Categoriearchief: Theorie

Jeugdgezondheidszorg als arbodienst: fase 2

Verschenen op Ouders & Onderwijs

We berichtten eerder over de test die we met behulp van een ouder waren begonnen. Mariska had voor haar zoon de hulp van een jeugdarts ingeroepen en het vervolg kwam deze week.

Fase 2

Mariska meldde haar zeer goede ervaring met het gesprek met de jeugdarts. Deze nam ruim de tijd om alle (medische) gegevens op een rij te zetten en met Mariska samen te kijken naar een goede aanpak voor de komende periode. Zo kwam er een plan uit waar, zo stelde Mariska, zelfs dingen in zaten die ze zelf niet had bedacht.

De jeugdarts hield naast de medische omstandigheden namelijk ook rekening met de taken van haar zoon als (jonge) mantelzorger. Iets dat ze zelf in eerste instantie over het hoofd had gezien. Daarnaast kwamen er ook een aantal praktische “wat-als”-afspraken waarmee haar zoon zelf op school uit de voeten zou kunnen.

De regie voor het communiceren van de afspraken neemt Mariska graag op zich. Hoewel ze inziet dat de opzet helpend kan zijn voor de voortgang van haar zoon heeft ze met de jeugdarts ook vastgesteld dat het wel ambitieus is. Ambitieus, maar zeker ook haalbaar. Ze gaat het zien.

Andere reacties

Er kwamen veel reacties op het vorige bericht. Niet iedere ouder vond het een goed idee dat de jeugdarts zich met zaken rond schooluitval zou gaan bemoeien. De jeugdarts zou niet capabel zijn, de eigen behandelaren of huisartsen zouden het voldoende weten.

Wellicht klopt dat. Het is echter belangrijk dat de vragen weer gesteld worden aan jeugdartsen, zodat de kennis en kunde daar weer in ontwikkeling komt. Hoewel de situatie al lang zo is dat ouders op deze manier van de jeugdarts gebruik kunnen maken is het een beetje in onbruik geraakt. De jeugdarts komt in groep 7 en in de tweede klas nog een keer. Daarmee heb je het wel gehad. En er waren bij de reageerders toch ook veel ouders die niet wisten van deze mogelijkheid.

De preventieve en/of toetsende rol bij medische situaties kan echter zeer welkom zijn voor kinderen. Zoals in het geval van Mariska die er baat bij zal hebben dat er een goed, medisch onderbouwd plan ligt waarover ze gemakkelijk met school in gesprek kan. Voor de school is de extra ondersteuning welkom (ze kunnen immers niet alles zelf) en in preventieve zin kan het zittenblijven, stagnerende leerloopbanen en erger helpen voorkomen.

Mariska heeft door de rol die ze speelt inmiddels ook een ambassadeursfunctie en heeft verschillende ouders al uitgelegd over de mogelijkheden die ze zelf heeft ervaren. Op verschillende plekken in het land zijn er momenteel ouders die de hulp van de jeugdgezondheidszorg in zijn gaan roepen.

Campagne in Twente

Om de bekendheid van deze mogelijkheid extra onder de aandacht te brengen zijn we in gesprek gegaan met de GGD-Twente. Zij kennen al een praktijk waarin ze nauw samenwerken met de scholen en ze zien het als een uitdaging om hun mogelijkheden ook extra onder de aandacht te brengen bij ouders.

We hadden inmiddels een eerste overleg over de aanpak en spraken gezamenlijk de wens uit dat iedere Twentse ouder van een schoolgaand kind voor de komende kerstdagen in ieder geval gehoord moet hebben van deze mogelijkheid. De eerste stappen zijn gezet. De wil, de wens en de ambitie is er!

Ouders zijn geen professional

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Tijdens de thuiszitterstop verzorgde Ouders & Onderwijs onderstaande inleiding voor het gesprek over Ouders als partner. Ter informatie hierbij de volledige tekst. In het thuiszitterspact is overigens geregeld dat ouders vanaf het begin betrokken moeten worden in het overleg over hun kinderen. Ouders &  Onderwijs omarmt die afspraak, net als vele oudergroepen, van harte. 

Ouders aan tafel

Ik ben gevraagd om een inleiding te geven voor deze gespreksronde. Ik ben ouder, maar hier vooral als adviseur van Ouders & Onderwijs, waar ik me nauw bezighoud met de situaties rond thuiszitten. Alle situaties van thuiszitten kennen hun eigen individuele schrijnende geschiedenis. Ze zijn divers, niet eenduidig en ook oplossingen zijn nooit eenduidig. Er zijn wel parallellen te ontdekken. Maar eerst een kort voorbeeld:

Anne, moeder van Ruud, werd uitgenodigd voor een overleg door de mentor van Ruud. Ruud was al een tijdje thuis, hij voelde zich niet lekker, ging niet graag naar school. Anne gaat nietsvermoedend naar school voor het overleg. Daar wordt ze geconfronteerd met een vergadertafel waar niet alleen de mentor, maar ook de zorg coördinator, de schoolarts, de leerplichtambtenaar en een stagiaire zijn aangeschoven. Anne voelt zich geïntimideerd, maar weet zich te onthouden van toezeggingen. Die werden wel gevraagd.

In alle situaties die we bij Ouders & Onderwijs horen en meemaken gaat er iets mis in de communicatie. Het is ouders niet duidelijk, het is kinderen niet duidelijk of het is school niet duidelijk hoe dingen moeten verlopen. Partijen zijn te hard bezig elkaar te overtuigen en hoe harder ze dat proberen hoe minder dat lukt. Procedures zijn niet altijd voor iedereen even duidelijk en de informatievoorziening is niet op orde.
Preventief zou het helpen als ouders, kind en school vanaf hun komst op school regelmatig met elkaar de afspraken ijken. Dan zouden alle partijen zich vanzelfsprekender in de afspraken herkennen.

In alle situaties spelen opvattingen over de rol en positie van deelnemers aan overleg een cruciale rol. Daarbij geldt de wetmatigheid dat hoe meer er naar de ander gewezen wordt, hoe verder de oplossing weg is. Ouders vinden dat school verantwoordelijkheid moet nemen, school vindt dat ouders beter hun best moeten doen en het kind is het sluitstuk van die openstaande rekening. Maar alles begint steeds bij de manier waarop de relatie in eerste instantie tot stand is gekomen.

Deze overlegtafel gaat over “ouders als partner”. Voor mij een vanzelfsprekendheid. Daar waar het over kinderen gaat horen die kinderen, of hun vertegenwoordigers mee te kunnen praten. Die vanzelfsprekendheid is nog lang niet overal het geval. Daar gaan we het hier over hebben. Hoe krijg je die vanzelfsprekendheid bij iedereen in de genen. Daarbij nog twee overwegingen:

  1. Ik heb grote bewondering voor de inspanningen die vanaf de kant van het ministerie, de vakorganisaties, de koepels en de toezichthouders worden gedaan om het probleem van de relatie tussen ouders-school-kinderen te helpen oplossen. De echte oplossing kan volgens mij alleen op zeer lokaal niveau: tussen kind, ouder en school tot stand komen. Regels helpen de communicatie niet; goede intenties van betrokkenen wel.
  2. Ouders als partner veronderstelt iets van gelijkheid. Het is van belang voor het begrip om te benadrukken dat ouders nooit professional in het overleg zijn, hoe ervaringsdeskundig zij ook zijn. Ouders zijn 24/7 betrokken bij hun kind en dat is het belangrijkste verschil tussen professionals en ouders, wanneer ze aan één tafel zitten. Een oplossing kan dan ook alleen werken als deze gedragen kan worden door de ouder(s). De meest ideale oplossing is daarmee niet altijd de beste, maar wel de werkbaarste.

Anne was van beroep hulpverlener. Toch voelde ze zich vooral als moeder geïntimideerd. De volgende gesprekken werden voorbereid door haarzelf. Wie zit er waarom aan tafel en wat is het doel van het gesprek. Anne oogstte daarmee veel bewondering. Ze was alleen zelf meer professional dan moeder. Ze voelde zich als moeder in het overleg niet serieus genomen en ze voelde zich regelmatig schuldig naar Ruud. Ruud zat een tijd thuis en het gehannes in de communicatie versterkte zijn schoolangst. Hij is goed terecht gekomen. Hij vond een plek bij een schoolleider die hem wel graag wilde helpen, die vanaf het eerste moment werkte aan een goede overlegrelatie met de ouders van Ruud en die het ook volhield toen de regels niet meewerkten.

Als startvraag kom ik terug op wat ik zonet aangaf: hoe kun je zorgen dat het voor elke professional vanzelfsprekend wordt om ouders vanaf het eerste begin te betrekken. Hoe zorg je ervoor dat je als ouder geen professional hoeft te zijn om met onderwijsprofessionals te praten.

De kansen van het huisbezoek

Verschenen op Ouders & Onderwijs 

Zo nu en dan komt het belang van huisbezoek in het onderwijs voorbij. Ik denk dan terug aan de kleuterjaren van mijn kroost. Toen ze net oud genoeg waren om het goed te beseffen kwam de aankondiging van het huisbezoek: juf zou thuis een kopje thee komen drinken. Voor mijn beide kinderen was dit een bijzondere gebeurtenis. Voor de juf een leuke gelegenheid om ons thuis te leren kennen.

De onderwijsinspectie deed onlangs uitspraken over kansenongelijkheid in het onderwijs. In haar rapport De Staat van het Onderwijs stelt ze bijvoorbeeld dat het opleidingsniveau en het inkomen van ouders van grote invloed is op de kansen die kinderen krijgen. In dat licht is het goed om nog eens naar het huisbezoek kijken.
Het is bekend, door langlopend internationaal onderzoek naar vooroordelen, dat alle mensen vooroordelen hebben. Deze spelen zich voor een belangrijk deel op onbewust niveau. Over de vooroordelen op bewust niveau kunnen we het met elkaar hebben. Voor wat betreft de vooroordelen op onbewust niveau geldt eerst dat er bewustwording moet plaatsvinden, voordat je het er over kunt hebben.

Leerkrachten en docenten behoren tot de groep hoger opgeleiden. De groep hoger opgeleiden wordt door de Onderwijsinspectie aangewezen als de meest kansrijke groep bij schoolgaande kinderen. In deze groep is er meer besef van het belang van diploma’s en is er meer toegang tot manieren (huiswerkbegeleiding, toets-trainingen, etc) om de kansen te vergroten. De vooroordelen van deze groep worden gekleurd door hun eigen referentiekader (zoals dat gaat met vooroordelen).

Terug naar de kleuterjuf van mijn kinderen. Zij zag tijdens haar huisbezoek bij ons een schoon en opgeruimd huis met mooie en nieuwe spullen, zij zag een boekenkast met literatuur die de nodige algemene ontwikkeling deed vermoeden, ze kon kiezen uit verschillende soorten thee, kreeg een taartje dat samen met mijn kinderen gebakken was. Ons huis ademt dat we het financieel goed hebben.

Gegeven de opmerkingen in De Staat van het Onderwijs hebben we daar goed aan gedaan. Mijn kinderen werden daardoor hoog ingeschat, kregen gemakkelijker het voordeel van de twijfel en kregen een hoger schooladvies.  Bij ieder selectiemoment viel voor hun het muntje de goede kant op. Het roept echter ook vragen op over de ouders in die andere groep: de laagopgeleide en niet-rijke ouder. Hoe werkt daar het huisbezoek door, gegeven het feit dat alle leerkrachten (onbewuste) vooroordelen hebben die nog eens versterkt worden door hun eigen referentiekader. Versterkt het huisbezoek de kansongelijkheid of vermindert het huisbezoek dat juist?

Iedereen die wel eens de impliciete associatietesten heeft ingevuld weet hoe confronterend het kan zijn om te merken dat je vooroordelen hebt. Zeker als je jezelf rekent tot de weldenkende elite van de maatschappij. Juist voor die groep is het van groot belang te beseffen dat die vooroordelen er zijn en dat je altijd door JOUW ogen naar de wereld kijkt. Bewustwording van die vooroordelen kan helpen om alle kinderen eerlijke kansen te bieden. Alleen dan is een huisbezoek zinvol en bijdragend aan het begrip van kinderen in hun context.

De zin van toetsen

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Ik kom uit Twente. Geboren en getogen. Een trotse Tukker.
De lokale krant hier ging een paar jaar geleden aan de haal met de voornamen van geslaagden in Twente. Alle voornamen werden vergeleken en per niveau gerangschikt. Een egalitair denker zal zeggen dat dit niets zou kunnen opleveren. Toch leverde het bijzondere lijstjes op. De geslaagden op het VMBO hadden een andere top tien in voornamen dan de geslaagden van het VWO.

Het inspireerde mij om in een workshop met leerkrachten een testje te doen. Een testje dat je ook in uitgebreidere vorm kunt vinden bij de Impliciete Associatie Testen zoals Harvard die al jaren ontwikkelt en onderzoekt. Mijn testje leverde geen wetenschap op. Wel een bijzonder gebeuren.

De aanwezige leerkrachten waren bijna feilloos in het raden van het examenniveau. Ik noemde de naam en zij riepen gezamenlijk het examenniveau. Charmaine was op die manier VMBO, Gijs kreeg een VWO. Iedereen deed zo goed mogelijk zijn best en op een enkel twijfelgeval na was de groep unaniem in zijn keuzes.

De CITO-toets werd jaren geleden ingevoerd om te voorkomen dat leerkrachten op basis van vooroordelen een schooladvies gingen geven. De toets moest zorgen voor een eerlijke indicatie van het niveau van leerlingen. Door het gewicht van de toets, het gebrek aan waardering voor uitstroomniveaus zoals het VMBO en door de wijze waarop delen van de leerlingen zich gingen voorbereiden op de toets raakt de toets de laatste jaren in opspraak. Terwijl het idee zo aardig was.

De conclusie na de impliciete associatietest die ik met de groep leerkrachten trok was natuurlijk dat de CITO-toets zo gek nog niet is. Omdat je anders je schooladvies net zo goed op voornamen kunt baseren. Dat waren ze na deze ervaring met me eens.

Toch hoor je nog vaak dat de leerkracht best een onderwijsadvies kan formuleren. Uiteraard wordt hierbij gebruik gemaakt van objectieve gegevens. Maar zou de voornaam, de afkomst, de ouders, de eigen inschatting niet ook meewegen? Wat de impliciete associatietesten ons leren is dat iedereen behept is met vooroordelen. Zelfs de egalitairste denker heeft vooroordelen. Dat is dan ook niet erg. Zolang je je maar bewust bent van die vooroordelen en je niet verliest in blind vertrouwen.

Ik ben een Tukker en woon mijn hele leven al in een stad in het Oosten. Melk koop ik in de supermarkt en niet bij de boerderij. Er wonen hier heel veel mensen die nog nooit op een tractor hebben gereden en Twente ligt niet in de Achterhoek. En ook niet andersom. Oja, en van Twente naar Den Haag is het net zo ver als van Den Haag naar Twente.

Wij van WC-Eend adviseren

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Duo deed een onderzoek. Het gaat hier niet om de onderwijsDUO, de DUO van de studiefinanciering (de Dienst Uitvoering Onderwijs), maar over de De Utrechtse Onderwijsonderzoekers. De verwarring over de naam lijkt hen niet te deren. DUO noch DUO.

De belangrijkste vondst uit hun onderzoek: het grootste deel van de leerkrachten (80%) ziet grote problemen bij het uitvoeren van passend onderwijs. In de media werd dat al snel dat leerkrachten tegen passend onderwijs waren.
Ik verdiepte me in het onderzoek. Ik was benieuwd hoe het kon zijn dat mijn ervaring met leerkrachten, die ik ken als gedreven en bereidwillig om mee te denken in oplossingen, niet klopte met dit onderzoek.

Wat me opviel was de framing in de vraagstellingen. Met framing bedoel ik dat er naast de vraag ongemerkt een beeld meegegeven wordt dat de beantwoording kan beinvloeden. Een treffend voorbeeld is de volgende vraag:
Zijn de kinderen met lichamelijke beperkingen, chronische ziekten en verstandelijke beperkingen (cluster 3) over het algemeen makkelijk in de reguliere klassen te houden?

Op grond van deze vraag is onderwijs te definieren als: het “houden” van kinderen. “Houden” in de zin van hoeden, zoals je met schapen doet. Gekoppeld aan de vraagstelling, waarin de term: “over het algemeen makkelijk” opvalt (wat is dat? hoe ziet dat er uit?) kan ik me voorstellen dat ik de vraag met “nee”  zou beantwoorden. Of tenminste met “een beetje nee”. Ik, voorvechter van maximale participatie van iedereen in onderwijs, zou zomaar meegerekend worden in de groep die de media haalde: de groep die “tegen passend onderwijs” is!

Terwijl het antwoord “nee” zo logisch is: natuurlijk is het niet over het algemeen makkelijk om de ontwikkeling van kinderen die niet tot het gemiddelde behoren te ondersteunen. Dat is ingewikkeld werk, waar opleidingen voor verzorgd worden en wat dus per definitie niet “over het algemeen makkelijk” te noemen is. Maar dat zegt dus niets over “tegen of voor” passend onderwijs zijn.

Het blijft dus goed om bij onderzoeksuitslagen even door te bladeren naar het onderzoek, de vraagstelling, de opdrachtgever en de belangen die er mogelijk bij gemoeid zijn. Of je moet vooral WC-Eend willen gebruiken.

Paraplu

pluBezig met een aantal presentaties die er de komende tijd aankomen vond ik het tijd om mijn visie op (passend) onderwijs eens beeldend onder woorden te brengen. De paraplu als didactisch middel bood uitkomst.

Bij de inrichting van passend onderwijs (1-8-2014 is het een feit) zijn samenwerkingsverbanden in heel het land bezig om zo goed mogelijk te voorzien in de vragen die gesteld worden. Ik bekijk de dingen vooral vanuit de verantwoordelijkheid als ouder en merk dat ouders zich wat zorgen maken. Zorgen terwijl de gedachte achter passend onderwijs toch zo helder is: een passend onderwijsarrangement voor ieder kind.
Inmiddels dagen er steeds meer lekken of ventielen. Er is het lek van de kinderdagcentra, waarbij kinderen vanuit die route niet meegaan in het samenwerkingsverband of te beinvloeden zijn. Er is de “niet beinvloedbare instroom” binnnen cluster 3 scholen (kinderen met lichamelijke of verstandelijke beperkingen: in dit geval gaat het vaak om kinderen met meerdere beperkingen). Er is de onduidelijke scheiding tussen cluster 2 (dat niet meedoet) en cluster 3/4. Er is een diffuus gebied tussen leerplicht en kwalificatieplicht als een kind eenmaal 18 is geworden. Eigenlijk zijn alle transities potentiele lekken. Kijk naar de overgang tussen primair en voortgezet onderwijs: wat, behalve intrinsieke en morele, zijn de redenen om je nog heel erg druk te maken over groep 8 als je weet dat ze straks allemaal weg zijn? Er is, door de manier waarop passend onderwijs wordt ingericht, ineens een financieel criterium voor het indiceren van onderwijsondersteuning: “als we het niet kunnen betalen dan doen we het niet”. Het laatste geldt voor precies de helft van Nederland: de helft namelijk die moet verevenen (= terug in budget, omdat het gemiddeld verwijzingspercentage hoger dan gemiddeld ligt). Eerder al schreef ik stukken over de terreur van het gemiddelde: hier, hier en hier.

Onderwijs lijkt ervoor te kiezen om een paraplumodel in te voeren. En dan niet “onder” de paraplu, maar er bovenop. Basisondersteuningsplannen, schoolondersteuningsprofielen, brainstorms: ze gaan allemaal over wat er binnen het onderwijs past. Nauwelijks gaat het om wat bij het kind past. De beleidslijn heette toch echt passend onderwijs en niet passende kinderen. De gedachte is wel logisch: er komt veel aan, er moet het nodige gebeuren om dingen te organiseren en een bekende neiging is dan om vooral veel te gaan regelen. Dat ik niet van de regels ben mag ook bekend zijn (hier, hier en hier). Het is ook niet voor niets dat ik binnenkort een presentatie houdt op hetzelfde congres als Ben Kuiken (Fuck de Regels), Erwin Witteveen (Easycratie) en Matthieu Weggeman (“als je het niet regelt, gaat het vanzelf goed”).

Onderwijs houdt een paraplu vast en probeert zoveel mogelijk kinderen er bovenop te krijgen. Dat gaat goed zolang de kinderen een beetje in het midden kunnen zitten. De paraplu moet niet te hard bewegen en je moet als kind al helemaal niet te ver naar de zijkant komen. Dan val je er namelijk af!
Het heeft er op deze manier alle schijn van dat het voor kinderen gemakkelijker wordt om eraf te vallen dan erop te blijven.

Het kan ook anders.

pluZet diezelfde paraplu nu eens andersom en stop diezelfde kinderen erin. Binnenin de paraplu is er voor iedereen plek. Het is zelfs moeilijk om eruit te vallen. Was dat nu niet precies de achterliggende gedachte van passend onderwijs: “geen kind meer buiten boord”? Als de paraplu andersom staat maak je het voor kinderen echt moeilijk om uit te vallen, niet te passen. Anderzijds schept het ook de verplichting om iedereen in die paraplu echt iets te bieden. Te zorgen dat ze ermee verder kunnen. Al was het alleen maar om het in de paraplu een beetje ordelijk te laten verlopen.

Zomaar een beeld om aan te geven hoe je tegen passend onderwijs aan kunt kijken. Verwar het niet met passende kinderen. Zorg voor het dichten van alle ventielen, hoe klein ook. Maak het niet financieel, maar denk na over de inhoud. Probeer niet teveel te regelen. Misschien komt het ook wel goed wanneer je niets regelt.

Vooruit denken

Ik kan vooruit denken. Het is mij gegeven om dat zelfs erg goed te kunnen. Vandaar dat ik ook zo’n moeite heb om dit stuk te schrijven, maar dat wijst zich later. Ik kan ver vooruit denken en kan voor me zien wat keuzes tot gevolg hebben.
Ik snap bijvoorbeeld waarom dingen op termijn niet zullen brengen wat men er vandaag van verwacht. Ik snap zelfs dat dat voor de mensen die de dingen van vandaag bedenken zo vervelend is dat ze later de focus graag leggen op de dingen die dan verbeterd zijn. Terwijl iedereen dan vergeten lijkt wat er ook al weer mee beoogd werd.

zwermDan lijkt “ver-vooruit-kunnen-denken” dus een prettige eigenschap. Toch is dat niet zo. De meeste mensen denken niet zo ver vooruit en kunnen mij, in mijn uitleg, al snel niet meer volgen. Ze kunnen immers niet zover vooruit denken. Dat is niet om die mensen tekort te doen. De meeste mensen halen alles uit hun mogelijkheden. Iedereen heeft alleen niet dezelfde mogelijkheden.
Zieners en vooruitkijkers hebben het niet altijd gemakkelijk. Het is, ik kan dat verzekeren, enorm moeilijk om je mond te houden over acties die je om je heen ziet gebeuren waarvan je zeker weet dat ze niet gaan werken. Als je echter een aantal keren hebt gemerkt hoe er gereageerd wordt op vooruitkijk-argumenten laat je dat wel uit het hoofd. Het nieuwe devies wordt dan “geduld-oefenen”. Dat is zo mogelijk nog moeilijker dan toezien hoe mensen fouten maken zonder dat je er iets van kunt zeggen.

Er zijn nu, in dit stuk, nog twee soorten mensen over. De ene zal zoiets  zeggen als dat ik niet zo moeilijk moet doen en gewoon moet doen wat ik denk dat goed is. De ander zal misschien herkenning vinden en is benieuwd naar het vervolg. Laat die ander vooral doorlezen. Die ene moet misschien zijn energie in andere dingen stoppen dan het lezen van dit stuk.

Twee voorbeelden:
Het eerste voorbeeld komt uit het verkeer. Bij mij in de buurt is een viaduct verwijderd, is een verkeerssituatie drastisch aangepast en heeft een groot verkeersknooppunt ruim drie jaar op de kop gestaan. Nu is het een oase van stoplichten[1], strepen, aanwijzingen en afremmende- en optrekkende auto’s. Auto’s staan namelijk in hoge mate stil op dit knooppunt.

De bedenker van dit al is tevreden. Hij beziet zijn werk en ziet dat er geen ongelukken gebeuren en heeft tot in de finesses de verkeersstromen onder controle gebracht. De meeste mensen die er rijden zullen ook stellen dat het veiliger is geworden. Men weet immers precies wat moet gebeuren en volgt dat lijdzaam.
Toch is het niet goed. Auto’s kùnnen namelijk sneller en prettiger doorstromen en zo heel nu en dan blijkt dat ook. Dat is als de stoplichten uitvallen. Dan blijkt het stoppen van iedere verkeersstroom helemaal niet nodig te zijn en kan iedereen, op elk willekeurig tijdstip van de dag vlotjes doorrijden. Men moet wel iets beter opletten, maar wie kan daar nu op tegen zijn[2].
Niemand ziet dat. Er is (te)veel geld uitgegeven aan stoplichten en strepen op de weg. Al zou het niet werken, niemand zal het toegeven. Gebruikers zullen niet zien dat het beter kan. Als ik in die momenten van geluk dat de stoplichten niet werken over dat knooppunt kom maakt mìjn hart een sprongetje van blijdschap. Bij de meeste andere mensen is er irritatie over het feit dat de stoplichten (weer) niet werken.

Tweede voorbeeld:
Er zijn in mijn werk[3] zorgpaden ingevoerd. Iedereen krijgt nu standaard maatwerk[4]. Een ongeveer gelijk programma, met een heleboel gelijkheidsbeginsels en een riant boekwerk aan voorschriften. Het lijkt wel een verkeersknooppunt.
Het eerste dat mensen die er mee werken zeggen is dat er meer grip komt op de stroom patiënten. Dat is ook zo. Ik zie dat ook. Ik kan namelijk ook stilstaande patiënten beter bekijken dan patiënten die aan het stromen zijn. Stromen omdat ze geholpen en behandeld worden en uiteindelijk klaar zijn.
De praktijk is dat het helemaal niet stroomt. Er komt geen patiënt meer in. Er is ineens een zee aan tijd in de agenda’s van behandelaars vanwege allerlei voorschriften en gelijkheidsbeginsels die werken als stoplichten. Als dit opvalt wordt er adhoc een oplossing gekozen die zo mogelijk nog belemmerender werkt. Er wordt daardoor heel veel tijd en dus geld verspild.

Al die verspilling is geen moedwil. Het is, in alles, het beste wat er momenteel te bieden is op de plek waar ik werk. Dat is een zorg op zichzelf.

Ik heb er last van dat er geld verspild wordt aan oplossingen waar van te voren over nagedacht had kunnen worden. Waar van tevoren, ver vooruit denkend, van gesteld had kunnen worden dat het geen goed idee was. Het voelt, werkend in een dergelijke situatie of verkerend op zo’n knooppunt, of ik me iedere keer door al dat weggegooide geld moet ploeteren voordat ik aan de slag kan. Dat is niet prettig, maar ik sta daar alleen in. Ik merk niet dat anderen daar veel hinder door ondervinden. Ook daarover kan je (ver vooruit denkend) weer hetzelfde verhaal ophouden[5]. Dat zal ik niet doen.

Die ander die heeft doorgelezen heeft mij nu wel begrepen. Die ene die mijn advies in de wind sloeg (don’t they all?) en toch doorlas zal nu stellen dat ik dan ook maar met oplossingen moet komen. Als ik het dan zo goed weet.
Meneertje.
Voor die ene zal ik een oplossingsrichting opschrijven. Voor die ander is dat niet nodig, maar die mag dat gerust ook meepikken.

De oplossingsrichting zit in het diepere functioneren van een zwerm. Daar is veel onderzoek naar gedaan en onlangs zag ik op televisie Charlotte Hemelrijk (what’s in a name voor een zwermonderzoeker) die bijzonder helder kon uitleggen hoe de zwerm werkt. Dat heeft mij aan het denken gezet.
Waar men aanvankelijk dacht dat zwermen (spreeuwenzwermen met name) allerlei hogere wiskundige of transcendente voorschriften kenden (denk hierbij aan het zenuwcentrum van een verkeersknooppunt of de excelbestanden van zorgpad-minnaars en hun gedeelde geloof in hun systemen) bleek bij nader onderzoek dat spreeuwen zich maar aan een paar afspraken hielden. Die afspraken waren zoooo simpel dat ik ervan in de lach schoot.
Niet botsen, een beetje meedoen en afstand houden.
Daar komt het ongeveer op neer. Als iedere individuele spreeuw dat doet krijg je de figuren die een spreeuwenzwerm maakt.
Bedenk eens wat dergelijke simpele afspraken zouden betekenen voor het verkeer op een knooppunt of het werken in de zorg. Ze zijn toepasbaar. Je moet om dat te kunnen snappen alleen wel een beetje vooruit kunnen denken. De oplossing ligt volgens mij dus in zwermdenken.

Ik weet dat die ene hier geen genoegen mee neemt. Die wil stoplichten, voorschriften, gelijkheidsbeginsels en formulieren. Die ene zal bovendien zeggen dat ik toch vooral bekend sta om mijn botsen en mijn niet meedoen. Dus hoezo zwermdenken!
Meneertje!
Voor de ander gloort hiermee misschien hoop. In dat laatste geval: graag gedaan!

Charlotte Hemelrijk op De Wereld Leert Door over spreeuwenzwermen


[1] Ja, ik weet dat stoplichten in de verkeerskunde verkeerslichten worden genoemd. In mijn ogen zijn het echter dermate grote obstakels voor een vlotte doorstroming van het verkeer dat ik ze graag stelselmatig stoplichten blijf noemen.
[2] Mensen zullen het principe van “Shared-Space” misschien herkennen. Een concept dat wat mij betreft meer navolging en uitwerking verdiend. Al zullen weinigen dat met me eens zijn.
[3] Complexe revalidatiezorg
[4] Jaha, ik ben me bewust van deze onmogelijkheid: standaard en maatwerk lijkt niet goed te passen. Toch doen ze bij mij op mijn werk een dappere, maar vruchteloze poging.
[5] “hoe kan je nu je hoofd wegdraaien, je schouders ophalen, als je zou weten dat een dergelijke wijze van geldverspilling uiteindelijk niet alleen de zorg de nek omdraait, maar ook jouw baan als zorgverlener?”

Ik beken!

blogfotoIk beken! Ik beken dat ik een fraudeur ben. Een fraudeur in de zorg. Ik werk in de zorg en ik heb gefraudeerd.

Zo, dat is eruit. Daar liep ik al een tijd mee rond. De aanhoudende berichten in de media over fraude in de zorg stimuleerden me zeker bij deze bekentenis. De onderste steen moet nu boven, de omerta is voorbij. Al heb ik nooit echt een omerta ervaren. Ik deed gewoon. Net als alle anderen.

Iedereen in de zorg weet toch waar ik het nu over heb? Niet over de vraag of je als uitvoerend professional je uiterste best doet om het beste voor je cliënt, patiënt, bewoner, revalidant te bereiken. Daar twijfel ik na al die jaren niet aan. Mensen gaan niet in de zorg werken om zoveel mogelijk geld te verdienen. Dan wordt je wel bankier. Natuurlijk zijn er incidenten geweest in mijn werk als het gaat om de betrouwbaarheid in het dagelijkse werk. Die komen overal voor. Die los je dan samen op en je wordt er uiteindelijk allemaal alerter en beter van.

Het gaat me ook niet meteen over het declareren van zwaardere behandelingen dan daadwerkelijk worden uitgevoerd. Datgene waar nu medisch specialisten van beticht worden. De mens en zijn medische vragen laten zich nu eenmaal niet precies indelen in diagnose-behandel-codes. En dan slipt er wel eens wat tussendoor. En natuurlijk krijg je dat in je opleiding. Het zou al wat zijn dat dokters opgeleid worden in het enkel uitvoeren van de regels! Ik heb graag een dokter die de randen van de mogelijkheden verkent. Anders waren we nu nog steeds aan het aderlaten. Van specialisten mag je verwachten dat ze de grenzen van hun mogelijkheden weten te verkennen. En geef ze eens ongelijk, als het gaat om het registreren van hun werk.

Of stopt u altijd bij oranje? En brengt u ook dat dubbeltje terug dat u bij het wisselgeld teveel kreeg en waar u pas buiten achter kwam? Wat is uw prijs?

Ook daar gaat het mij niet om. Ik heb het hier in mijn eigen bekentenis over de registratiefraude. De fraude die ontstaat als:

1. er druk is om te registreren
2. de registratie wordt gebruikt om de professional te beoordelen
3. diezelfde registratie wordt gebruikt om te declareren
4. diezelfde registratie wordt gebruikt om langjarig formatie te berekenen.

Dus professionals wordt gevraagd om iets op te schrijven (in doorgaans rammelende, moeizame en weinig gebruikersvriendelijke systemen), waarbij ze zelf verantwoordelijk zijn voor wat ze invullen, wetende dat ze daarop worden beoordeeld en op de korte en lange termijn gefinancierd zullen gaan worden. Denk eens even mee. Als ik daadwerkelijk opschrijf dat ik naar de wc ga zal dat uit de formatie gaan vallen, want niet productief. Net zoals collegiale consultatie. Daar maken we zonder veel moeite een patiëntgebonden activiteit van, zodat het in de productie valt en meetelt voor de formatiebesprekingen. Het staat ook nog eens goed op je resultaatcijfers.

Geen zorgverlener heeft zin in gesprekken over productie. Daar word je geen zorgverlener voor. Je wilt wel hard werken en veel mensen helpen. En omdat zorgverleners net zoals medisch specialisten worden opgeleid in het gebruiken van hun creatieve mogelijkheden zorg je er wel voor dat je geen gesprek krijgt over onderproductie. Als je zelf verantwoordelijk bent voor het invullen van je registratie en je zorgt dat het net bij de weg is (oranje, dubbeltjes), kraait geen haan er naar. Baas tevreden, zelf tevreden, financier tevreden. Meten is weten.

Door de enorme druk om alles te willen weten en daar vervolgens van alles aan te verbinden is een systeem ontstaan waarmee fraude bijna een wetmatigheid is geworden. Het systeem is zover geperfectioneerd dat iedereen medeverantwoordelijk is en er dus niemand op aanspreekbaar is. Als ik mijn lijst oprecht invul krijg ik rode vlekken in mijn lijst (daar staat dan niets, omdat ik naar de wc was, stond te wachten op een volgende cliënt even een babbeltje maakte met een collega, etc). Rode vlekken is een gesprek en heeft op enige termijn consequenties. Consequenties die mij mogelijk raken in mijn portemonnee. We zijn zo steeds verder afgedwaald van het werkelijke primaire proces: zorgverlenen.

Wie wilde dit ook alweer? Wie bedacht deze controlemechanismen? Hielp het? Werd er beter en meer zorg verleend? Leek het alsof er beter en meer zorg verleend werd?

In het onderwijs kennen we die praktijken uit de Verenigde Staten. Daar is allang bekend dat systemen die gericht zijn op het verhogen van de opbrengsten èn relatie hebben tot de arbeidsovereenkomst van degene die de gegevens moet aanleveren leiden tot fraude. Sterker nog: het leidt tot helemaal niets. Overigens zijn ze daar binnen de politiek nog niet over uit. Er is nog steeds zoiets als opbrengsgericht werken, centrale verplichte eindtoets, koppelen van toetsresultaten aan kwaliteit van scholen, etc. Je verzint het niet.

Ik heb gefraudeerd. Ja. Daar werd ik zelf maar zeer zijdelings beter van. Ik heb het niet eens gemerkt. En daar is nu zo’n toestand over? Over iets dat iedereen met een beetje boerenverstand had kunnen voorspellen? Pfff

Denk niet aan een giraf!

20130524-232102.jpgHet is dé manier om mensen duidelijk te maken dat je niet ergens niet aan kunt denken: de opdracht om niet aan een giraf te denken gedurende een korte periode. Het enige dat in je hoofd komt bij die opdracht is de giraf. Sinds kort vertel ik daarbij een vervolgverhaal.

Lees verder

En nu een school

schoolIk maakte theater, schreef een boek, twee boeken zelfs en had een eigen expositie. En nu wil ik een school. Noem mij ambitieus of niet snel tevreden: die school die wil ik. Ik besef dat dat erg verwend klinkt. Als een kind dat zijn zin wil krijgen. Misschien is dat wel zo. Misschien wil ik in dit geval inderdaad mijn zin krijgen. Laat me het uitleggen.

Al jaren ben ik nauw betrokken bij onderwijs. Ik zie wat daar gebeurt, ik zie de goede bedoelingen van bijna iedereen die daar werkt en zijn best doet en ik zie hoe het systeem zoals dat is ontstaan die goede bedoelingen ten gronde richt. Een systeem dat bijna onmogelijk te veranderen lijkt. Dat daagt mij uit.

Is er een schoolstructuur te bedenken die niet alleen prettig is voor kinderen, maar ook nog eens prettig is voor mensen die er werken. Als tenslotte ook ouders er tevreden mee zijn hoeft de zaak alleen nog maar verantwoord te worden zodat mijn school een feit is.

Ik ben me bewust van een heleboel zeer goede alternatieven voor regulier hedendaags onderwijs. Ik ken de verschillende stromingen, onderwijsrichtingen en schoolvormen. Allemaal hebben ze hun eigen goede dingen. Sterker nog, in mijn school zal ik graag gebruik maken van al die goede dingen. Goede dingen die op elke school plaatsvinden.

Mijn SchoolToch moet er een andere school komen. Ik heb de school zelfs uitgewerkt in een uitgebreide mindmap. Een eerste oog is daarop te werpen. Die andere school is nodig omdat mijn school dingen biedt die nergens anders te vinden zijn

Een belangrijk uitgangspunt is het uitgaan van het individuele kind. Het individuele kind is de leidraad en het lijkt soms op de school die Ricardo Semler in Brazilie is begonnen. Ieder kind hoort plezier te hebben op school en hoort zich verantwoordelijk te maken voor het plezier van de mensen in zijn omgeving.
Mijn school kent geen klassensysteem. Kinderen zitten in verschillende groepen. Soms horizontaal gegroepeerd, rond een bepaald vak, soms verticaal gegroepeerd rond projecten en thema’s. Kinderen maken deel uit van meerdere groepen en lopen daardoor minder risico op langdurig pesten. Er is immers altijd een groep waarin je je als kind gezien, gehoord, erkend voelt.

De zaakvakken worden gegeven door enthousiastelingen. Mensen die met liefde over cijfers, taal en dergelijke kunnen praten. Denk terug aan die leraar die volledig gepassioneerd stond te vertellen over zijn vak. Dat zijn de lessen die je bijblijven.

Ieder kind zit gedurende de schoolperiode (soms denk ik aan de basisschool, maar liever zou het tot een jaar of 15, 16 mogelijk moeten zijn om mijn school te bezoeken. Een definitieve keuze voor een uitstroomprofiel kan daardoor genomen worden op het moment dat dat voor het kind zo effectief mogelijk is) in een vaste mentorgroep waarin alleen leerlingen die van school gaan vertrekken (en nieuwkomers toetreden tot de mentorgroep. Die mentorgroep is het hart van de school: de mentor kent de kinderen gedurende een lange periode. Kent de ouders, kent de bijzonderheden en doordat er verticaal gegroepeerd wordt ontstaat er een natuurlijk zorgen voor elkaar: oudere kinderen voor jongere kinderen. Het zo noodzakelijke leren van elkaar dat in het reguliere onderwijs bijna helemaal weg-ge-klassemanaged is wordt daarmee een vanzelfsprekendheid.

Kinderen worden verantwoordelijk voor hun eigen leren. Afkijken mag, zeker als je daarvan leert. Fouten maken is een must, vanuit de visie dat het weinig zin heeft om kinderen die in de wereld van morgen moeten leven te leren dat ze alleen het goede mogen doen. Juist het experiment, het zelf zoeken naar oplossingen en het daarmee stimuleren van oplossingsvaardigheden, is een belangrijke pijler onder het leren in mijn school.

Mijn school staat open: iedere deelnemer in mijn school (kind, leraar, vakleerkracht, etc) kan iedere bezoeker uitleggen wat er in de school gebeurt. Het bedrijfsleven participeert actief. Niet alleen vanuit sponsoracties, maar in een sterk participerende vorm. Het bedrijfsleven verzorgt een deel van het curriculum. Net als de ouders: ouders zorgen, met hun eigen achtergrond voor een geintegreerd onderdeel van het lesprogramma.

Er wordt verantwoord. De verantwoording binnen mijn school vindt volledig digitaal plaats. Realtime zijn vorderingen van leerlingen te zien en te volgen. Er is te zien wat ieder kind individueel doet en hoe dit past in zijn/haar profiel. En het aardige is dat het bij ieder kind past. Omdat het onderwijs niet een systeem is waarin je kinderen perst, maar omdat de kinderen leidend zijn voor het systeem. Ieder kind kan zijn eigen leerproces vormgeven.

Een volgende noviteit is flexibele openingstijden. Mijn geschiedenis op een verenigingsschool met een hoge ouderbijdrage heeft mij geleerd dat ouders bereid zijn te betalen, maar dat ze dat graag doen voor concrete zaken. Een kind dat extra uren doorbrengt op school krijgt maandelijks een rekening voor de extra uren. Uren waar overigens geen verrassing in zit. Door een uitgekiend registratiesysteem is ook voor ouders 24 uur per dag in te zien hoe de rekening eruit ziet en ouders kunnen dus altijd daar zelf ook aanpassingen in doen.

Die flexibele openingstijden geven de mogelijkheid om zaken goed af te kunnen stemmen met werk en privé  De uren zijn zo flexibel als wenselijk is voor de leerling. De zaakvakken vinden plaats binnen de uren dat ieder kind op school is.

Op  school wordt vers gelunchd. Een gepassioneerde kok begeleidt wekelijks een groep kinderen in het weekmenu. Duurzaamheid, eerlijke en verse producten en een voedzame lunch staan voorop. Ook productkennis en herkomst van ons voedsel wordt hierin meegenomen.

Tot slot kent mijn school ambitie. De ambitie om de beste school te zijn voor de meeste kinderen. Of eigenlijk voor alle kinderen. Omdat alle kinderen recht hebben op het beste onderwijs. Die ambities spelen ook een rol bij de ondersteuning van het leerproces van individuele kinderen. Of bij de ontwikkelvragen van docenten, leerkrachten, coaches. Of bij de lesinhoud van de ouderlessen. Ambitie: durf jezelf eisen te stellen. Durf het maximale te behalen.

Nu alleen nog 350 kinderen, een locatie en een inrichting…