Categoriearchief: systeem

Doorstroomrecht VMBO een goede zaak

Verschenen op Ouders & Onderwijs

In mijn woonwijk was in een straat het wegdek er slecht aan toe. Auto’s reden schade en fietsers kwamen ten val. De gemeente werd om maatregelen gevraagd. Dat deed de gemeente. Ze plaatsten een bord: “Pas op! Slecht Wegdek” en dit bord heeft er anderhalf jaar gestaan.

Doorstroomrecht

Sander Dekker brengt tot uitvoering wat de Kamer al vroeg: regel het recht om automatisch door te stromen van het VMBO naar de Havo. Vanuit het belang van de leerling is het van belang dat iedere leerling drempelvrij kan stapelen. Tot nu toe was dat niet vanzelfsprekend. Om van het VMBO naar de Havo te kunnen moest in veel gevallen aan extra eisen worden voldaan. Met een wettelijk doorstroomrecht vervallen die eisen.

Extra eisen

Voor VMBO-ers geldt dat veel scholen gebruik maken van de aanwijzingen die door hun eigen sectororganisatie (de VO-raad) zijn opgesteld. De VO-raad stelt dat een gemiddeld examencijfer van een 6,8 nodig is om kans te maken op een Havo-diploma. Daarnaast mag de Havo ook iets over de motivatie van kinderen zeggen dat een drempel kan opwerpen. Die aanwijzingen hoeven scholen niet op te volgen, maar in veel gevallen gebeurt dit wel. Door die extra eisen te schrappen wordt het voor leerlingen en hun ouders duidelijker wat er nodig is en wat hun diploma waard is.

Toch nog eisen?

Dekker heeft aangegeven na te denken over een verplicht te stellen extra vak op het VMBO. Dit lijkt toch weer op een extra drempel en het zou het voor VMBO-leerlingen lastiger maken om die keuze te maken. Een extra vak kun je immers niet drie weken voor je examen toevoegen. Het is dan ook de vraag of deze extra eis wenselijk is.

Beter lijkt het om de overgang van VMBO naar Havo extra te begeleiden. Kennelijk is de aansluiting niet gemakkelijk en totdat die aansluiting wel als vanzelf soepeler verloopt zou het redelijker zijn leerlingen extra ondersteuning te bieden, dan deze leerlingen extra eisen op te leggen.

Goed wegdek

Met het doorstroomrecht werken de staatsecretaris en de Kamer aan het verbeteren van het wegdek en kan het geplaatste bordje (de handreiking die geen wetgeving is, maar toch wel zo opgevat wordt) eindelijk verwijderd worden. Bovendien stimuleert het de scholen om te zorgen voor het verbeteren van de aansluiting, zodat extra ondersteuning op termijn niet meer nodig zal zijn.

Een goede zaak dus, dat doorstroomrecht voor leerlingen van het VMBO die naar de Havo willen.

Anders vrijwillig met de ouderbijdrage

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Er is met terugkerende aandacht veel te doen over de ouderbijdrage. Gaat het niet om schoolkosten in het algemeen, dan wel over gratis schoolboeken of de ‘verplichte’ aanschaf van iPads, laptops en tablets. De rekening van zaken wordt gemakkelijk over de schutting bij ouders geworpen.

Digitale leermiddelen

Er is veel te doen over de wijze waarop veel scholen ouders verplichten iPads, tablets, laptops aan te schaffen. In Twente is dit voor de VO-scholen op een rij gezet en het beeld is somber: er is 1 school die het echt netjes lijkt te doen. De praktijken op alle andere scholen waar volgens hun website met digitale leermiddelen wordt gewerkt zijn dubieus of gewoon fout (zie kaartje met de stand van zaken van begin november 2016).

Sommige scholen passen hun beleid aan naar aanleiding van de aandacht voor de verplichting. Andere scholen blijven volharden in hun (on)gelijk. Voor ouders is dit een ondoenlijke situatie: geef je je kind immers in handen van een organisatie die je willens en wetens bedonderd?

Het belang van een goede relatie

In de gesprekken met ouders blijkt steeds weer hoe belangrijk het voor ouders is om te kunnen vertrouwen op de school waar ze hun kind naar toe sturen. Dubieuze verplichtingen doen die relatie geen goed en maakt ouders kritisch. Desalniettemin blijft ook treffend dat ouders niet gemakkelijk klachten indienen. Voor klachten moet je bekennen dat het vertrouwen in de relatie niet oké is. Je kind moet nog wel naar school en moet daar geen last van hebben. De enkele ouder die dat wel aandurfde heeft dat ook geweten. Hij gaf aan gestopt te zijn, omwille van zijn kinderen. Die werden er namelijk op aangesproken. Een zeurende ouder wil je niet zijn, al heb je alle recht om je beklag te doen.

Gelijke kansen

Het is niet verboden voor scholen om te vragen om een vrijwillige bijdrage voor extra activiteiten. Het is van belang dat het voor ouders klip en klaar is dat die bijdrage vrijwillig is en dat er dus keuze is om te betalen. De deelname aan (verplichte) schoolactiviteiten mag niet afhankelijk gesteld worden van een bijdrage. Als je de bijdrage wél betaalt, speelt nog iets anders mee. Ongewild kun je als betalende ouder dan meewerken aan het benadrukken van de verschillen tussen kinderen. Ouders die niet de bijdrage betalen zetten hun kinderen namelijk buiten spel.

Het kan ook anders

Hoe zou het zijn als je als ouder aan het begin van het jaar een lijstje krijgt met activiteiten die de school van plan is te gaan ondernemen (voor het leerjaar/afdeling van je kind) met de vrijwillige bijdrage van ouders. In dat lijstje geven ze bovendien een volgorde aan: de activiteiten die ze als team het belangrijkst vinden, gaan als eerste door als er voldoende geld is en daarna wordt pas begonnen aan de volgende activiteit.

De weken daarna kunnen ouders hun vrijwillige bijdrage storten en kunnen ze op de site van de school zien hoever het staat. Het nodigt ouders die wat extra kunnen missen uit om iets extra te investeren, zonder dat ze daarmee de kansongelijkheid bevorderen.

Stelregel is namelijk dat iedereen aan de activiteiten meedoet: of je nu betaalt of niet. De financiele draagkracht van ouders hoeft zo niet door te werken in de deelname aan de extra activiteiten van een school.

De bijdrage is niet gelimiteerd: ouders mogen bijdragen naar draagkracht en vrijwilligheid. Het is toegestaan om als ouder naar de school te bellen en aan te geven dat je graag het verschil bijlegt als er na de sluiting van de bijdrage nog wat nodig is.

Bereidwilligheid kun je niet afdwingen

De regels rond de vrijwillige bijdrage zijn duidelijk. De regels rond de verplichte aanschaf van digitale leermiddelen ook. Ouders zijn graag bereid om naar draagkracht bij te dragen aan extra activiteiten op school. Activiteiten die het schoolleven boeiend maken. Als je als school van die basale bereidheid van ouders gebruik wilt maken moet je daar netjes om vragen. Afdwingen is verkeerd. Zeker als het over de ruggen van leerlingen gaat. De dreiging met uitsluiting van leerlingen is een manier om een bijdrage af te dwingen en dus ook verkeerd. Dat past niet bij de maatschappelijke opdracht die het onderwijs heeft.

Prikkelend

Verschenen op Ouders & Onderwijs (samen met Marieke Boon)

Voor het congres van de PO-Raad en VO-raad werden Mark Weghorst en Marieke Boon gevraagd om prikkelende gedachten over passend onderwijs op te schrijven. Bijgaand de drie korte columns.

Verantwoordelijkheid

Alle kinderen een passend onderwijsarrangement” en “geen kind meer tussen wal en schip”. De verwachtingen van passend onderwijs zijn met deze twee kreten helder uitgesproken, jaren geleden al. Wat is er van terecht gekomen? Zijn na het uitspreken van deze verwachtingen ook heldere afspraken gemaakt zodat het onderwijsveld daar op aangesproken kon worden? Wij wagen het te betwijfelen. Dan verliep de uitvoering van passend onderwijs vlekkeloos, zaten er nauwelijks kinderen thuis en waren alle scholen toegankelijk.

Na het uitspreken van deze verwachtingen door ministerie en politiek begon het grote Ja-maar-en. Termen als “handelingsverlegenheid”, “beïnvloedbare instroom”, “leerbaarheid” en “uitzonderingen en aparte hokjes” zorgden voor ventielen in het systeem van passend onderwijs. De sectorraden ondersteunden dat van harte met de een na de andere handreiking. Die handreikingen kun je in twee stapels rangschikken: in een “ja maar”-stapel en in een “ja-en”-stapel. Het tweede stapeltje: het stapeltje dat uit moet gaan van de mogelijkheden, van een vanzelfsprekend welkom bij scholen is nog een veel te klein stapeltje!

Hoe kan dit? Snapt dan niemand in het veld dat passend onderwijs alleen een succes kan worden als iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt en zelf daarin voorop gaat? Dat het voor kinderen van het grootste belang is dat ze zich welkom voelen op een school. Op welke school dan ook? En dat het ontwijken van zorgplicht, het selecteren aan de poort, het doorschuiven van “probleemgevallen” slechts symptomen zijn van een lankmoedig verantwoordelijkheidsgevoel?

Het onderwijsveld heeft met elkaar een cultuur geschapen waarin het niet alleen is toegestaan dat je iets moeilijk vindt, maar ook dat je in dat geval het probleem kwijtraakt. Dat is nog eens een effectieve probleemstrategie. Als het onderwijsveld iets moeilijk vindt, moet er geld bij, gaat het probleem naar een ander en zijn er mensen die het beter weten. Zoals wij.

Terwijl het idee zo simpel is: je spreekt uit wat je van elkaar verwacht (uitspreken), daar maak je heldere afspraken over (afspreken), waarna je een basis hebt om elkaar daarop aan te spreken (aanspreken). Op elk niveau geldt dit. Of dat nu van politiek naar veld is, van sectorraden naar besturen, van besturen naar scholen, van schoolleiders naar docenten, van docenten naar ouders en van ouders naar kinderen. Je kunt elkaar pas ergens op aanspreken als je daar heldere afspraken over hebt die je maakt op basis van wederzijdse verwachtingen.

En dat is nu juist waarom overeenstemming met ouders op het handelingsdeel ontwikkelingsperspectief zo van belang is. Het document waarin je met elkaar uitspreekt en afspreekt hoe de ondersteuning eruitziet en wat ieders rol is. Daarmee kan je elkaar ook aanspreken in de loop van het traject. Dit zou meer bureaucratie en juridisering opleveren, wordt gezegd. Waarom? Omdat we met elkaar niet in staat zijn tot uitspreken – afspreken en tot slot aanspreken?

Een onderwijsveld dat zich inspant om de afspraken rond de oorspronkelijke verwachtingen te ontduiken, verdient het om daarop aangesproken te worden. Dat dat te weinig gebeurt en dan vooral door ouders die het hardst getroffen worden, is een veeg teken. Willen we het eigenlijk wel? Alle kinderen een passend onderwijsarrangement? Geen kind meer tussen wal en schip. Wie begint er met aanspreken? Spreken scholen elkaar al aan? Op selectieve instroom van kinderen? Op afstromen van leerlingen?

De maatschappelijke opdracht is simpel: zorg dat elk kind een plek in het onderwijs heeft en wijs daarbij niet naar degene die dat moet regelen, maar regel dat zelf. Want dat is verantwoordelijk gedrag.

Het samenwerkingsverband als schaamlap

Vraag ouders wat ze van het samenwerkingsverband verwachten en het gros kijkt je schaapachtig aan. Samenwerkingsverband? In het onderwijs is het mogelijk om zulke termen te geven aan de ultieme poldercultuur. Je kind is de verantwoordelijkheid van het samenwerkingsverband. Je moet bij het samenwerkingsverband zijn. Vraag het eens aan het samenwerkingsverband.

Een verband gebruik je om een etterende wond vrij van invloeden van buitenaf te houden. Misschien dat het daarom een samenwerkingsverband heet. Want wat is het eigenlijk, dat samenwerkingsverband? Het samenwerkingsverband is de entiteit waarin alle schoolbesturen in een regio vertegenwoordigd zijn en die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het passend onderwijsaanbod in die regio. In het samenwerkingsverband worden de afspraken gemaakt en het samenwerkingsverband spreekt ook schoolbesturen aan op hun verantwoordelijkheid.

Dat aanspreken op verantwoordelijkheden is niet zo’n sterk punt van het samenwerkingsverband. Dat samenwerkingsverband ontstond toen schoolbesturen elkaar de markt uitvochten en ineens moesten gaan samenwerken. Een gedwongen huwelijk en een sluimerende etterende wond.

Voor ouders betekent het samenwerkingsverband helemaal niets. Ze willen dat hun kind welkom is op de school die ze gekozen hebben. Ze melden hun kind ook niet aan bij een schoolbestuur, maar bij een school. Ouders melden niet aan bij het samenwerkingsverband en moeten dat ook niet gaan doen. Het beste samenwerkingsverband is dat verband dat eraf kan omdat de wond niet meer ettert. Zodat zichtbaar is wie wat doet en helder is wie de afspraken wel niet nakomt.

Kansengelijkheid

Of je nu Jayden, Floor, Charissa, Achmed, Bastiaan of Gijs-Jan heet: iedereen verdient dezelfde kansen. Onderwijs moet niet worden ingedeeld in hoger en lager: de hovenier heeft een even belangrijke maatschappelijke waarde als een tandarts. Het moet niet uitmaken dat Gijs-Jan alleen maar hovenier kan worden terwijl Jayden met gemak tandarts wordt.

Voor diegenen die de vorige zin moeten teruglezen, omdat ze het gevoel hebben dat er iets niet klopt het volgende:

U lijdt aan impliciete associaties. U vond Jayden een vanzelfsprekender hovenier en Gijs-Jan verwachtte u in een witte jas. U kent noch Jayden, noch Gijs-Jan. Toch had u deze associaties en voelde het ongemakkelijk dat nu ineens Jayden de tandarts was.

Kinderen in het onderwijs lijden onder impliciete associaties. Dat geldt voor alle kinderen. Zo kunt u zich voorstellen dat het grote aantal vrouwen voor de klas iets impliceert voor het omgaan met drukke jongens. Of gewone jongens. Die zijn nu eenmaal wat drukker, wat fysieker. De verdeling jongens en meisjes in het speciaal onderwijs laat dit ook zien: u heeft last van jongens. En u heeft de veronderstelling dat u geen last hoeft te hebben.

Voor passend onderwijs heeft dit grote consequenties. De eerste jaren is passend onderwijs gedomineerd door de ouders van kinderen die zich konden organiseren, die zich goed konden verwoorden en die de problemen met het passend onderwijs goed konden agenderen. Daar bent u met zijn allen druk mee geweest en nog steeds bent u daar het drukst mee.

Hoe zou het in uw scholen zijn met de kinderen die eigenlijk passender onderwijs nodig hebben, maar dit nu nog niet helemaal hebben, maar waarbij de ouders niet mondig, assertief en georganiseerd zijn? Zeg maar de ouders van Floor en Bastiaan? Daar hadden we u weer. De ouders van Floor en Bastiaan kent u toch doorgaans als assertief, betrokken en betrouwbaar. Charissa en Achmed: dìe hebben ouders die niet betrokken zijn.

We helpen u uit de droom: alle ouders zijn betrokken bij hun kinderen. Alle ouders willen graag dat hun kind welkom is op de school waar het zit. U bent verantwoordelijk voor het zo goed mogelijk aanpassen van het onderwijs aan de individuele behoeftes van de kinderen. Of ze nu Jayden, Floor, Charissa, Achmed, Bastiaan of Gijs-Jan heten.

Er is nog veel te doen en er zal altijd nog veel te doen zijn. Daar leveren ook wij graag een bijdrage aan.

Mark Weghorst & Marieke Boon, Ouders & Onderwijs

Ouders zijn geen professional

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Tijdens de thuiszitterstop verzorgde Ouders & Onderwijs onderstaande inleiding voor het gesprek over Ouders als partner. Ter informatie hierbij de volledige tekst. In het thuiszitterspact is overigens geregeld dat ouders vanaf het begin betrokken moeten worden in het overleg over hun kinderen. Ouders &  Onderwijs omarmt die afspraak, net als vele oudergroepen, van harte. 

Ouders aan tafel

Ik ben gevraagd om een inleiding te geven voor deze gespreksronde. Ik ben ouder, maar hier vooral als adviseur van Ouders & Onderwijs, waar ik me nauw bezighoud met de situaties rond thuiszitten. Alle situaties van thuiszitten kennen hun eigen individuele schrijnende geschiedenis. Ze zijn divers, niet eenduidig en ook oplossingen zijn nooit eenduidig. Er zijn wel parallellen te ontdekken. Maar eerst een kort voorbeeld:

Anne, moeder van Ruud, werd uitgenodigd voor een overleg door de mentor van Ruud. Ruud was al een tijdje thuis, hij voelde zich niet lekker, ging niet graag naar school. Anne gaat nietsvermoedend naar school voor het overleg. Daar wordt ze geconfronteerd met een vergadertafel waar niet alleen de mentor, maar ook de zorg coördinator, de schoolarts, de leerplichtambtenaar en een stagiaire zijn aangeschoven. Anne voelt zich geïntimideerd, maar weet zich te onthouden van toezeggingen. Die werden wel gevraagd.

In alle situaties die we bij Ouders & Onderwijs horen en meemaken gaat er iets mis in de communicatie. Het is ouders niet duidelijk, het is kinderen niet duidelijk of het is school niet duidelijk hoe dingen moeten verlopen. Partijen zijn te hard bezig elkaar te overtuigen en hoe harder ze dat proberen hoe minder dat lukt. Procedures zijn niet altijd voor iedereen even duidelijk en de informatievoorziening is niet op orde.
Preventief zou het helpen als ouders, kind en school vanaf hun komst op school regelmatig met elkaar de afspraken ijken. Dan zouden alle partijen zich vanzelfsprekender in de afspraken herkennen.

In alle situaties spelen opvattingen over de rol en positie van deelnemers aan overleg een cruciale rol. Daarbij geldt de wetmatigheid dat hoe meer er naar de ander gewezen wordt, hoe verder de oplossing weg is. Ouders vinden dat school verantwoordelijkheid moet nemen, school vindt dat ouders beter hun best moeten doen en het kind is het sluitstuk van die openstaande rekening. Maar alles begint steeds bij de manier waarop de relatie in eerste instantie tot stand is gekomen.

Deze overlegtafel gaat over “ouders als partner”. Voor mij een vanzelfsprekendheid. Daar waar het over kinderen gaat horen die kinderen, of hun vertegenwoordigers mee te kunnen praten. Die vanzelfsprekendheid is nog lang niet overal het geval. Daar gaan we het hier over hebben. Hoe krijg je die vanzelfsprekendheid bij iedereen in de genen. Daarbij nog twee overwegingen:

  1. Ik heb grote bewondering voor de inspanningen die vanaf de kant van het ministerie, de vakorganisaties, de koepels en de toezichthouders worden gedaan om het probleem van de relatie tussen ouders-school-kinderen te helpen oplossen. De echte oplossing kan volgens mij alleen op zeer lokaal niveau: tussen kind, ouder en school tot stand komen. Regels helpen de communicatie niet; goede intenties van betrokkenen wel.
  2. Ouders als partner veronderstelt iets van gelijkheid. Het is van belang voor het begrip om te benadrukken dat ouders nooit professional in het overleg zijn, hoe ervaringsdeskundig zij ook zijn. Ouders zijn 24/7 betrokken bij hun kind en dat is het belangrijkste verschil tussen professionals en ouders, wanneer ze aan één tafel zitten. Een oplossing kan dan ook alleen werken als deze gedragen kan worden door de ouder(s). De meest ideale oplossing is daarmee niet altijd de beste, maar wel de werkbaarste.

Anne was van beroep hulpverlener. Toch voelde ze zich vooral als moeder geïntimideerd. De volgende gesprekken werden voorbereid door haarzelf. Wie zit er waarom aan tafel en wat is het doel van het gesprek. Anne oogstte daarmee veel bewondering. Ze was alleen zelf meer professional dan moeder. Ze voelde zich als moeder in het overleg niet serieus genomen en ze voelde zich regelmatig schuldig naar Ruud. Ruud zat een tijd thuis en het gehannes in de communicatie versterkte zijn schoolangst. Hij is goed terecht gekomen. Hij vond een plek bij een schoolleider die hem wel graag wilde helpen, die vanaf het eerste moment werkte aan een goede overlegrelatie met de ouders van Ruud en die het ook volhield toen de regels niet meewerkten.

Als startvraag kom ik terug op wat ik zonet aangaf: hoe kun je zorgen dat het voor elke professional vanzelfsprekend wordt om ouders vanaf het eerste begin te betrekken. Hoe zorg je ervoor dat je als ouder geen professional hoeft te zijn om met onderwijsprofessionals te praten.

Passend onderwijs nog geen succes

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Passend onderwijs is twee jaar op gang. Naast een aantal belangrijke wijzigingen heeft het nog niet gebracht wat verwacht werd: voor ieder kind passend onderwijs; zo thuisnabij mogelijk. Pas deze week werd de afspraak dat ouders en kinderen vanaf het eerste begin betrokken moeten worden van kracht. In veel regio’s is dit een goede praktijk en daar waar dit stelselmatig wordt uitgevoerd gaat het ook met passend onderwijs een stuk beter. Er blijven echter teveel regio’s te ver achter. Het is dan ook tijd voor een beschouwing.

Er zijn grofweg vier redenen te noemen voor het feit dat passend onderwijs nog geen succes is. Het uitgangspunt is namelijk dat de ideeën achter passend onderwijs zeer deugdzaam zijn en goede kans biedt op successen. Ze bieden een goed kader om de onderwijspraktijk in te richten en ze lossen op wat er scheef zat in het vorige stelsel. Mits goed uitgevoerd.

Ventielen

De eerste reden dat het nog niet werkt is gelegen aan de ventielen in passend onderwijs. De oorspronkelijke gedachte paste veel meer bij inclusief onderwijs dan de praktijk van vandaag is. Het is in de loop van het wetgevingstraject steeds onduidelijker geworden. Het is aan scholen zelf om te stellen dat ze handelingsverlegen zijn. Op het moment dat ze dat zijn betekent dat in veel gevallen bijna automatisch dat ze hun probleem hebben opgelost. Zij hadden namelijk een probleem met een leerling en door zichzelf handelingsverlegen te verklaren, is het probleem op het bordje van iemand anders komen te liggen. Deze voor de school effectieve oplossingsstrategie maakt dat er nog steeds met leerlingen geschoven wordt. Hoe vanzelfsprekend zou het zijn dat je, juist in het onderwijs, als je iets niet kan, te horen krijgt dat iemand je gaat helpen om dat onder de knie te krijgen. En totdat je het zelf kunt zorgen we ervoor dat het actuele probleem opgelost gaat worden.

Ontheffingen

De tweede reden is het feit dat ook aan de andere kant ventielen bestaan. Die zitten in de ontheffingen voor de leerplichtwet. Met name de toename van de ontheffing 5 onder a is bijzonder. Het is niet zo dat er ineens veel meer kinderen zijn die lichamelijk of psychisch niet in staat zijn om naar school te gaan. Inmiddels wordt hier actie op ondernomen en zijn gemeenten gevraagd om toe te zien op de toepassing van deze ontheffingen. Het roept in ieder geval vragen op over de mate waarin scholen in staat zijn om met verschillen tussen leerlingen om te gaan.

Thuiszitters

Een derde reden waarom passend onderwijs nog geen succes is, is gelegen in de aanpak van thuiszitters. Of beter: het gebrek aan aanpak van het thuiszittersprobleem. Ook hier weer zijn er evenzoveel goede als slechte voorbeelden. Kern is wel dat het aantal thuiszitters niet is afgenomen. De druk in het schoolsysteem is enorm en die lijkt zijn eindpunt te vinden in met name deze groep leerlingen. Bij die druk in het systeem is het opmerkelijk dat hoe hoger de druk is hoe nadrukkelijker er naar anderen gewezen wordt voor de oplossing. Voor een kind geldt dat het op ontzettend veel momenten de maat genomen wordt. Bij iedere overgang van het ene naar het andere leerjaar zijn normen vastgesteld. Verschillen tussen kinderen doen er daarbij niet toe. Iedereen weet inmiddels dat zittenblijven een slecht plan is voor de ontwikkeling van kinderen. Het is namelijk helemaal geen oplossing. Zittenblijven is een jaar lang straf vanwege die ene maatvoering. Als diezelfde maatvoering pas aan het eind, bij bijvoorbeeld een diploma zou plaatsvinden, zou er meer ontspanning in het systeem komen. Scholen zijn vrij om het in te richten zoals zij het willen, maar verschuilen zich graag achter de regels.

Regels of oplossingen

Een vierde en laatste reden is dat regels slechts kaderstellend zijn, maar gebruikt worden om problemen op te lossen. Een goede oplossing heeft geen regel nodig en een goede regel mag een goede oplossing nooit in de weg staan. Passend onderwijs gaat in hoge mate om het oplossen van situaties waar niet altijd regels voor te bedenken zijn. Er is veel meer mogelijk dan in regels te vervatten is en het is aan het gehele overleg (inclusief ouders) om de verantwoordelijkheid voor de gekozen oplossing te dragen. Het niet volgen van de regels en het zoeken naar unieke oplossingen voor unieke problemen is geen gewoonte in het onderwijs. Het levert ook geen extra punten op en vindt (nog) nergens bevestiging. Een goede unieke oplossing is iets waar een leerkracht of docent alleen zelf, stilletjes blij van kan worden. Niet te hard, omdat er anders iemand komt vertellen dat de regels zijn overtreden. Stel met elkaar de enig belangrijke regel: een goede regel vervalt als de oplossing beter is.

Lef, durf en moed

Met de afspraken uit het thuiszitterspact op de laatste thuiszitterstop, de brede coalities (zoals LANSbrekers) om bovenstaande oorzaken weg te nemen en de uitvloeisels van het recht op een inclusieve samenleving kan het niet anders dan dat passend onderwijs uiteindelijk toch een succes gaat worden. Het echte werk moet op de werkvloer gedaan worden en niet door mensen die goed de regels uit kunnen voeren. Het gaat vooral om het handelen in de geest van de wet, in de geest van de bedoeling van passend onderwijs: dat ieder kind passend onderwijs krijgt, zo thuisnabij mogelijk. Daar is lef, durf en moed voor nodig. Het is aan iedereen om die mensen in de praktijk met lef, durf en moed te gaan zien en te gaan waarderen. Alleen dan kunnen we samen dit proces versterken.

De kansen van het huisbezoek

Verschenen op Ouders & Onderwijs 

Zo nu en dan komt het belang van huisbezoek in het onderwijs voorbij. Ik denk dan terug aan de kleuterjaren van mijn kroost. Toen ze net oud genoeg waren om het goed te beseffen kwam de aankondiging van het huisbezoek: juf zou thuis een kopje thee komen drinken. Voor mijn beide kinderen was dit een bijzondere gebeurtenis. Voor de juf een leuke gelegenheid om ons thuis te leren kennen.

De onderwijsinspectie deed onlangs uitspraken over kansenongelijkheid in het onderwijs. In haar rapport De Staat van het Onderwijs stelt ze bijvoorbeeld dat het opleidingsniveau en het inkomen van ouders van grote invloed is op de kansen die kinderen krijgen. In dat licht is het goed om nog eens naar het huisbezoek kijken.
Het is bekend, door langlopend internationaal onderzoek naar vooroordelen, dat alle mensen vooroordelen hebben. Deze spelen zich voor een belangrijk deel op onbewust niveau. Over de vooroordelen op bewust niveau kunnen we het met elkaar hebben. Voor wat betreft de vooroordelen op onbewust niveau geldt eerst dat er bewustwording moet plaatsvinden, voordat je het er over kunt hebben.

Leerkrachten en docenten behoren tot de groep hoger opgeleiden. De groep hoger opgeleiden wordt door de Onderwijsinspectie aangewezen als de meest kansrijke groep bij schoolgaande kinderen. In deze groep is er meer besef van het belang van diploma’s en is er meer toegang tot manieren (huiswerkbegeleiding, toets-trainingen, etc) om de kansen te vergroten. De vooroordelen van deze groep worden gekleurd door hun eigen referentiekader (zoals dat gaat met vooroordelen).

Terug naar de kleuterjuf van mijn kinderen. Zij zag tijdens haar huisbezoek bij ons een schoon en opgeruimd huis met mooie en nieuwe spullen, zij zag een boekenkast met literatuur die de nodige algemene ontwikkeling deed vermoeden, ze kon kiezen uit verschillende soorten thee, kreeg een taartje dat samen met mijn kinderen gebakken was. Ons huis ademt dat we het financieel goed hebben.

Gegeven de opmerkingen in De Staat van het Onderwijs hebben we daar goed aan gedaan. Mijn kinderen werden daardoor hoog ingeschat, kregen gemakkelijker het voordeel van de twijfel en kregen een hoger schooladvies.  Bij ieder selectiemoment viel voor hun het muntje de goede kant op. Het roept echter ook vragen op over de ouders in die andere groep: de laagopgeleide en niet-rijke ouder. Hoe werkt daar het huisbezoek door, gegeven het feit dat alle leerkrachten (onbewuste) vooroordelen hebben die nog eens versterkt worden door hun eigen referentiekader. Versterkt het huisbezoek de kansongelijkheid of vermindert het huisbezoek dat juist?

Iedereen die wel eens de impliciete associatietesten heeft ingevuld weet hoe confronterend het kan zijn om te merken dat je vooroordelen hebt. Zeker als je jezelf rekent tot de weldenkende elite van de maatschappij. Juist voor die groep is het van groot belang te beseffen dat die vooroordelen er zijn en dat je altijd door JOUW ogen naar de wereld kijkt. Bewustwording van die vooroordelen kan helpen om alle kinderen eerlijke kansen te bieden. Alleen dan is een huisbezoek zinvol en bijdragend aan het begrip van kinderen in hun context.

Onderwijsdata gebruiken

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Het artikel over de Nieuwe School van Diederik Samsom en Erik van ’t Zelfde deed de nodige stof opwaaien. Erik van ’t Zelfde is de directeur van een zeer succesvolle school, de Hugo de Groot in Rotterdam. Reden om eens te kijken bij de openbare data die voor iedere geïnteresseerde te vinden is op www.scholenopdekaart.nl. 

Deze data zijn door ouders te gebruiken om een keuze te kunnen maken tussen verschillende scholen.  Naast een schoolbezoek (liefst buiten de open dagen om als de school in “normaal” bedrijf is) en de informatie uit de schoolgids geeft dit een goede indicatie van de school.

Hugo de Groot

De Hugo de Groot heeft extreem hoge resultaten op de examens voor alle niveaus. Het is dan, als koude-grond-data-analist goed om te kijken of die resultaten de hele school doorgaan.

Het kan namelijk zijn dat de hoge examenresultaten het gevolg zijn van een scherpe voorselectie in het pre-examenjaar. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het percentage kinderen dat niet ononderbroken de bovenbouw doorloopt. Als dat hoog is (dus als er veel kinderen blijven zitten) kunnen de examenresultaten hoog zijn: de goeden gaan immers door.

De schoolloopbaan in de onderbouw is te vinden op Scholen-op-de-kaart. Ook daar gaat het om het cijfer van ononderbroken de onderbouw doorkomen. Als veel kinderen zonder zittenblijven de onderbouw doorkomen kan dit betekenen dat de selectie aan de poort (bij aanmelding) hoog is, of dat zittenblijven verboden is: als een kind niet voldoet aan de eisen om te worden bevorderd stroomt het af naar een lager niveau.

Bij de Hugo de Groot is alles, wat de data betreft, dik in orde. Er is niet alleen een extreem hoog examenresultaat: de resultaten zijn ook hoog in de doorstroom en de loopbaan van de kinderen. Dit zou dus zomaar een echt goede school kunnen zijn. Een school waar het zelfvertrouwen dat Erik van ’t Zelfde uitstraalt, goede gevolgen heeft voor het onderwijsteam en daarmee ook voor de kinderen die zijn school bezoeken.

Adder onder het gras

Er zit bij de onderwijsdata een adder onder het gras: van geen enkele school zijn de absolute leerlinggegevens beschikbaar. Die zijn nodig om zicht te krijgen op het aantal afstromers of uitstromers. Hoeveel kinderen beginnen aan een school en hoeveel komen er aan de eindstreep? En wat gebeurt er met de kinderen die de school verlaten? Waar gaan die naar toe?

Andere cijfers van het ministerie (onderwijs in cijfers) zijn wel te vinden, maar die zijn niet goed herleidbaar tot individuele scholen.

Inzicht in data

Voor ouders biedt Scholen-op-de-kaart dus een gedeeltelijke inkijk in de resultaten van scholen. Daarbij is het voor ouders belangrijk te weten wat ze willen voor hun kinderen.

  • Wilt u een school waar uw kind de kans krijgt, ook als het niet allemaal meteen lukt, maar wel de mogelijkheid houdt om door te gaan op de ingeslagen weg? Dan zou een school met iets lagere examenresultaten en een beperkte doorstroom zomaar geschikt kunnen zijn. Daar immers doen meer leerlingen mee aan het eindexamen dan er uiteindelijk slagen. Er krijgen er dus veel de kans.
  • Wilt u een school waar de resultaten gegarandeerd zijn? Kies dan een school met goede resultaten en bedenk dat dat niets zegt over het eindniveau van uw kind. Uw kind kan onderweg gemakkelijk struikelen en één of zelfs twee niveaus lager terecht komen. Dàar heeft het dan wel een bijna gegarandeerd resultaat.

Disclaimer

Data zeggen niet alles over de kwaliteit van het onderwijs. Bij scholen gaat het naast de wijze waarop ze kinderen kansen geven en zelf risico’s nemen ook om de kwaliteit van het onderwijs. Die is voor een goede lezer te vinden op de site van de onderwijsinspectie (en via een tabblad bij Scholen-op-de-kaart). Ook hier geldt dat cijfers en data niet alles zeggen. Een school leren kennen door alleen de data over die school is, met de beperkte beschikbaarheid van data, nu nog niet mogelijk.

Schoolbezoek

Er gaat niets boven een schoolbezoek, om te kijken of uw kind past bij de cultuur op die school. Daarbij kunt u immers zelf ook letten op hele specifieke zaken. Scholen-op-de-kaart is steeds in ontwikkeling en er komt steeds meer informatie beschikbaar. Hoe meer informatie beschikbaar komt en  hoe beter ook de data in hun context te presenteren zijn hoe bruikbaarder scholen-op-de-kaart zal worden.

Losjes

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Gisteren luisterde ik de podcast van een interview met Andre Manuel, artiest, held en vrijdenker uit mijn landstreek. Een mooi interview en de moeite van het luisteren waard. Het kwam te pas*, om het in termen van mijn landstreek te zeggen. De afgelopen dagen waren druk voor de onderwijszaak. Er was de discussie over dyslexieverklaringen en het ging ook weer over passend onderwijs, de rekentoets en de waarde van diploma’s. En daar was ineens Andre Manuel die de term “losjes” introduceerde.

Andre Manuel vindt dat zijn kind “losjes” mag beginnen. Hij vertelde over zijn eigen onderwijs dat hij zich naast af- en opstromen herinnerde door uitzonderlijke leraren die precies daar raakten waar het fijn voelt. Hij vertelde over de toevalligheid van wonen in een dorp waar twee oude jongeren een boerderij kraakten en er een vrijplaats voor jongeren van maakten. Hij was in de buurt, erbij en betrokken. Hij begon “losjes”, gitaar op de heup en zonder al te veel pretenties.

Vanochtend hoorde ik het bericht dat het gebruik van antidepressiva onder jongeren beneden de 21 jaar toeneemt. Het aantal voorschriften voor ADHD-medicatie neemt al jaren toe en ook het aantal dyslexieverklaringen neemt een grote vlucht. Zou het misschien te maken kunnen hebben met de eisen die we stellen aan kinderen? En mogen dingen ook gewoon soms moeilijk zijn? Mag je gewoon soms van het pad raken? Mag je nog gewoon falen voor sommige dingen? En dat je sommige dingen gewoon niet kan?

Mijn zoon kiest zijn profiel dit jaar. Hij heeft geen idee en ik heb net zoveel idee. Het is een goed jong en samen hebben we veel vertrouwen in zijn toekomst. Een toekomst die vooral bestaat uit de dag van morgen en de volgende wedstrijd. In zijn eerste sollicitatiebrief deze week schreef hij dat hij vooral wil dat mensen het goed naar hun zin hebben. Dat zijn goede vooruitzichten.

Mijn dochter begon met studeren dit jaar. Zij zag zich door het leenstelsel gedwongen te tekenen voor een lening die grote gelijkenis vertoont met het soort leningen waar in 2008 de wereld bijna over struikelde. De dekking is onduidelijk, het onderpand moet nog gecreëerd worden en de lening moet worden aangegaan voor een studie zonder keiharde baangarantie. Ze heeft het er naar haar zin, doet leuke dingen, vermaakt zich en geeft dáárdoor vertrouwen.

Voor beiden geldt hopelijk dat ze ondanks hun grote gebeurtenissen dit jaar, die vooral toch ook “losjes” gaan invullen. Wat mij betreft mag dat het motto worden: “losjes”. Misschien maakt dat het onderwijs, de zorg, het wonen, het samenleven wel wat gemakkelijker. En levert het minder gedoe, minder recepten, minder uitvallers op. Bij “losjes” hoort namelijk ook de afwezigheid van teveel regels. Vooral doen! Experimenteren, klooien, prutsen. Net zolang als nodig is. Misschien wel een mensenleven.

* te pas: Twents voor “op het goede moment”

Down and out: recht op ongelijke behandeling

Verschenen op Ouders & Onderwijs

De jongedame waar ik in het blog “Down and out” over schreef kreeg testresultaten. Deskundigen hebben met hun deskundige blik gekeken naar haar ontwikkeling en daar hun oordeel over geveld. Op gebied van taal had ze twee jaar achterstand en met haar motorische ontwikkeling ruim een jaar.

Da’s gek. Zoals ik deze jongedame ken had ze helemaal geen achterstanden. Ze deed precies de dingen die ze kon en liet zich uitdagen om een stapje extra te doen. Zo herhaalde ze mijn kiekebèèh-spelletje met het schaap. Ik dacht nog eens dieper na over de implicatie van het oordeel van de deskundigen.

De achterstanden waren namelijk gerelateerd aan wat de deskundigen bestempelen als een “normale” ontwikkeling. Daar is lang over nagedacht en er zal ook best een reden voor zijn om iets als “normaal” te bestempelen. Het zijn de lijntjes van het consultatiebureau waar je binnen moet blijven. Voor de jongedame in kwestie valt het echter niet zo gunstig uit.

Gerekend naar wat “normaal” is doet ze het namelijk erg beroerd. Dat is wat ouders, opa’s en oma’s voelen: dat de ontwikkeling beroerd verloopt. Als je het relateert aan een “normale” ontwikkeling dan is dat ook zo. De test was een opmaat naar de schoolgang van deze jongedame. De schoolgang op een reguliere school. Reguliere scholen leggen zich vooral toe op het onderwijzen van kinderen met een “normale” ontwikkeling. De afwijking van wat “normaal” is moet niet te groot zijn. Het moet binnen de lijntjes passen. Anders ontstaat er namelijk een specifieke onderwijsbehoefte.

Deze jongedame vertelde me, terwijl ze niet praten kan, dat ze graag wilde ontwikkelen. Dat ze graag volgende stappen wilde zetten. Ze was zeer goed in staat met mij contact te maken, zichzelf duidelijk te maken en een spelletje met mij te spelen. Ze wilde, net als alle andere kinderen, naar school om daar vervolg aan te geven. Gaat het onderzoek haar helpen of wordt dat onderzoek de scherprechter die voor haar de poort gesloten houdt. De poort naar regulier onderwijs.

Zou regulier onderwijs niet gebaat zijn bij het uitgangspunt dat ieder kind dat zich wil ontwikkelen welkom is? Of moet het zo zijn dat alleen de minst-afwijkenden mogen profiteren van een reguliere school. Wordt het niet tijd voor denken in termen van ontwikkeling in plaats van resultaat? Zou het voor deze jongedame niet erg prettig zijn als haar ontwikkeling bezien wordt binnen haar eigen lijntjes? Dat ze vooral vergeleken wordt met zichzelf?

Dan was namelijk opgevallen dat ze zich helemaal niet zo ongebruikelijk ontwikkelde. Ze maakt stappen, soms gaat de ontwikkeling snel, soms duurt het wat langer, maar ze is steeds in beweging. Ten opzichte van haar geboorte heeft ze megasprongen in haar ontwikkeling gemaakt. Ze heeft een heleboel functies die nodig zijn voor ontwikkeling al ontwikkeld. Ze kan contact maken, ze kan communiceren, ze kan schoenen van laarzen onderscheiden, ze weet waar haar oma de pot met snoepjes heeft staan, ze kent concepten als een stoel, een bank en een tafel, ze weet dat je een glas nodig hebt om uit te drinken. Eigenlijk gaat het gewoon heel erg “normaal” met deze jongedame.

Deze jongedame heeft het nodig om haar ontwikkeling te zien in het licht van … haar eigen ontwikkeling! Deze jongedame heeft mijns inziens het recht om ongelijk behandeld te worden. Zij heeft het recht om gezien te worden zoals ze zelf is, zoals ze zelf ontwikkelt, zoals ze zelf vorderingen maakt. Dat dat niet hetzelfde is als de “normale” ontwikkeling van het consultatiebureau en de reguliere school snap ik. Maar wiens probleem is dat nou helemaal? Toch niet van deze jongedame?

Down and out: over afwijzing en uitsluiting

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Onlangs op een feestje kwam ik in gesprek met een moeder van een dochter met down-syndroom. Ik had een klik met de dochter. We speelden met een schaap die kiekebèèh-de. Moeder vertelde dat ze nu al op zoek was naar een school voor haar dochter. Haar dochter zou over acht maanden pas vier jaar worden, maar vanwege het down-syndroom voorzag ze problemen bij de aanmelding op een school. Ze woonde in een grote stad met legio mogelijkheden.

Zorgplicht
Passend onderwijs zorgt ervoor dat ouders niet meer met kinderen langs scholen hoeven te leuren. Je meldt je kind aan, de zorgplicht treedt in werking en de school zet alles op alles om te zorgen voor goed passend onderwijs. Het liefst op de eigen school en in uiterste gevallen ergens in de buurt op een nog betere school. Alles in goed overleg met de ouders.

Niet welkom
Deze moeder kende, ondanks dat haar dochter haar oudste kind was, al de praktijk van passend onderwijs. Ze had een school gebeld, waarvan de schoolvisie aansprak. In het telefoongesprek werd ze twee keer doorverbonden en trof uiteindelijk een zorgcoördinator. Deze zorgcoördinator gaf aan dat, voordat duidelijk was of haar dochter de school kon bezoeken, alle onderzoeks- en medische gegevens bij elkaar gebracht moesten worden. De school kon op grond daarvan kijken wat ze konden bieden.

Medische gegevens
Medische gegevens horen niet op een school. Medische gegevens vallen onder het medisch beroepsgeheim en worden gedeeld met een arts. Op de meeste scholen is geen arts actief. Sterker nog: op bijna geen enkele school is een arts actief. Vragen om medische gegevens is dan ook uit den boze. Een verslag waar de onderwijsbehoefte uit blijkt is voldoende. Ook onderzoeksgegevens hoeven niet te worden overhandigd als niet duidelijk is dat iemand met de competentie om deze te analyseren ze in handen krijgt. Leerkrachten en intern begeleiders hebben die competentie niet.

Informatieplicht
Of zoals Arnold Jonk, hoofdinspecteur primair onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs, het onlangs op de sociale media stelde: ouders hebben geen informatieplicht bij de aanmelding van een kind. De informatie over een kind heeft geen invloed op de zorgplicht. Informatie over een kind kan door de zorgplicht nooit de toelating bemoeilijken. In het geval van de dochter, die inmiddels met mijn veters bezig was, viel te betwijfelen of er voldoende zicht was op onderwijsbehoeftes. Ze was immers nog maar 3 jaar oud en vooral nog kind.

De tweede school slaakte een diepe zucht. Ze hadden al erg veel aanmeldingen voor de groep waarin over 8 maanden de dochter van deze moeder zou beginnen. Daar zaten ook al kinderen bij waar “wat mee was”. Maar ze moest het zelf weten, vertelden ze. De moeder gaf daarop aan nog wel even verder te kijken. Een derde school somde een uitgebreide procedure op die moest helpen om het kind op de goede plek te kunnen krijgen. Dat zou natuurlijk, in het geval van de dochter, ook een speciale school kunnen zijn. Moeder wist genoeg.

Weigeren?
Scholen mogen een aanmelding niet weigeren. Ouders zijn vrij om hun kind aan te melden op een school naar keuze. Ook als dit speciaal onderwijs is. Moeder wilde graag dat haar dochter een aantal jaren zou meedraaien op een gewone school. Haar dochter was nog maar drie jaar en werd al ver voor haar eerste schooldag door drie achtereenvolgende scholen afgewezen. Zo voelde het in ieder geval voor moeder.

Welkom!
Hoe anders was dat op de vierde school. De vierde school waarvan ze een aantal leerkrachten herkende omdat ze die had ontmoet op een cursus die zij in het belang van haar dochter volgde. Op deze school waren ze bekend met kinderen met down-syndroom, zagen ze de uitdaging, de toegevoegde waarde én ook de moeilijkheden. Maar moeder moest vooral eens komen met haar dochter. Om de school te “proeven”. Deze school deed alles aan een attitude waarin “welkom” verscholen lag. En precies dat had moeder bij de andere scholen gemist.

Afrekenen
Kennissen uit het onderwijs hadden haar verteld hoe scholen worden afgerekend op resultaten en dat het daardoor voor haar dochter wel moeilijk zou zijn om een school te vinden. Gelukkig is dat niet het geval. Als scholen een goed plan hebben en kunnen laten zien waarom ze de keuzes maken die ze maken kunnen ze zelfs echt inclusief werken. Er is geen onderwijsinspectie die hen daarin tegenhoudt. Misschien zijn het schoolbesturen, schoolleiders of leerkrachten die deze ideeën levend houden. Er zijn immers voldoende mogelijkheden voor maatwerk.

Samenleving in het klein
Het is het minste dat scholen kunnen doen als een ouder met een kind met een bijzondere onderwijsbehoefte aanklopt bij een school: welkom heten. Het is meteen ook het gemakkelijkste om te doen. Voor ieder kind moet er immers een plek in de samenleving zijn. De school is niet meer en niet minder dan een samenleving in het klein. Uitsluiting van kinderen hoort daar niet bij. Hoe moet een jongvolwassene ooit een plek in de samenleving vinden als er als kind al teveel ervaring is opgedaan met afwijzing en uitsluiting.

Inclusief
Alle kinderen en jongeren, met of zonder beperking, hebben recht op inclusief onderwijs. Dit recht is neergelegd in het VN-Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK) en, in 2006, in het VN-Verdrag voor de rechten van personen met een handicap (IVRPH). Naar verwachting zal Nederland in 2016 het IVRPH bekrachtigen. Dit betekent dat ook de moeder van de dochter, die inmiddels al een heel eind komt met het vastmaken van mijn veters, voor haar dochter mag vragen om inclusief onderwijs.
Dat recht ligt bij het kind, bij de ouders van dat kind en niet bij de scholen of de schoolbesturen. De inrichting van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs houdt nog maar weinig rekening met deze rechten. Een systeem met reguliere- en speciale scholen is per definitie nooit inclusief. Het is een uitsluitend systeem waarbij op basis van handicaps keuzes gemaakt worden. Begrijpelijk, gezien de nabije geschiedenis, onbegrijpelijk als je de implicaties van deze keuzes doorziet.

Hart gestolen
Hoe gaat het met de dochter verder. De dochter die het kiekebèèh-schaap erbij gepakt heeft om haar te helpen om mijn veters strikken. Ze is, drie jaar oud, nu al bezig met haar eerste afwijzingen. In het huidige systeem is het voor haar moeder zoeken naar een welkome plek. Zoals het er nu uit ziet heeft ze die plek gevonden. Dat betekent iedere dag vijftien minuten fietsen, terwijl er binnen die vijftien minuten fietsen misschien wel 12 scholen te vinden zijn die ook een welkom hadden kunnen regelen. Hulde voor de school die een gewoon warm welkom gaf aan deze dochter. Die met haar pogingen om mijn veters te strikken in ieder geval mijn hart gestolen heeft.