 met haar socialenetwerksite. Veel later (omstreeks 2011) kwamen daar de extra mogelijkheden via facebookgroepen bij. Sinds dat moment is het mogelijk om binnen een besloten omgeving met geselecteerde bezoekers kennis en ervaring uit te wisselen of zaken te bespreken zonder dat iedereen mee kan kijken.

Voor de ouders van thuiszitters is dit een zeer grote verandering geweest en soms denk ik dat het bestaan van facebook een grote invloed heeft gehad op het bespreekbaar maken van de problematiek van thuiszitters. Daar waar ouders eerder, door de intensieve taken en hun thuiszittende kind gekluisterd aan huis waren en alleen hun directe contacten konden raadplegen ontstond nu de mogelijkheid om met ouders van thuiszitters in heel het land (en daarbuiten) contact te hebben.

Relaties

In symposia, workshops en bijeenkomsten benadruk ik vaak het belang van de relatie. Een relatie waar de professionals altijd de eerste dure verantwoordelijkheid in moeten dragen. Ook ouders hebben belang bij relaties. Een goede relatie met belangrijke professionals rondom het gezin, maar ook relaties met ouders in vergelijkbare situaties.

Door de facebookgroepen en de manier waarop ouders daar nu gebruik van maken wordt dit mogelijk en merkt iedereen dat het geluid van deze groep ouders sterker, duidelijker en afgewogener wordt. Ouders uit de groep spelen daardoor een steeds belangrijker en bepalender rol in het gesprek over de oplossingen voor thuiszittersproblematiek.

Effecten

Waar ze het probleem bespreekbaar maakten, veranderde dat in het leveren van treffende voorbeelden naar de actuele situatie waarbij ze met professionals en beleidsmakers samen werken aan echte oplossingen. Dat is mogelijk geworden omdat het individuele probleem van hun eigen kind door relaties met andere ouders een collectief probleem is geworden.

Oplossingen die er nog niet zijn, die ook niet pasklaar liggen, maar waarbij de werkbaarheid volledig afhankelijk is van de samenwerking tussen deze drie groepen. Elke groep professionals en beleidsmakers heeft zijn eigen platformen en brancheorganisaties om scholing, deskundigheid en collegiale uitwisseling te organiseren. De ouders hebben facebook, met de eigen omgangsregels en de eigen zeggingskracht. Met elkaar ontstaat zo steeds meer gelijkwaardigheid.

Passend onderwijs nog geen succes

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Passend onderwijs is twee jaar op gang. Naast een aantal belangrijke wijzigingen heeft het nog niet gebracht wat verwacht werd: voor ieder kind passend onderwijs; zo thuisnabij mogelijk. Pas deze week werd de afspraak dat ouders en kinderen vanaf het eerste begin betrokken moeten worden van kracht. In veel regio’s is dit een goede praktijk en daar waar dit stelselmatig wordt uitgevoerd gaat het ook met passend onderwijs een stuk beter. Er blijven echter teveel regio’s te ver achter. Het is dan ook tijd voor een beschouwing.

Er zijn grofweg vier redenen te noemen voor het feit dat passend onderwijs nog geen succes is. Het uitgangspunt is namelijk dat de ideeën achter passend onderwijs zeer deugdzaam zijn en goede kans biedt op successen. Ze bieden een goed kader om de onderwijspraktijk in te richten en ze lossen op wat er scheef zat in het vorige stelsel. Mits goed uitgevoerd.

Ventielen

De eerste reden dat het nog niet werkt is gelegen aan de ventielen in passend onderwijs. De oorspronkelijke gedachte paste veel meer bij inclusief onderwijs dan de praktijk van vandaag is. Het is in de loop van het wetgevingstraject steeds onduidelijker geworden. Het is aan scholen zelf om te stellen dat ze handelingsverlegen zijn. Op het moment dat ze dat zijn betekent dat in veel gevallen bijna automatisch dat ze hun probleem hebben opgelost. Zij hadden namelijk een probleem met een leerling en door zichzelf handelingsverlegen te verklaren, is het probleem op het bordje van iemand anders komen te liggen. Deze voor de school effectieve oplossingsstrategie maakt dat er nog steeds met leerlingen geschoven wordt. Hoe vanzelfsprekend zou het zijn dat je, juist in het onderwijs, als je iets niet kan, te horen krijgt dat iemand je gaat helpen om dat onder de knie te krijgen. En totdat je het zelf kunt zorgen we ervoor dat het actuele probleem opgelost gaat worden.

Ontheffingen

De tweede reden is het feit dat ook aan de andere kant ventielen bestaan. Die zitten in de ontheffingen voor de leerplichtwet. Met name de toename van de ontheffing 5 onder a is bijzonder. Het is niet zo dat er ineens veel meer kinderen zijn die lichamelijk of psychisch niet in staat zijn om naar school te gaan. Inmiddels wordt hier actie op ondernomen en zijn gemeenten gevraagd om toe te zien op de toepassing van deze ontheffingen. Het roept in ieder geval vragen op over de mate waarin scholen in staat zijn om met verschillen tussen leerlingen om te gaan.

Thuiszitters

Een derde reden waarom passend onderwijs nog geen succes is, is gelegen in de aanpak van thuiszitters. Of beter: het gebrek aan aanpak van het thuiszittersprobleem. Ook hier weer zijn er evenzoveel goede als slechte voorbeelden. Kern is wel dat het aantal thuiszitters niet is afgenomen. De druk in het schoolsysteem is enorm en die lijkt zijn eindpunt te vinden in met name deze groep leerlingen. Bij die druk in het systeem is het opmerkelijk dat hoe hoger de druk is hoe nadrukkelijker er naar anderen gewezen wordt voor de oplossing. Voor een kind geldt dat het op ontzettend veel momenten de maat genomen wordt. Bij iedere overgang van het ene naar het andere leerjaar zijn normen vastgesteld. Verschillen tussen kinderen doen er daarbij niet toe. Iedereen weet inmiddels dat zittenblijven een slecht plan is voor de ontwikkeling van kinderen. Het is namelijk helemaal geen oplossing. Zittenblijven is een jaar lang straf vanwege die ene maatvoering. Als diezelfde maatvoering pas aan het eind, bij bijvoorbeeld een diploma zou plaatsvinden, zou er meer ontspanning in het systeem komen. Scholen zijn vrij om het in te richten zoals zij het willen, maar verschuilen zich graag achter de regels.

Regels of oplossingen

Een vierde en laatste reden is dat regels slechts kaderstellend zijn, maar gebruikt worden om problemen op te lossen. Een goede oplossing heeft geen regel nodig en een goede regel mag een goede oplossing nooit in de weg staan. Passend onderwijs gaat in hoge mate om het oplossen van situaties waar niet altijd regels voor te bedenken zijn. Er is veel meer mogelijk dan in regels te vervatten is en het is aan het gehele overleg (inclusief ouders) om de verantwoordelijkheid voor de gekozen oplossing te dragen. Het niet volgen van de regels en het zoeken naar unieke oplossingen voor unieke problemen is geen gewoonte in het onderwijs. Het levert ook geen extra punten op en vindt (nog) nergens bevestiging. Een goede unieke oplossing is iets waar een leerkracht of docent alleen zelf, stilletjes blij van kan worden. Niet te hard, omdat er anders iemand komt vertellen dat de regels zijn overtreden. Stel met elkaar de enig belangrijke regel: een goede regel vervalt als de oplossing beter is.

Lef, durf en moed

Met de afspraken uit het thuiszitterspact op de laatste thuiszitterstop, de brede coalities (zoals LANSbrekers) om bovenstaande oorzaken weg te nemen en de uitvloeisels van het recht op een inclusieve samenleving kan het niet anders dan dat passend onderwijs uiteindelijk toch een succes gaat worden. Het echte werk moet op de werkvloer gedaan worden en niet door mensen die goed de regels uit kunnen voeren. Het gaat vooral om het handelen in de geest van de wet, in de geest van de bedoeling van passend onderwijs: dat ieder kind passend onderwijs krijgt, zo thuisnabij mogelijk. Daar is lef, durf en moed voor nodig. Het is aan iedereen om die mensen in de praktijk met lef, durf en moed te gaan zien en te gaan waarderen. Alleen dan kunnen we samen dit proces versterken.

Onderwijsdata gebruiken

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Het artikel over de Nieuwe School van Diederik Samsom en Erik van ’t Zelfde deed de nodige stof opwaaien. Erik van ’t Zelfde is de directeur van een zeer succesvolle school, de Hugo de Groot in Rotterdam. Reden om eens te kijken bij de openbare data die voor iedere geïnteresseerde te vinden is op www.scholenopdekaart.nl. 

Deze data zijn door ouders te gebruiken om een keuze te kunnen maken tussen verschillende scholen.  Naast een schoolbezoek (liefst buiten de open dagen om als de school in “normaal” bedrijf is) en de informatie uit de schoolgids geeft dit een goede indicatie van de school.

Hugo de Groot

De Hugo de Groot heeft extreem hoge resultaten op de examens voor alle niveaus. Het is dan, als koude-grond-data-analist goed om te kijken of die resultaten de hele school doorgaan.

Het kan namelijk zijn dat de hoge examenresultaten het gevolg zijn van een scherpe voorselectie in het pre-examenjaar. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het percentage kinderen dat niet ononderbroken de bovenbouw doorloopt. Als dat hoog is (dus als er veel kinderen blijven zitten) kunnen de examenresultaten hoog zijn: de goeden gaan immers door.

De schoolloopbaan in de onderbouw is te vinden op Scholen-op-de-kaart. Ook daar gaat het om het cijfer van ononderbroken de onderbouw doorkomen. Als veel kinderen zonder zittenblijven de onderbouw doorkomen kan dit betekenen dat de selectie aan de poort (bij aanmelding) hoog is, of dat zittenblijven verboden is: als een kind niet voldoet aan de eisen om te worden bevorderd stroomt het af naar een lager niveau.

Bij de Hugo de Groot is alles, wat de data betreft, dik in orde. Er is niet alleen een extreem hoog examenresultaat: de resultaten zijn ook hoog in de doorstroom en de loopbaan van de kinderen. Dit zou dus zomaar een echt goede school kunnen zijn. Een school waar het zelfvertrouwen dat Erik van ’t Zelfde uitstraalt, goede gevolgen heeft voor het onderwijsteam en daarmee ook voor de kinderen die zijn school bezoeken.

Adder onder het gras

Er zit bij de onderwijsdata een adder onder het gras: van geen enkele school zijn de absolute leerlinggegevens beschikbaar. Die zijn nodig om zicht te krijgen op het aantal afstromers of uitstromers. Hoeveel kinderen beginnen aan een school en hoeveel komen er aan de eindstreep? En wat gebeurt er met de kinderen die de school verlaten? Waar gaan die naar toe?

Andere cijfers van het ministerie (onderwijs in cijfers) zijn wel te vinden, maar die zijn niet goed herleidbaar tot individuele scholen.

Inzicht in data

Voor ouders biedt Scholen-op-de-kaart dus een gedeeltelijke inkijk in de resultaten van scholen. Daarbij is het voor ouders belangrijk te weten wat ze willen voor hun kinderen.

  • Wilt u een school waar uw kind de kans krijgt, ook als het niet allemaal meteen lukt, maar wel de mogelijkheid houdt om door te gaan op de ingeslagen weg? Dan zou een school met iets lagere examenresultaten en een beperkte doorstroom zomaar geschikt kunnen zijn. Daar immers doen meer leerlingen mee aan het eindexamen dan er uiteindelijk slagen. Er krijgen er dus veel de kans.
  • Wilt u een school waar de resultaten gegarandeerd zijn? Kies dan een school met goede resultaten en bedenk dat dat niets zegt over het eindniveau van uw kind. Uw kind kan onderweg gemakkelijk struikelen en één of zelfs twee niveaus lager terecht komen. Dàar heeft het dan wel een bijna gegarandeerd resultaat.

Disclaimer

Data zeggen niet alles over de kwaliteit van het onderwijs. Bij scholen gaat het naast de wijze waarop ze kinderen kansen geven en zelf risico’s nemen ook om de kwaliteit van het onderwijs. Die is voor een goede lezer te vinden op de site van de onderwijsinspectie (en via een tabblad bij Scholen-op-de-kaart). Ook hier geldt dat cijfers en data niet alles zeggen. Een school leren kennen door alleen de data over die school is, met de beperkte beschikbaarheid van data, nu nog niet mogelijk.

Schoolbezoek

Er gaat niets boven een schoolbezoek, om te kijken of uw kind past bij de cultuur op die school. Daarbij kunt u immers zelf ook letten op hele specifieke zaken. Scholen-op-de-kaart is steeds in ontwikkeling en er komt steeds meer informatie beschikbaar. Hoe meer informatie beschikbaar komt en  hoe beter ook de data in hun context te presenteren zijn hoe bruikbaarder scholen-op-de-kaart zal worden.

Down and out: over afwijzing en uitsluiting

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Onlangs op een feestje kwam ik in gesprek met een moeder van een dochter met down-syndroom. Ik had een klik met de dochter. We speelden met een schaap die kiekebèèh-de. Moeder vertelde dat ze nu al op zoek was naar een school voor haar dochter. Haar dochter zou over acht maanden pas vier jaar worden, maar vanwege het down-syndroom voorzag ze problemen bij de aanmelding op een school. Ze woonde in een grote stad met legio mogelijkheden.

Zorgplicht
Passend onderwijs zorgt ervoor dat ouders niet meer met kinderen langs scholen hoeven te leuren. Je meldt je kind aan, de zorgplicht treedt in werking en de school zet alles op alles om te zorgen voor goed passend onderwijs. Het liefst op de eigen school en in uiterste gevallen ergens in de buurt op een nog betere school. Alles in goed overleg met de ouders.

Niet welkom
Deze moeder kende, ondanks dat haar dochter haar oudste kind was, al de praktijk van passend onderwijs. Ze had een school gebeld, waarvan de schoolvisie aansprak. In het telefoongesprek werd ze twee keer doorverbonden en trof uiteindelijk een zorgcoördinator. Deze zorgcoördinator gaf aan dat, voordat duidelijk was of haar dochter de school kon bezoeken, alle onderzoeks- en medische gegevens bij elkaar gebracht moesten worden. De school kon op grond daarvan kijken wat ze konden bieden.

Medische gegevens
Medische gegevens horen niet op een school. Medische gegevens vallen onder het medisch beroepsgeheim en worden gedeeld met een arts. Op de meeste scholen is geen arts actief. Sterker nog: op bijna geen enkele school is een arts actief. Vragen om medische gegevens is dan ook uit den boze. Een verslag waar de onderwijsbehoefte uit blijkt is voldoende. Ook onderzoeksgegevens hoeven niet te worden overhandigd als niet duidelijk is dat iemand met de competentie om deze te analyseren ze in handen krijgt. Leerkrachten en intern begeleiders hebben die competentie niet.

Informatieplicht
Of zoals Arnold Jonk, hoofdinspecteur primair onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs, het onlangs op de sociale media stelde: ouders hebben geen informatieplicht bij de aanmelding van een kind. De informatie over een kind heeft geen invloed op de zorgplicht. Informatie over een kind kan door de zorgplicht nooit de toelating bemoeilijken. In het geval van de dochter, die inmiddels met mijn veters bezig was, viel te betwijfelen of er voldoende zicht was op onderwijsbehoeftes. Ze was immers nog maar 3 jaar oud en vooral nog kind.

De tweede school slaakte een diepe zucht. Ze hadden al erg veel aanmeldingen voor de groep waarin over 8 maanden de dochter van deze moeder zou beginnen. Daar zaten ook al kinderen bij waar “wat mee was”. Maar ze moest het zelf weten, vertelden ze. De moeder gaf daarop aan nog wel even verder te kijken. Een derde school somde een uitgebreide procedure op die moest helpen om het kind op de goede plek te kunnen krijgen. Dat zou natuurlijk, in het geval van de dochter, ook een speciale school kunnen zijn. Moeder wist genoeg.

Weigeren?
Scholen mogen een aanmelding niet weigeren. Ouders zijn vrij om hun kind aan te melden op een school naar keuze. Ook als dit speciaal onderwijs is. Moeder wilde graag dat haar dochter een aantal jaren zou meedraaien op een gewone school. Haar dochter was nog maar drie jaar en werd al ver voor haar eerste schooldag door drie achtereenvolgende scholen afgewezen. Zo voelde het in ieder geval voor moeder.

Welkom!
Hoe anders was dat op de vierde school. De vierde school waarvan ze een aantal leerkrachten herkende omdat ze die had ontmoet op een cursus die zij in het belang van haar dochter volgde. Op deze school waren ze bekend met kinderen met down-syndroom, zagen ze de uitdaging, de toegevoegde waarde én ook de moeilijkheden. Maar moeder moest vooral eens komen met haar dochter. Om de school te “proeven”. Deze school deed alles aan een attitude waarin “welkom” verscholen lag. En precies dat had moeder bij de andere scholen gemist.

Afrekenen
Kennissen uit het onderwijs hadden haar verteld hoe scholen worden afgerekend op resultaten en dat het daardoor voor haar dochter wel moeilijk zou zijn om een school te vinden. Gelukkig is dat niet het geval. Als scholen een goed plan hebben en kunnen laten zien waarom ze de keuzes maken die ze maken kunnen ze zelfs echt inclusief werken. Er is geen onderwijsinspectie die hen daarin tegenhoudt. Misschien zijn het schoolbesturen, schoolleiders of leerkrachten die deze ideeën levend houden. Er zijn immers voldoende mogelijkheden voor maatwerk.

Samenleving in het klein
Het is het minste dat scholen kunnen doen als een ouder met een kind met een bijzondere onderwijsbehoefte aanklopt bij een school: welkom heten. Het is meteen ook het gemakkelijkste om te doen. Voor ieder kind moet er immers een plek in de samenleving zijn. De school is niet meer en niet minder dan een samenleving in het klein. Uitsluiting van kinderen hoort daar niet bij. Hoe moet een jongvolwassene ooit een plek in de samenleving vinden als er als kind al teveel ervaring is opgedaan met afwijzing en uitsluiting.

Inclusief
Alle kinderen en jongeren, met of zonder beperking, hebben recht op inclusief onderwijs. Dit recht is neergelegd in het VN-Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK) en, in 2006, in het VN-Verdrag voor de rechten van personen met een handicap (IVRPH). Naar verwachting zal Nederland in 2016 het IVRPH bekrachtigen. Dit betekent dat ook de moeder van de dochter, die inmiddels al een heel eind komt met het vastmaken van mijn veters, voor haar dochter mag vragen om inclusief onderwijs.
Dat recht ligt bij het kind, bij de ouders van dat kind en niet bij de scholen of de schoolbesturen. De inrichting van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs houdt nog maar weinig rekening met deze rechten. Een systeem met reguliere- en speciale scholen is per definitie nooit inclusief. Het is een uitsluitend systeem waarbij op basis van handicaps keuzes gemaakt worden. Begrijpelijk, gezien de nabije geschiedenis, onbegrijpelijk als je de implicaties van deze keuzes doorziet.

Hart gestolen
Hoe gaat het met de dochter verder. De dochter die het kiekebèèh-schaap erbij gepakt heeft om haar te helpen om mijn veters strikken. Ze is, drie jaar oud, nu al bezig met haar eerste afwijzingen. In het huidige systeem is het voor haar moeder zoeken naar een welkome plek. Zoals het er nu uit ziet heeft ze die plek gevonden. Dat betekent iedere dag vijftien minuten fietsen, terwijl er binnen die vijftien minuten fietsen misschien wel 12 scholen te vinden zijn die ook een welkom hadden kunnen regelen. Hulde voor de school die een gewoon warm welkom gaf aan deze dochter. Die met haar pogingen om mijn veters te strikken in ieder geval mijn hart gestolen heeft.

Een nieuwe school in een krimpgebied

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Er zijn regio’s in het land waar het aantal kinderen dermate afneemt dat er een overschot aan scholen ontstaat. Dan lijkt het niet logisch dat er nieuwe scholen ontstaan, maar toch is dat het geval. Op donderdag 10 september werd de islamitische basisschool de Tulp in Hengelo feestelijk geopend. Benieuwd naar de achtergronden van deze nieuwe school ging ik in gesprek.

Een paar dagen voor de opening zijn ouders en leerkrachten nog druk in de weer met de laatste versieringen. Op 17 augustus begon het schooljaar en in de weken daarna groeide het aantal nieuwe leerlingen sterk. Het schoolgebouw, dat al enige jaren leegstond, is opgeknapt en heeft een frisse aanblik gekregen. De inrichting is in overeenstemming gebracht met de kernwaarden van de school: ze willen een open school zijn: open voor kinderen, ouders en buurt.

Tussen de klussende leerkrachten en ouders vind ik de directrice van de school: Charlotte van Doorn. Zij werkt net zo hard mee om de school op tijd af te krijgen voor de opening. Charlotte is nieuw bij SIMON die een deel van het islamitisch onderwijs in Nederland vorm geeft. Ze ziet het als uitdaging om juist in deze tijd, waar de maatschappelijke spanningen toenemen een school neer te zetten waar de kwaliteit van onderwijs centraal staat vanuit de kernwaarden van het islamitisch onderwijs van SIMON.

Charlotte is een bekende in het onderwijsveld. Ze was directeur van de zeer innovatieve basisschool het Heem in Nijverdal. Bij de Tulp gaat ze dat niet kopiëren, maar elementen komen zeker terug. Er zijn ook paralellen: ook bij het Heem was er sprake van dreigende sluiting van scholen. Het ‘tegen-de-stroom-in-roeien’ is haar niet vreemd en geeft ook de ruimte om nieuwe dingen te doen.

De school is opgericht op verzoek van een actieve oudergroep die daar twee jaar lang flink lobby voor heeft moeten voeren. Over vijf jaar tijd moet de school, om levensvatbaar te zijn, 265 leerlingen tellen. Er zijn er nu, een paar weken na de opening, bijna 60. Meer dan verwacht. De Tulp heeft een bovenlokale functie. Ook ouders uit Almelo brengen hun kinderen naar de Tulp. Bij SIMON kennen ze daarvoor een eigen leerling-vervoersysteem.

De uitdaging van de krimp (minder leerlingen met teveel scholen), de maatschappelijke discussie rond artikel 23, de actualiteit van het (wereld)nieuws, de wensen van ouders, de Syrisch-orthodoxe kerk die tegenover de school staat, de inrichting en vormgeving van een nieuwe school die zich kan onderscheiden op meer dan alleen het islamitische aspect. Het is een rij onderwerpen die in het gesprek aan de orde komen en waar binnen de school goed over nagedacht is.

De Tulp is een open school: iedereen is welkom, de klassen kennen met de grote ramen naar buiten en naar binnen een transparante aanblik. De Tulp werkt volgens de principes van de Vreedzame School en dit is in al de contacten te merken. De Syrisch-orthodoxe buren zijn door de kinderen uitgenodigd voor de opening. Iedereen is welkom om te komen kijken. De principes van de vreedzame school passen naadloos bij de uitgangspunten van de Tulp en andere SIMON-scholen.

Ouders zoeken bij de Tulp een plek om hun kinderen in veiligheid te laten opgroeien. Talentbegeleiding, groepsdoorbrekend werken, het aangaan en onderhouden van relaties staan centraal. Er is een ruimte waar ouders elkaar kunnen ontmoeten, onder het genot van een kop koffie. De school als samenleving. Een grote muursticker in de ontmoetingsruimte waar kinderhanden de wereld dragen bekrachtigt dit nog eens extra.

Ouders zijn actief in de school. De medezeggenschapsraad zit bij aanvang van de school meteen vol. Ook de ouderraad is zeer goed bezet. Ouders die aangeven iets te willen doen voor de school zijn welkom en worden met open armen ontvangen. De ouderraad is zo groot als er animo is en die animo is er. Ouders zijn trots op de school die is ontstaan voor hun kinderen.

Wat opvalt is dat de islamitische grondslag zo’n universele uitwerking krijgt in de school. De kernwaarden van SIMON die neergelegd zijn in de zeven parels van uitmuntendheid kennen meer overeenkomsten dan verschillen met andere religies. De school heeft zeker een aantrekkingskracht op ouders met een islamitische achtergrond en momenteel zijn er (nog) geen kinderen met een andere achtergrond op school.

Daar staat de Tulp echter zeer voor open. Het innovatieve lesconcept, de duidelijke visie die neergelegd wordt door een bevlogen directeur, de wijze waarop de intermenselijke relaties centraal staan in en om de school kunnen ook voor ouders met een andere achtergrond het overwegen waard zijn. Het wachten is op de eerste ouders die die stap durven te zetten.

Gaat de Tulp het redden?

In vijf jaar nog 200 kinderen erbij lijkt, zeker in een omgeving waar alle scholen alleen maar kleiner worden, een behoorlijke opgave. De kans dat het lukt zal niet alleen liggen aan het islamitische karakter, maar zeker ook aan de opzet en inhoud van de school. Misschien is die innovatieve aanpak wel de belangrijkste reden waarom deze school een succes zou kunnen worden.

Laat het “beste” met rust

Verschenen op Ouders & Onderwijs

De school van mijn dochter was na een intensief, extern ondersteund, zelfonderzoek tot de conclusie gekomen dat een koersverandering noodzakelijk was. Vanaf nu gingen ze “het beste uit ieder kind halen”. Ik kan gemakkelijk in beelden denken en schrok van de aanblik. Ik keek naar mijn dochter en schrok nog harder. Wat als ze op school het “beste” eruit gingen halen? Wat bleef er dan nog van mijn dochter over?

Het deed me denken aan een fragment uit het beroemde filmpje van Ken Robinson. Het fragment waarin hij aangeeft dat kinderen op school komen met een hoge mate aan creativiteit en dat ze, na verloop van educatie, het meeste van die creativiteit zijn kwijtgeraakt.

Ik snap dat scholen iets moeten. Dat ze vast en zeker goede bedoelingen hebben. Ik heb alleen graag dat ze het “beste” toch vooral met rust laten. Het “beste” behoeft immers alleen bevestiging. Vooral bevestiging zou ik zeggen. Ik heb liever dat scholen met dat “beste” aan de slag gaan en mijn dochter leren dat ze haar “beste” voor zoveel meer kan inzetten. Dat ze leren hoe ze dat moet doen: dat overbrengen van de kwaliteit in het ene, naar een kwaliteit in het andere.

Dat lijkt me namelijk echt van belang. Dat mijn dochter straks in staat is om haar “beste” voor veel dingen te kunnen gebruiken. We weten immers toch nog niet hoe het er straks uitziet. Dan kan ze maar beter leren hoe ze dingen kan toepassen in nieuwe situaties, dan dat ze het “beste” kwijtraakt ten gunste van nutteloze ballast (Bonifatius bij Dokkum vermoord).

Dus beste scholen: willen jullie nooit meer het beste uit mijn kinderen halen?

Waarom wiskunde niet/wel* werkt

(omcirkel wat van toepassing is).

IMG_1701Wiskunde doet zijn intrede in de zorg. Als wetenschap pretendeert wiskunde modellen te kunnen maken waaraan de zorg kan worden ingericht. Die modellen kloppen allemaal. Het is immers wiskunde. En wiskunde is wetenschap en dus bewezen waar.

Niets aan de hand dus. Als wiskunde een bijdrage kan leveren dan zou dit zeer wenselijk zijn. Er zijn in de zorg immers grote problemen. Er is sprake van stijgende kosten, er is sprake van toenemende verantwoordingsplicht (die overigens altijd gepaard gaat met het “teruggeven van de verantwoordelijkheid aan het veld: overheid, management, toezichthouders lijken bij dit soort beleidskeuzes juist meer verantwoording te vragen).

Inhoudelijk is er ook wat loos in de zorg. We hebben met zijn allen in de zorg afgesproken dat de wereld steeds complexer wordt, dat onze eindgebruikers (patiënten/revalidanten) daarmee ook complexer worden en dat de zorg als geheel dus ook een complexe bezigheid is. Ik schreef al eens over hoe “moeilijk doen” gemakkelijke oplossingen in de weg kan staan.

Managers die het niet meer weten en die geloven in spreadsheets omarmen nu de wiskunde. Ze gaan massaal op cursus om zich door wiskundigen de zorglogistieke principes te laten voorschrijven. Om je heen hoor je bedrijfskundige mantra’s in termen als “beschikbaarheid” (of iedereen wel daar is waar de wiskundige hem bedacht heeft) en “planbaarheid”.

Het is niet vreemd dat managers dit doen. Ze hebben immers maar twee opties: niets doen en iets doen. Zoals bekend pleit ik doorgaans voor het eerste: niets doen. Voor “niets doen” kan een passend salaris bedacht worden en een heleboel problemen lossen zich op. Dat managers kiezen voor “iets doen” is ook begrijpelijk. Het gevoel grip te krijgen door je door wiskundigen mee te laten nemen in modellen die de werkelijkheid beheersbaar maken is een aanlokkelijk beeld. Bovendien kun je op verjaardagen een aantal slimme wiskundige opmerkingen maken waarmee je de complexiteit van je dagelijks werk kunt benadrukken.

Nog een reden waarom managers wiskundigen omarmen? Omdat wiskundigen een industrieel geloof in centrale aansturing hebben. Dit is wellicht de grootste beperking van de meeste wiskundigen: het geloof in centrale aansturing. Maar oh zo wenselijk voor de worstelende manager die niet weet hoe hij grip moet krijgen.

De wiskunde als wetenschap mist echter één ding: de menselijke maat. Een slimme wiskundige kan veel variabelen invoeren in een model. Factor A (de patiënt) kan dan meerdere verschijningsvormen hebben. Ergens bij Factor D gaat het mis. Daar hebben we het over de medewerker, beschikbaarheid en planbaarheid. En daar komt een menselijke maat om de hoek kijken.

Sinds we de industrialisatie achter ons hebben gelaten heeft het geen enkele zin meer om medewerkers te beschouwen in industriële termen. Dat is wel wat wiskunde als wetenschap doet. Het maakt medewerkers tot een beperkte set variabelen. In ieder geval beperkter dan de werkelijkheid. Wiskunde is daarmee slechts een benadering van de werkelijkheid en gaat de mist in daar waar het niet verder komt dan die benadering.

Voor managers is dit hoopvol nieuws: het levert namelijk een set afspraken (de beperkingen in de wiskundige variabelen) op waar ze medewerkers aan kunnen gaan houden: terug naar de industrialisatie en in de verte doemt een beeld van een aloude fabrieksfluit op.

Zou de wiskunde wèl een bijdrage kunnen leveren?
Dat zou kunnen als de wiskunde echt de werkelijkheid gaat bestuderen. Als ze gaat zien dat centrale aansturing eigenlijk nergens echt plaats vindt. Omdat mensen zichzelf wel redden en die centrale aansturing niet nodig hebben. Als ze gaat zien dat juist op die plekken waar centraal gestuurd wordt er van allerlei “productiemiddelen” weglekken.

Als de wiskunde zich meer bezig zou gaan houden met het in beeld brengen van wetmatigheden onder zwermgedrag zouden ze wellicht meer van toegevoegde waarde kunnen zijn voor de echte problemen in de zorg. Ze zouden zien dat het geheel minder complex is dan bedacht wordt, ze zouden de onnodigheid van centrale aansturing zien en zouden begrijpen dat organiseren rond zwermen iets anders vraagt dan wiskundige modellen. Het vraagt namelijk sturen op slechts een paar factoren.

Uitgaan van de wetmatigheden van een zwerm betekent sturen op drie pijlers (noot schrijver: de wetmatigheden zijn vereenvoudigd, de vertaling naar organisaties is dat dus ook. In de kern gaat het echter om deze dingen).

  1. niet botsen: zorg dat medewerkers elkaar niet voor de voeten lopen of elkaar belemmeren.
  2. meedoen: zorg dat medewerkers zich betrokken voelen bij het grote geheel en daarin hun aandeel kunnen zien en kunnen bepalen.
  3. afstand houden: zorg dat medewerkers de ruimte krijgen om dat te doen waar ze goed in zijn.

Dat lijkt in niets op een industrieel vormgegeven zorgomgeving. Dit lijkt op een wereld waarin de menselijke maat uitgangspunt is en waarbij voor iedere medewerker die plek ontstaat die past bij zijn competenties en behoefte. Ten aanzien van de betrokkenheid zou veel winst geboekt kunnen worden als medewerkers in staat zouden zijn om zelf hun budget te beheren (terug te verdienen, te plannen, te bepalen).

Het vergt een ander soort manager. Veel minder industrieel denkende managers en dus veel minder kosten. Maar ja, welke wiskundige durft managers teleur te stellen?

Paraplu

pluBezig met een aantal presentaties die er de komende tijd aankomen vond ik het tijd om mijn visie op (passend) onderwijs eens beeldend onder woorden te brengen. De paraplu als didactisch middel bood uitkomst.

Bij de inrichting van passend onderwijs (1-8-2014 is het een feit) zijn samenwerkingsverbanden in heel het land bezig om zo goed mogelijk te voorzien in de vragen die gesteld worden. Ik bekijk de dingen vooral vanuit de verantwoordelijkheid als ouder en merk dat ouders zich wat zorgen maken. Zorgen terwijl de gedachte achter passend onderwijs toch zo helder is: een passend onderwijsarrangement voor ieder kind.
Inmiddels dagen er steeds meer lekken of ventielen. Er is het lek van de kinderdagcentra, waarbij kinderen vanuit die route niet meegaan in het samenwerkingsverband of te beinvloeden zijn. Er is de “niet beinvloedbare instroom” binnnen cluster 3 scholen (kinderen met lichamelijke of verstandelijke beperkingen: in dit geval gaat het vaak om kinderen met meerdere beperkingen). Er is de onduidelijke scheiding tussen cluster 2 (dat niet meedoet) en cluster 3/4. Er is een diffuus gebied tussen leerplicht en kwalificatieplicht als een kind eenmaal 18 is geworden. Eigenlijk zijn alle transities potentiele lekken. Kijk naar de overgang tussen primair en voortgezet onderwijs: wat, behalve intrinsieke en morele, zijn de redenen om je nog heel erg druk te maken over groep 8 als je weet dat ze straks allemaal weg zijn? Er is, door de manier waarop passend onderwijs wordt ingericht, ineens een financieel criterium voor het indiceren van onderwijsondersteuning: “als we het niet kunnen betalen dan doen we het niet”. Het laatste geldt voor precies de helft van Nederland: de helft namelijk die moet verevenen (= terug in budget, omdat het gemiddeld verwijzingspercentage hoger dan gemiddeld ligt). Eerder al schreef ik stukken over de terreur van het gemiddelde: hier, hier en hier.

Onderwijs lijkt ervoor te kiezen om een paraplumodel in te voeren. En dan niet “onder” de paraplu, maar er bovenop. Basisondersteuningsplannen, schoolondersteuningsprofielen, brainstorms: ze gaan allemaal over wat er binnen het onderwijs past. Nauwelijks gaat het om wat bij het kind past. De beleidslijn heette toch echt passend onderwijs en niet passende kinderen. De gedachte is wel logisch: er komt veel aan, er moet het nodige gebeuren om dingen te organiseren en een bekende neiging is dan om vooral veel te gaan regelen. Dat ik niet van de regels ben mag ook bekend zijn (hier, hier en hier). Het is ook niet voor niets dat ik binnenkort een presentatie houdt op hetzelfde congres als Ben Kuiken (Fuck de Regels), Erwin Witteveen (Easycratie) en Matthieu Weggeman (“als je het niet regelt, gaat het vanzelf goed”).

Onderwijs houdt een paraplu vast en probeert zoveel mogelijk kinderen er bovenop te krijgen. Dat gaat goed zolang de kinderen een beetje in het midden kunnen zitten. De paraplu moet niet te hard bewegen en je moet als kind al helemaal niet te ver naar de zijkant komen. Dan val je er namelijk af!
Het heeft er op deze manier alle schijn van dat het voor kinderen gemakkelijker wordt om eraf te vallen dan erop te blijven.

Het kan ook anders.

pluZet diezelfde paraplu nu eens andersom en stop diezelfde kinderen erin. Binnenin de paraplu is er voor iedereen plek. Het is zelfs moeilijk om eruit te vallen. Was dat nu niet precies de achterliggende gedachte van passend onderwijs: “geen kind meer buiten boord”? Als de paraplu andersom staat maak je het voor kinderen echt moeilijk om uit te vallen, niet te passen. Anderzijds schept het ook de verplichting om iedereen in die paraplu echt iets te bieden. Te zorgen dat ze ermee verder kunnen. Al was het alleen maar om het in de paraplu een beetje ordelijk te laten verlopen.

Zomaar een beeld om aan te geven hoe je tegen passend onderwijs aan kunt kijken. Verwar het niet met passende kinderen. Zorg voor het dichten van alle ventielen, hoe klein ook. Maak het niet financieel, maar denk na over de inhoud. Probeer niet teveel te regelen. Misschien komt het ook wel goed wanneer je niets regelt.

Vooruit denken

Ik kan vooruit denken. Het is mij gegeven om dat zelfs erg goed te kunnen. Vandaar dat ik ook zo’n moeite heb om dit stuk te schrijven, maar dat wijst zich later. Ik kan ver vooruit denken en kan voor me zien wat keuzes tot gevolg hebben.
Ik snap bijvoorbeeld waarom dingen op termijn niet zullen brengen wat men er vandaag van verwacht. Ik snap zelfs dat dat voor de mensen die de dingen van vandaag bedenken zo vervelend is dat ze later de focus graag leggen op de dingen die dan verbeterd zijn. Terwijl iedereen dan vergeten lijkt wat er ook al weer mee beoogd werd.

zwermDan lijkt “ver-vooruit-kunnen-denken” dus een prettige eigenschap. Toch is dat niet zo. De meeste mensen denken niet zo ver vooruit en kunnen mij, in mijn uitleg, al snel niet meer volgen. Ze kunnen immers niet zover vooruit denken. Dat is niet om die mensen tekort te doen. De meeste mensen halen alles uit hun mogelijkheden. Iedereen heeft alleen niet dezelfde mogelijkheden.
Zieners en vooruitkijkers hebben het niet altijd gemakkelijk. Het is, ik kan dat verzekeren, enorm moeilijk om je mond te houden over acties die je om je heen ziet gebeuren waarvan je zeker weet dat ze niet gaan werken. Als je echter een aantal keren hebt gemerkt hoe er gereageerd wordt op vooruitkijk-argumenten laat je dat wel uit het hoofd. Het nieuwe devies wordt dan “geduld-oefenen”. Dat is zo mogelijk nog moeilijker dan toezien hoe mensen fouten maken zonder dat je er iets van kunt zeggen.

Er zijn nu, in dit stuk, nog twee soorten mensen over. De ene zal zoiets  zeggen als dat ik niet zo moeilijk moet doen en gewoon moet doen wat ik denk dat goed is. De ander zal misschien herkenning vinden en is benieuwd naar het vervolg. Laat die ander vooral doorlezen. Die ene moet misschien zijn energie in andere dingen stoppen dan het lezen van dit stuk.

Twee voorbeelden:
Het eerste voorbeeld komt uit het verkeer. Bij mij in de buurt is een viaduct verwijderd, is een verkeerssituatie drastisch aangepast en heeft een groot verkeersknooppunt ruim drie jaar op de kop gestaan. Nu is het een oase van stoplichten[1], strepen, aanwijzingen en afremmende- en optrekkende auto’s. Auto’s staan namelijk in hoge mate stil op dit knooppunt.

De bedenker van dit al is tevreden. Hij beziet zijn werk en ziet dat er geen ongelukken gebeuren en heeft tot in de finesses de verkeersstromen onder controle gebracht. De meeste mensen die er rijden zullen ook stellen dat het veiliger is geworden. Men weet immers precies wat moet gebeuren en volgt dat lijdzaam.
Toch is het niet goed. Auto’s kùnnen namelijk sneller en prettiger doorstromen en zo heel nu en dan blijkt dat ook. Dat is als de stoplichten uitvallen. Dan blijkt het stoppen van iedere verkeersstroom helemaal niet nodig te zijn en kan iedereen, op elk willekeurig tijdstip van de dag vlotjes doorrijden. Men moet wel iets beter opletten, maar wie kan daar nu op tegen zijn[2].
Niemand ziet dat. Er is (te)veel geld uitgegeven aan stoplichten en strepen op de weg. Al zou het niet werken, niemand zal het toegeven. Gebruikers zullen niet zien dat het beter kan. Als ik in die momenten van geluk dat de stoplichten niet werken over dat knooppunt kom maakt mìjn hart een sprongetje van blijdschap. Bij de meeste andere mensen is er irritatie over het feit dat de stoplichten (weer) niet werken.

Tweede voorbeeld:
Er zijn in mijn werk[3] zorgpaden ingevoerd. Iedereen krijgt nu standaard maatwerk[4]. Een ongeveer gelijk programma, met een heleboel gelijkheidsbeginsels en een riant boekwerk aan voorschriften. Het lijkt wel een verkeersknooppunt.
Het eerste dat mensen die er mee werken zeggen is dat er meer grip komt op de stroom patiënten. Dat is ook zo. Ik zie dat ook. Ik kan namelijk ook stilstaande patiënten beter bekijken dan patiënten die aan het stromen zijn. Stromen omdat ze geholpen en behandeld worden en uiteindelijk klaar zijn.
De praktijk is dat het helemaal niet stroomt. Er komt geen patiënt meer in. Er is ineens een zee aan tijd in de agenda’s van behandelaars vanwege allerlei voorschriften en gelijkheidsbeginsels die werken als stoplichten. Als dit opvalt wordt er adhoc een oplossing gekozen die zo mogelijk nog belemmerender werkt. Er wordt daardoor heel veel tijd en dus geld verspild.

Al die verspilling is geen moedwil. Het is, in alles, het beste wat er momenteel te bieden is op de plek waar ik werk. Dat is een zorg op zichzelf.

Ik heb er last van dat er geld verspild wordt aan oplossingen waar van te voren over nagedacht had kunnen worden. Waar van tevoren, ver vooruit denkend, van gesteld had kunnen worden dat het geen goed idee was. Het voelt, werkend in een dergelijke situatie of verkerend op zo’n knooppunt, of ik me iedere keer door al dat weggegooide geld moet ploeteren voordat ik aan de slag kan. Dat is niet prettig, maar ik sta daar alleen in. Ik merk niet dat anderen daar veel hinder door ondervinden. Ook daarover kan je (ver vooruit denkend) weer hetzelfde verhaal ophouden[5]. Dat zal ik niet doen.

Die ander die heeft doorgelezen heeft mij nu wel begrepen. Die ene die mijn advies in de wind sloeg (don’t they all?) en toch doorlas zal nu stellen dat ik dan ook maar met oplossingen moet komen. Als ik het dan zo goed weet.
Meneertje.
Voor die ene zal ik een oplossingsrichting opschrijven. Voor die ander is dat niet nodig, maar die mag dat gerust ook meepikken.

De oplossingsrichting zit in het diepere functioneren van een zwerm. Daar is veel onderzoek naar gedaan en onlangs zag ik op televisie Charlotte Hemelrijk (what’s in a name voor een zwermonderzoeker) die bijzonder helder kon uitleggen hoe de zwerm werkt. Dat heeft mij aan het denken gezet.
Waar men aanvankelijk dacht dat zwermen (spreeuwenzwermen met name) allerlei hogere wiskundige of transcendente voorschriften kenden (denk hierbij aan het zenuwcentrum van een verkeersknooppunt of de excelbestanden van zorgpad-minnaars en hun gedeelde geloof in hun systemen) bleek bij nader onderzoek dat spreeuwen zich maar aan een paar afspraken hielden. Die afspraken waren zoooo simpel dat ik ervan in de lach schoot.
Niet botsen, een beetje meedoen en afstand houden.
Daar komt het ongeveer op neer. Als iedere individuele spreeuw dat doet krijg je de figuren die een spreeuwenzwerm maakt.
Bedenk eens wat dergelijke simpele afspraken zouden betekenen voor het verkeer op een knooppunt of het werken in de zorg. Ze zijn toepasbaar. Je moet om dat te kunnen snappen alleen wel een beetje vooruit kunnen denken. De oplossing ligt volgens mij dus in zwermdenken.

Ik weet dat die ene hier geen genoegen mee neemt. Die wil stoplichten, voorschriften, gelijkheidsbeginsels en formulieren. Die ene zal bovendien zeggen dat ik toch vooral bekend sta om mijn botsen en mijn niet meedoen. Dus hoezo zwermdenken!
Meneertje!
Voor de ander gloort hiermee misschien hoop. In dat laatste geval: graag gedaan!

Charlotte Hemelrijk op De Wereld Leert Door over spreeuwenzwermen


[1] Ja, ik weet dat stoplichten in de verkeerskunde verkeerslichten worden genoemd. In mijn ogen zijn het echter dermate grote obstakels voor een vlotte doorstroming van het verkeer dat ik ze graag stelselmatig stoplichten blijf noemen.
[2] Mensen zullen het principe van “Shared-Space” misschien herkennen. Een concept dat wat mij betreft meer navolging en uitwerking verdiend. Al zullen weinigen dat met me eens zijn.
[3] Complexe revalidatiezorg
[4] Jaha, ik ben me bewust van deze onmogelijkheid: standaard en maatwerk lijkt niet goed te passen. Toch doen ze bij mij op mijn werk een dappere, maar vruchteloze poging.
[5] “hoe kan je nu je hoofd wegdraaien, je schouders ophalen, als je zou weten dat een dergelijke wijze van geldverspilling uiteindelijk niet alleen de zorg de nek omdraait, maar ook jouw baan als zorgverlener?”