Categoriearchief: Schrijverij

Regel het maar liever niet!

(Speech ter gelegenheid van het jeugdberaad van de gemeente Hengelo van 7 maart 2013 over ouderbetrokkenheid)

De gemeente Hengelo heeft mij de kans gegeven vandaag u iets mee te geven over ouderbetrokkenheid. Dat is een bijzonderheid. Ik ben al een groot aantal jaren in verschillende netwerken bezig om de positie van ouders in onderwijs en zorg te verbeteren en dit is één van die zeldzame keren dat daarin ook rechtstreeks de deskundigheid van ouders gevraagd wordt. Meestal wordt er over ouders gesproken en blijft het lastig om ouders daarin zelf te betrekken. De gemeente Hengelo steekt daarin wat dat betreft haar nek uit. Daarvoor alvast hartelijk bedankt.

Ik wil het gaan hebben over ouderbetrokkenheid in relatie tot de transities jeugd en onderwijs en neem u daarbij graag mee langs een aantal gedachten.

In januari van dit jaar riep Ronald Plasterk ouders op om kinderen beter te gaan opvoeden. Ouders waren te toegeeflijk en de meeste problemen in de publieke ruimte waren toch vooral te wijten aan dat gebrek aan opvoeding. Plasterk zei dit op het moment dat er een onderzoek klaar lag naar geweld tegen ambtenaren in functie.
In september 2012 liep een sociale media-hype uit de hand. Het Groningse dorp Haren werd gesloopt nadat tienduizenden jongeren afgekomen waren op een facebook-uitnodiging voor de 16e verjaardag van een inwoner van Haren. Inmiddels heeft een commissie onder leiding van Job Cohen een onderzoek afgerond waaruit deze week zal blijken dat er een heleboel niet deugde, beter had gemoeten en wellicht zullen ook de sociale media er van langs krijgen.
Steeds weer lezen we berichten in de krant dat hulpverleners, buschauffeurs, politieagenten worden aangevallen en dat hun werk onmogelijk gemaakt wordt.
Groepsmishandelingen lijken de laatste tijd aan de orde van de dag.
Er moet wel iets gruwelijk mis zijn met onze kinderen.

Kern bij al deze incidenten is steeds dat er in de media over elkaar heen gerold wordt over de vraag wie verantwoordelijk is. En vanuit elke partij die aan het woord komt wordt de priemende vinger gewezen. En niemand wijst ooit naar zichzelf. Misschien is dat wel het grootste maatschappelijke probleem: het wijzen naar een ander, omdat het wijzen naar een ander ons ontslaat van onze eigen verantwoordelijkheid.

Dát en de neiging om gerust te stellen. Als er namelijk een dader is of een sluitende analyse van het incident is er geruststelling en snapt iedereen waarom het gebeurde. Denk in dat kader aan de gevallen van zelfdoding na een geschiedenis van pesten. Ook als het om pesten gaat wisselen de meningen en wordt er driftig gewezen. Naar de school, die het niet gezien heeft. Naar de overheid die laks is in het bieden van mogelijkheden en naar de zorg die er niet was toen het nodig was. Om over de ouders nog maar te zwijgen. Onlangs bleek in een radioprogramma dat zelfs zij vogelvrij zijn als de eerste rouw voorbij is. Dat alles vanuit een behoefte tot verklaring.

Troost u. Mijn kinderen doen geen dingen zoals ik ze net noemde. Ik voed mijn kinderen goed op en heb alle vertrouwen dat dat ook zo is uitgepakt. Sterker nog: ik weet dat zeker. Mijn kinderen waren namelijk niet in Haren, niet in Eindhoven en Oosterhout, hebben niemand gepest en hebben ambulancechauffeurs onder hun beste vrienden. En ook dat wordt bewezen door onderzoek.

Zo zijn ouders er in hun opvoeding vooral op uit dat hun kind weerbaar en eerlijk is. Zorgen voor anderen is daarnaast een belangrijk doel van de opvoeding. Aan de andere kant echter vinden bijna alle ouders ook dat juist alle andere ouders hun kinderen wel eens strenger zouden mogen opvoeden. Bedenk eens wat dat betekent: alle ouders vinden dat alle andere ouders niet streng genoeg opvoeden…

Zoals ik al zei: mijn kinderen doen dat niet…

Scholen zouden graag zien dat ouders kinderen meer in gehoorzaamheid op zouden voeden. Op mijn rapport stond vroeger een mooi rijtje van dat soort traditionele waarden: beleefd, behulpzaam, mededeelzaam. Gehoorzaamheid stond zelfs apart en werd ook als zodanig thuis met mij besproken. Gehoorzaam moest je zijn. Scholen lijken nog niet erg veranderd in hun diepere behoeftes.

Er zit dus een conflict tussen wat ouders belangrijk vinden en wat scholen graag zouden zien. Ook aan de kant van de zorg zijn er wensen ten aanzien van ouders. Ouders moeten op een positieve manier hun kinderen helpen op hun weg naar volwassenheid. Ze moeten tijdig hun vragen stellen en gebruik maken van de mogelijkheden die er zijn op de momenten dat dat voor de zorg gelegen komt.

Even een belangrijk uitgangspunt. Daarvoor gaan we terug naar heel erg lang geleden. Een tijd dat er geen zorg en geen onderwijs was. Een tijd dat er alleen nog ouders en kinderen waren die zich zonder zorg en onderwijs moesten zien te redden. Het zijn mijn voorouders. Het zijn ons aller voorouders. Zij moesten het stellen zonder indicatiestellingen, toelatingsbeschikkingen, multi-problem-aanpakken, etc.

Het lijkt erop dat onze voorouders zich daar prima mee gered hebben. Kijk om u heen en zie de gevolgen. Het feit dat wij hier zitten en het vandaag met elkaar kunnen hebben over zoiets als ouderbetrokkenheid is voldoende bewijs dat die voorouders kennelijk iets goed hebben gedaan.

Nog een belangrijk uitgangspunt: ouders doen het eigenlijk best goed. Kinderen in Nederland blijken uit onderzoek tot de gelukkigste kinderen van de wereld te behoren en de opvoeding van ouders in Nederland wordt als prima beschouwd. Opvoeden tot respect is daarbij niet het belangrijkste doel. Opvoeden tot een zelfsturend individu lijkt belangrijker.

In de transities jeugd en onderwijs zie je dat er bij de domeinpartijen behoefte bestaat om zaken goed te regelen. De domeinen jeugd en onderwijs moeten op enig moment in elkaar schuiven en elkaar gaan versterken. Het lijkt logisch dat de eerste neiging is om dat inderdaad te gaan regelen. En juist in dat regelen lijkt het conflict te schuilen.

In een grote landelijke netwerkbijeenkomst was men druk bezig om dit soort dingen over die beide transities te regelen.De eerste bijeenkomst waarbij ouders aanschoven bleek een kanteling te betekenen in het denken over dat regelen. Ouders bleken zeer goed in staat om overtuigend duidelijk te maken dat zij niet zitten te wachten op protocollen, regels en indicatieprocedures. Ouders willen een vraag kunnen stellen, daar vlot een ter zake kundig antwoord op ontvangen en voor de rest niet al te veel gedoe. In de genoemde bijeenkomst werd de opdracht ter uitwerking daarom dat wat er dan ook maar geregeld zou gaan worden vooral flexibel moest zijn. Dus vooral geen regels!

Iets zonder regels dus. Kan dat eigenlijk wel? Is het in de huidige tijd nog mogelijk om zaken zonder regels te organiseren?

Er zijn twee voorbeelden waar dat uit zou kunnen blijken.

De eerste is Eigen Kracht. De methode waarbij problemen aangepakt worden vanuit een netwerkgedachte: iedere belangrijke persoon uit een netwerk kan onderdeel zijn van de oplossing. De kern van Eigen Kracht is dat de oplossing en de uitwerking van die oplossing uit het eigen netwerk van betrokkenen komt. Hulpverleners en professioneel betrokkenen staan daarbij aan de kant en voegen zich naar deze oplossing. Dit levert soms verrassend eenvoudige oplossingen op. Oplossingen die binnen alle regels van professionele instellingen met name door die regels niet meer mogelijk lijken te zijn.

Inmiddels is er een schat aan ervaring opgedaan met Eigen Kracht Conferenties in de zorg. Het wachten is op een groot aantal conferenties die zich richten op onderwijs. Je zou verwachten dat daar dezelfde ervaringen opgedaan zouden kunnen worden. Eigen Kracht wordt omarmt door bijvoorbeeld Pieter Hilhorst, tegenwoordig wethouder in Amsterdam, die Eigen Kracht ziet als belangrijke methode om de maatschappij te “ontzorgen”. Hij stelt dat we te gewend zijn geraakt om problemen op het bord van professionals te leggen en dat we verleerd lijken te zijn onze eigen problemen op te lossen.

Het tweede voorbeeld komt uit het verkeer. In 1979 wist Hans Monderman, een verkeerskundig ingenieur met een voorliefde voor het gedrag van mensen, te bereiken dat er een door hem bedachte oplossing werd gekozen voor een groot verkeersprobleem. Er was een doorgaande weg waar te hard werd gereden, ongelukken gebeurden en waar het ronduit onveilig was. De gebruikelijke oplossing in die gevallen was (en is overigens nog steeds op veel plekken) dat er dan voor drempels, verkeersremmende maatregelen, handhaving en dergelijke wordt gekozen. Hans Monderman deed het anders: hij haalde alle verkeersbepalende elementen weg. Hij verwijderde de borden, de belijning op de weg, het onderscheid tussen weg en trottoir en maakte er een soort plein van.

In tegenstelling tot wat je zou verwachten nam de verkeersveiligheid op deze Shared Spaces, zoals je ze noemt, toe. Auto’s minderden vaart doordat niet duidelijk was wat de verkeersituatie precies was. Fietsers en voetgangers konden gemakkelijker weer naar de overkant zonder halsbrekende toeren uit te halen. Anderzijds ervaarden alle gebruikers de situatie wel als onveiliger dan voorheen. Dat was precies waar Hans Monderman op uit was: als mensen zich namelijk onveilig voelen gaan ze vanzelf beter opletten. Ze gaan dan weer zelf nadenken. Of zoals hij vaak geciteerd wordt: “if you treat people like idiots, they will act like idiots”. Andersom is natuurlijk ook het geval. Het ontregelende van Hans Monderman lijkt op het pleidooi van Pieter Hilhorst om de maatschappij te “ontzorgen”.

Hoe moet dat nu met de ouders? En met de ouderbetrokkenheid? Is daar het probleem ook minder groot als je er anders tegenaan kijkt? Zou je door te “ontzorgen en te ontregelen” misschien tot verrassende uitkomsten kunnen komen? Kunnen professionals er tegen dat ouders en hun betrokkenheid misschien geen probleem zijn? Kunnen ouders er wel tegen dat ze bij problemen niet door professionals gerustgesteld worden? Horen sommige problemen misschien gewoon bij het leven?

Ouderbetrokkenheid is wat mij betreft niet het probleem. Ouderbetrokkenheid in de zin van ouders die betrokken zijn op het dagelijks leven van hun kinderen is niet het probleem. In mijn werkzame leven ben ik nog nooit ouders tegengekomen die niet betrokken waren op hun kinderen. De wijze van betrokkenheid en de keuzes die daaruit volgden riepen bij mij weliswaar soms vragen op. Vragen die, zo ze ter sprake kwamen, ook beantwoord werden. Maar betrokken was het. Zelfs in situaties waarin kinderen in het geding waren bleek de betrokkenheid van ouders niet het grootste probleem.

Ouderparticipatie zal mogelijk anders zijn. Participatie is het meedoen op school als leesvader, klusmoeder en pannenkoekenbakker op de jaarlijkse fancyfair. Maar participatie is niet hetzelfde als betrokkenheid en moet zeker niet met elkaar verward worden. Bovendien helpt participatie niet het kind, maar slechts de school. Betrokkenheid is goed voor een kind, noodzakelijk zelfs.

Het leven van ouders is een geïntegreerd leven. Ze krijgen gemiddeld 1,7 kind per gezin, hebben daarmee gedurende de rest van hun leven een invulling voor de gesprekken op verjaardagsfeestjes, de zorgen voor het slapen gaan, de zorgen voor de latere kleinkinderen. Wat er ook gebeurt tijdens het leven van die kinderen, het gebeurt altijd op een manier die bij het leven hoort. Ouders vragen zich, zodra ze kinderen hebben ook graag af of ze de dingen wel goed doen. En soms raadplegen ze daarbij professionals.

De komst van professionals heeft gemaakt dat zorg, onderwijs, orthopedagogiek, hulpverlening, revalidatie, specialistische zorg, etc alleen in aparte blokken toegankelijk is voor ouders met hun kinderen. Ik herinner mij dat een KeelNeusOor-arts het gebrekkige gehoor van mijn zoon, vanuit medisch-technisch perspectief geen enkel bezwaar vond. Wij waren maar wat blij met de visie van een logopedist die vanuit het perpectief van taalontwikkeling aandrong op actie. Gelukkig kon de KNO-arts dit voor hem nieuwe perspectief integreren en kon hij hiernaar handelen. Voor ons was onze zoon nog steeds dezelfde. Wij hadden nog nooit het verschil tussen een medisch-technisch en een taalontwikkelingsperspectief bij hem gezien. Hij kon leuk met een bal spelen en sorteerde graag zijn duplo. En het was natuurlijk gewoon een heel erg lief jong! Dát zagen we wel.

Er gaat iets mis in de aansluiting tussen wat ouders nodig hebben en in wat professionals willen regelen. Ik herinner mij een jongerensoos waar ik zijdelings betrokkenheid bij had in een klein dorp hier in de buurt. De jongerensoos was nieuw. Er was van alles geregeld: een ruimte, discolampen, muziek, een drankprotocol, een bardienst en er was eindeloos vergaderd over allerlei scenario’s waarin het mis kon gaan. Alles was geregeld en iedereen was overal op voorbereid. De eerste avond van de jongerensoos werd niet bezocht. Bij alles wat geregeld was, was de organisatie vergeten de jongeren te vertellen over de jongerensoos. Laat staan dat ze de jongeren hadden betrokken bij de planvorming.

Dat is wat dreigt als je kijkt naar de transities waar we het hier vandaag over hebben: hoe betrek je het kapitaal van die transities bij de uiteindelijke plannen? Het kapitaal van zowel onderwijs als zorg is uiteindelijk toch het gezin. Hoe je het ook wendt of keert: als ouders stoppen met hun ouderschap en dus geen kinderen meer krijgen kan de transitie jeugd en onderwijs wel stoppen. Dan valt er niets te transformeren en hoeven we het nergens meer over te hebben. Het enige bestaansrecht van de domeinen jeugd en onderwijs komt voort uit de ouders!

Daar waar de neiging bestaat om veel te regelen, of vooral goede afspraken te maken is dat misschien wel helemaal niet waar ouders op zitten te wachten. Regels belemmeren immers maar de normale gang van zaken. Het voorkomt dat we zelf na gaan denken en het voorkomt dat we zelf leren zorgen voor onze noden. Bovendien zijn ouders niet gek. Als een overheid aanspoort tot Eigen Kracht, Zelfmanagement of OntOrganiseren gaat dat vaak gepaard met een budgettair probleem. Het lijkt bijna op de priemende vinger waar ik het eerder over had. De vinger van verantwoordelijkheid. Het is uw probleem!

Wat ouders betreft hoeft er dus niet zoveel. Regel het misschien dus maar liever niet. Maak er een plein van zoals Hans Monderman dat deed met het verkeer. Laat mensen weer zelf nadenken over oplossingen zoals Pieter Hilhorst dat bedoelde toen hij het had over ontzorgen. Ga uit van Eigen Kracht en zie weer de Eigen Aardigheden van kinderen. En wijs, in geval van incidenten, naar jezelf. Ga eerst als een Griekse filosoof met jezelf in dialoog voordat je wijst naar een ander. Wijs in geen geval naar een ander maar beschouw de dingen in hun noodzakelijke onderlinge verbondenheid.

Sta jezelf toe dat het moeilijke soms bij het leven hoort en dat geruststelling daarbij niet het belangrijkste is, maar misschien wel aanvaarding. Misschien hoort pesten wel bij de eigenschappen van een groep en zul je er vooral je best voor moeten doen om te zorgen dat niet steeds hetzelfde kind gepest wordt.

Maar ga de dingen niet op voorhand regelen. Regel het niet. Vraag het gewoon eens aan de direct betrokkenen. Wat werkt. Ik hoor in mijn adviezen aan ouders die met een kind in het onderwijs vast dreigen te lopen eigenlijk nooit dat ze zelf geen oplossing weten. Ouders zijn meestal al erg gewend aan en ingesteld op de bijzonderheden van hun kinderen voordat ze een school bezoeken. Ze durven het alleen niet hardop te zeggen en er wordt bijna nooit naar gevraagd. Gelukkig gebeurt dat natuurlijk alleen bij al die professionals die er vandaag niet zijn. Jullie doen het natuurlijk wel goed! Het lijkt alsof ouders zelfs onzeker zijn geworden over de oplossingen die thuis en op de sportvereniging gewoon werken.

Zorg dat het dossier van het kind is en daarmee van de ouders. Zorg dat dat duidelijk is: de kennis over dát kind is te vinden bij…. dát kind! Waar heb je je sleutels laten liggen? Waar je ze het laatste gehad hebt…

En ook de ontzorging en de ontregeling hoeft dus niet geregeld te worden. Misschien. Misschien kunnen we dan weer een beetje terug naar de situatie van onze voorouders. Waar geen zorg was en geen onderwijs. En waar toch voor elkaar gezorgd werd en waar kinderen toch het nodige leerden. Ouders zouden moeten aanvaarden dat ze niet overal in gerustgesteld kunnen worden. En zorg en onderwijs zou moeten aanvaarden dat ze ouders niet overal in gerust hoeven te stellen.

Om te ontzorgen en te ontregelen is durf nodig. Durf om juist niet gerust te stellen, niet de priemende vinger te wijzen, maar gezamenlijk de verantwoordelijkheid te dragen. Durf om nooit meer te overleggen over ouders en kinderen, maar altijd met. Omdat ook de oplossing uiteindelijk bij die ouders gevonden moet worden.
De gemeente Hengelo durfde het aan om een “gewone” ouder het woord hier te geven. Durven jullie het aan om de ontzorging en de ontregeling echt te gaan.. eh… oppakken?

 

Mark en Lucy en het Huiselijk geweld

ingestorte woning(kort verhaal)

Daar zit ik dan, mijn vrouw huilend naast mij, de kinderen aan mijn voeten. Ook solidair meehuilend. Ik houd er de moed nog eens in. Probeer de stemming wat om te gooien, knik vriendelijk naar de andere wachtenden. Allen voorzien van verse kwetsuren, voorzien van een kleurcode die de urgentie van hun kwetsuur aangeeft, zitten zij te wachten totdat een verpleegkundige hen zal komen halen.

De televisie toont een spelshow en ik wijs mijn kinderen op de koddige manier waarop een van de kandidaten zijn voertuig in het water stuurt. Ze kunnen er niet om lachen. De spanning is te snijden. De andere wachtenden kijken mij met minachting aan en ik probeer op mijn gewoonst terug te kijken. Het voelt alsof je in het donker fietst, weet dat je licht in orde is, maar dat je toch angst hebt voor de politie.

Mijn vrouw heeft een niet zo urgente kleurcode. Zij is niet buiten bewustzijn geweest en dat hadden we moeten weten. Van te voren. Dat je dat dan kunt veinzen bij inschrijving aan de balie, zodat het allemaal een beetje snel achter de rug is, omdat je een urgente kleurcode krijgt.

De lap op haar hoofd is doordrenkt met bloed. Ondanks dat ze is gestopt met huilen voel ik aan het schokken van haar schouders dat ze nog overstuur is. Ze is er erg van geschrokken. Waarschijnlijk weet ze niet eens of ze buiten bewustzijn is geweest.

De minachtende blikken van de kennelijk urgentere gewonden gaan nu ook mijn vrouw opvallen. Zij vleit zich solidair met mij op mijn schouder, waarbij ze en passant mijn overhemd besmeurd met haar verse bloed. Het deert me niet.

Als een mannetjesgorilla waak ik over mijn kudde en doe inmiddels geen moeite meer om gewoon terug te kijken. Ik kijk zo minachtend mogelijk terug naar de mensen tegenover ons in de wachtkamer. Er wordt nauwelijks gepraat. Ik fluister lieve woordjes. Mijn vrouw stelt het op prijs. De kinderen hebben de lego ontdekt en proberen zich ermee te vermaken. Ze verliezen hun moeder en mij geen moment uit het oog. Ik voel me opgelaten.

Thuis staat een onafgemaakte pasta te wachten op eters. Ik heb in allerijl mijn kinderen van de sportclub gehaald, terwijl mijn vrouw naar het ziekenhuis werd afgevoerd. We zijn elkaar hier pas weer tegengekomen en vanwege de bedrukte stemming en de oplopende emoties van mijn vrouw heb ik nog niet naar de toedracht kunnen informeren.

Een vrouw met een kruk is aan de beurt. Terwijl ze langs ons heen loopt sist ze een uitermate onvriendelijk woord in mijn richting. Ik zie haar man, die de andere kruk speelt, instemmend knikken. Ik weet niet wat me gebeurt. De vrouw kijkt nog eens om en ik zie aan de paar wachtenden tegenover ons dat zij haar tot held hebben uitgeroepen, zonder er woorden aan te spenderen. Ze glimlachen haar toe als Mona Lisa. Mijn vrouw heeft het niet gemerkt. Zij heeft haar ogen gesloten, ligt nog steeds met haar hoofd op mijn schouder en ik voel hoe het verse bloed mijn overhemd plakkerig maakt.

Ik ruik aan mijn vingers. Knoflook. Ik denk aan de coquilles die ik nog weer in de koelkast kon leggen. De basis voor de saus is al klaar. Zontomaatjes, ui, bosui, knoflook en verse peterselie. De coquilles waren net aan de beurt om in de basis te garen. Ik had ze nog net niet gezouten. Gelukkig maar, anders zouden ze straks te droog worden. Ook de wijn had ik nog weer koud kunnen zetten. Ik had vanmiddag al de prosecco in de koeling gelegd. Voor de kinderen waren er ook bubbels, maar dan zonder alcohol. De tafel was mooi gedekt en de salade van buffelmozzarella, roma’s en verse basilicum stond klaar op een geïmproviseerde koeling. Ik had ijsklontjes in een schaal gedaan waar de saladeschaal precies oppaste. Het zou de basilicum knapperig houden. Het was een warme dag geweest en ik had zin gehad om een mooie lichte pasta te maken.

Hoe anders loopt het nu. Gelukkig zijn we aan de beurt. Mijn vrouw gaat mij voor naar de behandelkamer, de kinderen vermaken zich met de lego.

In de behandelkamer valt mijn oog op een grote poster over huiselijk geweld. Op de poster is een geslagen vrouw zichtbaar, met tranen in haar ogen en een brute man erachter. De man heft zijn arm. Ze hebben niets aan het toeval willen overlaten om de bedoeling van de poster duidelijk te maken.

Ik kijk mijn vrouw aan. Ze glimlacht bij het zien van de poster. De verpleegkundige ziet ons kijken en informeert omslachtig naar de toedracht van de verwondingen van mijn vrouw. Mijn vrouw legt kort en bondig uit hoe ze, tijdens haar jurywerk bij de atletiekwedstrijden een paal van het hoogspringen tegen haar hoofd heeft gehad. Hoe ze een atleet die van de mat dreigde te vallen probeerde tegen te houden en toen de paal omtrok. Dat ze door mensen van de club is gebracht en dat ze lang heeft moeten wachten, maar dat ik gelukkig snel de kinderen had opgehaald en bij haar was. Ze kijkt naar mij. Ik glimlach. Nee, wij zijn niet van het huiselijk geweld, als meneer dat soms mocht denken.
De verpleegkundige is zichtbaar opgelucht na het relaas van mijn vrouw. Hij had zich kennelijk op het ergste voorbereid. Ik houd me triomfantelijk afzijdig. Ben trots op mijn vrouw die na de wondverzorging gehecht wordt.

Vier hechtingen later staan we weer in de wachtkamer. Er zijn geen mensen meer, behalve de kinderen. De televisie toont het nieuws van tien uur. Mijn kinderen springen op en bewonderen de hechtingen van mijn vrouw. Ik zoek de sporttas van mijn vrouw. Hij staat onder de stoel waar ze heeft gezeten.

Terwijl ik de sporttas pak valt mijn oog op een poster. Een poster over huiselijk geweld. Ik heb met mijn bebloede, huilende vrouw de hele avond onder een poster over huiselijk geweld zitten te wachten. Ik kijk naar de plek waar de overige mensen hebben gezeten en probeer me hun beeld voor de geest te halen. Een echtpaar, vrouw gewond, onder zo’n poster.

Ik slinger de tas over mijn rug, sla mijn arm om de schouders van mijn vrouw en ga naar huis. Pasta.

In de auto draai ik ter gelegenheid van de bijzondere avond “Mark en Lucy” van Maarten van Roozendaal. We zingen allemaal mee.

Zalmbonbon

Ex-minister van bankiers Gerrit Zalm liet een proefballonnetje op: de Zalmbonbon. Zijn idee om de crisis te lijf te gaan? Laat iedereen die nu een spaarhypotheek heeft of anderszins zijn hypotheek niet aflost direct tot aflossing overgaan. Zo niet dan verspelen deze mensen de hypotheekrente-aftrek. Een aardig zalmbonbonnetje: glad van buiten en altijd weer verrassend als je er aan begint. Op het eerste oog.

Het zit namelijk iets genuanceerder. Dat mij dat opvalt is niet in de laatste plaats gelegen aan het feit dat Zalm, Gerrit voor intimi, het hier over mij en mijn hypotheek heeft. Ik heb namelijk zo’n hypotheek waar niet op afgelost wordt, waar ik netjes maandelijks mijn rente voor betaal, die lange tijd vaststaat, waarmee ik een vermogen opbouw om straks de hypotheek ineens mee af te lossen. Ik heb dat niet zelf bedacht. Ik ben een financieel onbenul, vergeleken bij de gladde financiële mannetjes die mij deze hypotheek adviseerden.  De financiële mannetjes die mij handig voorrekenden dat ik precies op deze manier de minste kosten, de hoogste aftrek en het gelukkigste leven zou kunnen leiden. Ik heb nog wel tegengesputterd. Dat werd weggewoven. “Zouden wij als gerenommeerde bank onze clientèle besodemieteren?”. Het was een retorische vraag waar ik pas nu, jaren later, antwoord op kan formuleren. Banken zijn inderdaad in het leven geroepen ter meerdere eer en glorie van henzelf en zeker niet als dienstverleners van hun clientèle! Maar wie ging daar van uit?

Ik heb  een normaal huis voor het normale gezin dat ik heb. Ik heb geen tophypotheek, heb financieel netjes opgepast, betaal iedere maand mijn rekeningen en geef de rest van mijn geld aan de plaatselijke middenstand zodat die draaiende blijft. Een voorbeeldig staatsburger.

Zalm zal zeggen dat mijn handtekening eronder staat en dat ik dus zelf verantwoordelijk ben. Dat klopt: ik heb bij volle verstand getekend voor een financieel product waarbij ik vertrouwen legde in het oranje-blauwe logo, de betrouwbaarheid van het pak tegenover mij en zijn rekensommen. Inmiddels weet iedereen beter: financiële producten zijn ondoorzichtig, kennen valse bodems en een onduidelijke prijsopbouw. Eenmaal getekend zit je vast aan het product, de bank en kan jouw financiële mannetje een nieuw pak kopen voor een volgende cliënt.

Nu verbaas ik mij jaarlijks weer over de kosten die verdwijnen bij mijn opbouw. Een sok heeft meer rendement. Ik weet ook niet wie er voor mijn langlopende, vaststaande hypotheek aan de slag is. En wat ze er precies mee doen. Getuige de kosten zit er tenminste eentje de hele dag mijn dubbeltjes te poetsen. Het is er dus nog zeker niet doorzichtiger op geworden.

In IJSland hebben ze het aardiger aangepakt. Voor zover ik het begrijp hebben ze daar een oplossing gezocht in de hoogte van hypotheken. Maximaal 110% van de waarde van de huizen mag de hypotheek zijn. En als dat nu hoger is (door malversaties bij de banken) dan neemt de bank dat verlies. Want zíj waren het die malverseerden. Het extra geld dat dat kost is geen probleem. zo blijkt. Het was er namelijk al nooit. Het bestond niet en nu ze daar afgesproken hebben het er niet meer over te hebben lijkt een groot gedeelte van dit fictieve probleem te zijn opgelost.

In Nederland neemt de politiek geen afstand van malverserende bankiers. Het is het voorland van politici (kijk naar de post-politieke carriere van Gerrit) en dat voorland ga je niet bezoedelen. De banken leveren niets in. Mijn oranje-blauwe bank heeft nog geen geste gedaan. Nog geen gebaar gemaakt. Ik wacht er nog steeds op. Maar ja, mijn handtekening stond erop en ik had het kunnen weten.

Ik zou graag met Gerrit op een bankje gaan zitten in het park en dan luisteren naar zijn uitleg. Ik hoop dan dat hij mij uit kan leggen waarom deze financiële crisis de schuld is van de consument. Omdat uiteindelijk de consument de kosten gaat dragen. Ik zal hem ook zeggen dat ik best wil aflossen, maar tegen dezelfde condities. En dat, wanneer dat een verlies oplevert, dat dat verlies dan voor mijn oranje-blauwe bank moet zijn.  Hij zal mij zeggen dat ik dat helemaal verkeerd zie en dat ik als Nederlands staatsburger mijn verantwoording moet nemen. Ik zal hem dan hard tussen zijn ogen raken. Met mijn vuist. Terwijl hij bijkomt en stelt dat ik hem geslagen heb zal ik mijn vinger opheffen: “Nee, Gerritje, dát zie jij verkeerd! Ik sloeg jóu niet. Jíj kwam tegen mijn vuist aan. En dat had je kunnen weten. Net zoals ik mijn oranje-blauwe bankier had kunnen kennen…’

 

CITO informatie

(Geschreven voor netwerkouderinitiatieven.nl en daar ook te vinden)

De (demissionair) minister van OCW wil graag dat er een verplichte eindtoets voor het onderwijs komt. Doel hiervan is uiteindelijk het verhogen van de leeropbrengsten. Een van de tegenargumenten[1] is dat het een verplichting voor het onderwijs is en dat dat in strijd is met de vrijheid van (in)richting van het onderwijs. In dit stuk gaan we bekijken wat er bekend is over de Cito (die het monopolie krijgt van de minister), wat de mogelijkheden voor ouders zijn, hoe het staat met de vrijheid van onderwijs in relatie tot deze verplichting, hoe verhoudt zich toetsen in het algemeen tot leeropbrengsten.

Vooraf:

In 1996 werd in Chicago op de Public Schools een pilot begonnen met gestandaardiseerde toetsen om de opbrengsten in het onderwijs te meten[2]. Dit als voorloper op het door de regering Bush ingestelde NoChildLeftBehind-beleid dat in 2002 werd uitgerold. Het GeenKindRaaktAchterop kennen we van Passend Onderwijs.
Een van de dingen die uit de pilot in Chicago bleek was dat de leeropbrengsten omhoog gingen. Dit kwam echter niet doordat het onderwijs beter zijn best ging doen. Ook niet omdat kinderen slimmer werden. Het kwam omdat de toetsen beter gemaakt werden. Doordat deze toetsuitslagen gekoppeld werden aan financiering (van scholen) en zelfs aan de baanzekerheid van leerkrachten ontstond een bodem voor fraude. Door fraude werden de toetsen beter gemaakt (en bleven scholen in stand en behielden leerkrachten hun baan (als ze niet betrapt werden)).
In het Nederland van 2012 heeft de politiek de bedoeling om een gestandaardiseerde test verplicht te stellen. De doelen zijn vergelijkbaar met de hierboven geschetste situatie. Bedenk zelf de gevolgen.

CITO:

Cito is een bedrijf[3]. Een stichting met daaronder een BV. De Stichting is de enige aandeelhouder van de BV. Cito zet zichzelf als deskundige speler in de markt van onderzoek en toetsing en richt zich (internationaal) vooral op onderwijs. In Nederland lijkt Cito steeds meer op een overheidsbedrijf. Het grootste deel van de scholen gebruikt Cito. De Cito-eindtoets wordt door een grote groep scholen afgenomen en wordt bij de toelating tot de middelbare school als belangrijk item gezien. Ook de ondersteunende toetsen (jaartoetsen, reken-taaltoetsen) etc. worden door Cito ontwikkeld en worden op veel scholen gebruikt.
Het is het onderwijsveld en de overheid die Cito tot een grotere speler maken dan ze zijn. Cito is namelijk geen overheidsbedrijf en het blijft bijzonder dat de grootste speler op de markt zonder overheidstoezicht een zo belangrijke rol kan spelen in het onderwijs.

Onderwijsniveau op basis van citoscore:

Cito zelf erkent op haar site[4] de moeilijkheid die er (methodologisch) is met het gebruik van de individuele eindtoets als indicator voor het algemene onderwijsniveau. In andere onderzoeken die Cito uitvoert (het Periodiek Peilingonderzoek Nederland[5] bijvoorbeeld) blijkt dat over een periode van 20 jaar het onderwijsniveau niet is gestegen, maar ook niet is gedaald. Het idee dat het met het onderwijs slecht gesteld is wordt dus niet bevestigd uit longitudinaal onderzoek.

Een volgende reden waarom de individuele eindtoets niet gebruikt kan worden als indicatie voor het algehele onderwijsniveau ligt aan de normering en equivalering van de resultaten[6]. Dit gebeurt omdat daarmee een voor het individuele kind zo getrouw mogelijk beeld ontstaat van de mogelijkheden die dit kind voor de toekomst heeft op de getoetste onderdelen. Het doel van de individuele eindtoets is om voor een individueel kind duidelijk te maken waar de mogelijkheden liggen.
Ook hier dus een puur wetenschappelijke reden om niet zomaar individuele resultaten te gebruiken voor algemene doelen. Dan hebben we nog niet eens het risico van toestanden zoals in Chicago benoemd.

Alternatieven?

Zijn er alternatieven voor een Cito-eindtoets? Die lijken er zeker te zijn. Het blijft echter de vraag of dit voor organisaties haalbaar is, zolang er een monopolie voor Cito in stand gehouden wordt door het onderwijsveld en de overheid. Een alternatief is bijvoorbeeld het Dynamic Assesment[7]. Dit is echter een tijdrovende en arbeidsintensieve methode die niet gemakkelijk toepasbaar is. Als alternatief voor kinderen die wat minder gemakkelijk in de toetsdiscipline van Cito passen is het echter wel een te overwegen methode.

Niet toetsen?

Er zijn nog altijd scholen die de toets niet afnemen. Het betreft hier vooral zogenaamde vernieuwingsscholen. Dit wordt hen niet in dank afgenomen. Het ontbreken van toetsgegevens in een school wordt namelijk door de inspectie van onderwijs[8] gezien als lacune. Dus daar waar een eindtoets nog niet verplicht is, wordt het ontbreken van een toets (of een vergelijkbaar instrument) aangerekend als tekortkoming door een overheidsinstantie die de inspectie van onderwijs is.

Rechten van ouders

Hoe staat het met de rechten van ouders. Ouders kunnen zich in alles steeds weer beroepen op de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Alle schoolbesturen in Nederland hebben zich daar aan te houden. Deze wet regelt onder andere dat gegevens die onjuist of niet ter zake doende uit een dossier kunnen worden verwijderd. De minister heeft getracht de onderwijspraktijk rond het leerling-dossier wettelijk geregeld te krijgen. In de internetconsultatie die ze daarover hield werd al duidelijk dat ouders zich zorgen maken over de privacy van gegevens. De praktijk blijft echter diffuus. Een schooldirecteur mag vier weken de tijd nemen om een verzoek tot inzage in het leerling-dossier door ouders te organiseren[9]. Voor maximaal € 4,50 mag het dossier gekopieerd worden. Het dossier mag niet de school uit en daar waar het dossier bezit is van school, bezit het gegevens die rechtelijk tot het domein van ouders (wettelijke vertegenwoordigers) behoren. Dat maakt het ingewikkeld.

Het doel van het leerling-dossier en van alle toetsgegevens is om de overgang naar een andere onderwijsvorm of naar een volgende school goed te kunnen ondersteunen. In alle gevallen waarbij ouders en school daar in goed overleg een aantal stappen hebben gezet is dit dan ook niet direct een probleem. Het verhaal wordt anders als er een bezwaar is bij ouders of school over de te nemen stappen[10]. Dan wordt ineens dat leerling-dossier belangrijker en moet er vertrouwen zijn in de omgang met de gegevens. Dat is, met name in die situaties, extra lastig.

Ouders mogen dus gegevens gemotiveerd verwijderen. Ook niet ter zake doende gegevens mogen worden verwijderd. Wat niet ter zake doende is, levert wellicht al een geschil op. Gegevens toevoegen mag echter ook. Daar waar ouders van mening zijn dat een test (eventueel in eigen beheer uitgevoerd) een beter beeld geeft van de mogelijkheden van een kind mag een ouder deze informatie toevoegen aan het leerling-dossier.

Wat er gebeurt als je je kind de cito-toets onthoudt is onbekend. Duidelijk is wel dat veel vervolgonderwijs een gevalideerde toetsuitslag verlangen. Daar komt weer het monopoliedenken van het onderwijs en de overheid om de hoek. Wat valide genoeg is, is aan het onderwijs.

Trainen voor de Cito?

Die kinderen die trainen voor de Cito zorgen er voor dat ze hoger scoren op de test. Er komen naar verhouding meer mensen met een iets hogere score uit de Cito. De resultaten van ongetrainde kinderen worden daarmee relatief iets lager (door de normering en equivalering). Voor een individueel kind zal een iets hogere Cito kunnen betekenen dat het naar een andere vorm van vervolgonderwijs kan. Of het dat vervolgonderwijs ook haalt zonder duurzame ‘bij’-training is dan echter weer de vraag. De Cito lijkt een hobbel die, door de wijze waarop het onderwijs is ingericht, nu eenmaal genomen moet worden.

Hetzelfde geldt het voor de aanpassingen die sommige kinderen krijgen om de eindtoets te maken (op basis van indicaties als dyslexie en dergelijke). Wanneer het voortgezet onderwijs deze aanpassingen niet doet zal een kind alsnog uitvallen.

Het blijft ook bijzonder dat in een land waar het uitlekken van informatie bijna een voorwaarde is voor het bestaansrecht van die informatie de toetsen nauwelijks publiekelijk uitlekken. Wat zou er gebeuren als een week voor de Cito-eindtoets de vragen en antwoorden al over internet circuleren? Vooralsnog lijkt de toevallige vinder van Cito-opgaven, zowel als Cito zelf, er belang bij de te hebben dat indien een toets voortijdig op straat ligt, dit stil blijft.

Kortom:

De verplichte Cito is een slecht idee. Cito heeft een monopoliepositie verkregen in het onderwijs. De overheid en het onderwijs zelf werken dit in de hand. Ze creëren daarmee een afhankelijkheid van een commercieel bedrijf voor wat betreft hun onderwijskwaliteit. Ouders krijgen steeds minder rechten. Ze hebben rond de Cito weinig keuze. Extra oefening heeft nadelen, geen oefening ook. Het weigeren van de Cito ontslaat niet van het verzoek van het voortgezet onderwijs om een niveaubepalende toets.

Een ding is zeker: als de verplichte eindtoets zal worden ingevoerd zal dat leiden tot een verhoogde onderwijsopbrengst. Zeker als de resultaten worden gekoppeld aan de budgetten op school. Dat dit niet ten goede komt aan de kinderen en aan het onderwijs moge ook duidelijk zijn. Kijk maar naar Chicago.


[1] http://www.redhetbasisonderwijs.nl/
[2] Freakonimics – Steven D. Levitt en Stephen J. Dubner (blz 42 ev) http://www.bol.com/nl/p/freakonomics/1001004004485320/?Referrer=ADVNLGOO0020083955bn4
[3] Organisatievragen: http://www.cito.nl/over%20cito/dit_is_cito.aspx
[4] Over conclusies op basis van citoscore: http://www.cito.nl/over%20cito/pers/conclusie_basis_citoscore.aspx
[5] Periodieke Peiling Onderwijs Nivo (ook door CITO) http://www.cito.nl/onderzoek%20en%20wetenschap/onderzoek/ppon.aspx
[6] Toetsspecial: over normering, equivalering en dergelijke: http://toetswijzer.kennisnet.nl/html/normering/default.shtm
[7]Dynamic Assesment: http://nieuw.stibco.nl/mogelijkheden/da
[8] Inspectie over toetsen: http://www.onderwijsinspectie.nl/actueel/publicaties/Analyse+en+waarderingen+van+opbrengsten+augustus+2011.html
[9] NKO-5010 info over leerlingdossier: http://www.nko-50tien.nl/ned/basisonderwijs/schoolkeuze1/schoolzaken1/leerlingdossier1/welke-informatie-bevat-een-leerlingdossier-en-mag-ik-als-ouder-daarin-kijken.aspx
[10] Ouders Online – artikel inzake leerlingdossier: http://www.ouders.nl/mana2011-eld.htm

 

 

Informatieplicht ouders in onderwijs?

(geschreven voor netwerkouderinitiatieven.nl en ook daar te vinden)

In hoeverre hebben ouders informatieplicht om de school te informeren over de ondersteuningsbehoefte van hun kind en wat houdt deze informatieplicht in?

Uitgaande van de wenselijkheid van goed overleg tussen school en ouders om tot een passend onderwijs arrangement te komen, roept deze eventuele informatieplicht vraagtekens op. Wat houdt deze dan in en hoe verhoudt deze zich tot de relatie tussen school en ouders?
Na het op een rijtje zetten van relevante informatie uit de wet, referentiekader en informatie van het ministerie over dit onderwerp, volgt hoe dit zich verhoudt tot de uitgangspunten van passend onderwijs, de positie van ouders en de samenwerking met de school.
Mocht je hierop aanvulling hebben of vanuit je praktijk kennis van hebben dan stellen wij het zeer op prijs dit kenbaar te maken via het reactieformulier.

Wat wordt er zoal gezegd en geschreven?

Op www.passendonderwijs.nl staat:  “als u denkt dat uw kind extra hulp nodig heeft, kunt u dit doorgeven bij aanmelding”. Dat lijkt in niets op een harde verplichting. In de wet Passend Onderwijs wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de deskundigheid van ouders en van school. Een ouder die zich kan uitspreken over de behoefte aan onderwijsondersteuning, is daarmee in tegenspraak.

Het referentiekader biedt wellicht uitkomst. Het referentiekader, waar verschillende partijen lange tijd aan geschreven hebben stelt (pag 13): “ouders informeren daarbij over alle relevante zaken die de zorg en ondersteuning van hun kind betreft.”.  Dit lijkt wel een hele brede opdracht, al biedt de term ‘relevante’ ruimte. De beoordeling van de relevantie van informatie is voor de rest van de wet niet aan ouders. Het zou vreemd zijn als hier ineens wel die deskundigheid aan ouders wordt toegedicht.

Scholen hebben een professionele uitwisselingsplicht. Ouders conformeren zich hieraan bij aanmelding op een school. Bij het daadwerkelijk overgaan tot professionele uitwisseling dient een school dit kenbaar te maken aan ouders. Het referentiekader laat in het midden of ouders hiervoor toestemming moeten geven. Dit lijkt in strijd met de Wet op de Bescherming van Persoonsgegevens. Deze wet geeft weliswaar de mogelijkheid om uitzonderingen te maken, maar het lijkt niet denkelijk dat een gewone onderwijspraktijk onder de uitzonderingen van deze wet kunnen vallen.

Positie ouders

Een van de speerpunten van Passend Onderwijs is de versterking van de positie van ouders. Een belangrijke pijler onder dit speerpunt is de zorgplicht. In de uitwerking van de wet betekent het dat de versterkte positie van ouders bereikt wordt doordat zij niet langer met een kind hoeven te shoppen langs scholen. Borging van de positie van ouders door wetgeving is niet de keuze geweest van het vorige kabinet. Er wordt verwezen naar de medezeggenschap en de ondersteuningsplanraad. Individuele ouders kunnen via formele procedures hun klachten kenbaar maken. Ook daarin is geen voorziening getroffen in de zin dat een kind onderwijs blijft genieten totdat de klachtenprocedure is afgerond.

Zorgplicht

De zorgplicht kent vier aspecten: informatie, communicatie, ondersteuning en medezeggenschap.  Bij informatie noemt het referentiekader de plicht van het samenwerkingsverband om het regionale onderwijsondersteuningsplan voor ouders toegankelijk te maken. Het referentiekader vermeldt niet de grenzen aan deze toegankelijkheid: gaat het erom dat ouders de beschikking hebben over dit technisch ingewikkelde plan, of gaat het erom dat (alle) ouders ook snappen wat er staat en wat het betekent? Ook hier spreekt het referentiekader zich dus niet uit.

Voor ouders moet het met Passend Onderwijs duidelijker worden wat elke school te bieden heeft, welke expertise er in de school is en wat er gebeurt als er iets extra’s nodig is. Zaken die het onderwijs nu voor ouders soms diffuus maken. Die duidelijkheid is in ieder geval wenselijk. Het blijft een vraag in hoeverre het onderwijsveld in staat is om de diffuse samenhang van zorgstructuren en extra ondersteuningen op een begrijpelijke manier aan (alle) ouders uit te leggen.

Vrije schoolkeuze

Voor ouders geldt een recht op vrije schoolkeuze. Als een kind een extra ondersteuningsvraag heeft is die keuze beperkter. Dit mag echter weer niet in strijd zijn met de Wet op de Gelijke Behandeling bij Handicap of Chronische Ziekte. Ook hierin ligt er een taak voor de interpretatie van de verschillende wetteksten. Daar waar de WgbH/CZ duidelijkheid verschaft, mogen onderwijsbesturen zich beroepen op een onevenredige belasting. Maar wat is nu onevenredig en wat geldt nu eigenlijk als belasting?

Individuele ondersteuning

De wet voorziet wel  in individuele ondersteuning van ouders. Overigens zonder dit te specificeren of nader in te vullen. Het is ook onduidelijk of deze individuele ondersteuning in de bekostiging van Passend Onderwijs valt of dat de betaling van deze individuele ondersteuners aan de hoogste bieder is. Die individuele ondersteuning is een pijler onder de zorgplicht en zou de positie van ouders dus moeten versterken. Ouders zouden die rol voor elkaar kunnen vervullen.

Hoe meer je je verdiept in de materie rond de informatieplicht en de aangrenzende wetgeving hoe onduidelijker het wordt: – Er staan geen duidelijke richtlijnen op papier, – daar waar duidelijkheid wordt verschaft is dit in strijd met de tendens in de rest van de wetgeving, – daar waar de ene wet duidelijk is, schept andere wetgeving weer onduidelijkheid, – de ondersteuning van ouders is geregeld in de letter van de wet, maar niet in de praktische uitwerking.

Samenwerking

Al met al levert het stof tot samenwerking op voor ouders. Samenwerking met andere ouders in gelijke situaties. Samenwerking met onderwijs om tot goede sluitende afspraken te komen. Taak aan het onderwijs is het om de onduidelijkheden in de wet genereus en vanuit de partnerschapsgedachte in te vullen. Op lokaal en regionaal nivo zijn er voorbeelden van waar dat goed verloopt. Dit is echter geen verdienste van de wetgeving: het is een verdienste van de mensen in dat veld die de spelers op dat veld serieus nemen.

Advies

Vooralsnog lijkt het belangrijkste advies aan ouders dat ze de regie over (de zaken rond) hun kinderen moeten houden. Regie over de uitkomsten van onderzoeken, regie over de onderzoeken, regie over aanvragen, indicaties en rapportages. Om daar waar nodig, als er met de individuele ondersteuning geen duidelijkheid komt, gewoon de formele procedures te volgen. Niet zozeer ten faveure van een individueel kind, maar ten faveure van de onduidelijkheid die de wetgever in dezen laat bestaan. Dat lijkt samenwerken ‘met de handrem erop’, maar lijkt in de huidige onduidelijkheid en vanuit het belang van kinderen het enige juiste.

Geraadpleegde pagina’s en links

Eiland

Gisteren werd ik in verband gebracht met een mysterieus nieuw twitteraccount: @RexMino. Natuurlijk keek ik bij Rex Mino en bekeek de ene tweet en de eerste informatie. Rex wil een eigen eiland, eigen regels en als ze niet meer werken nieuwe regels. Ik snapte de connectie met Rex. Ik wil ook een eiland. Ik besloot Rex te volgen en geld daarmee als een “early adapter”. Je weet nooit waar het nog goed voor kan zijn.

Ik heb Rex meteen de tekst van een lied van Andre Manuel gestuurd. Een lied dat ik vond passen bij de ambities van Rex. Ambities die ik zo herkende. Vandaag heb ik daarover doorgedacht en ik vond mijzelf in die dagdroom terug bij Rex aan een tafel in een obscuur Belgisch wegrestaurant. We bespraken de wereld, de maatschappij en krabbelden op bierviltjes onze ideeën voor het eiland.

Ideeën die net zo fantastisch als realistisch leken, op dat moment, aan dat tafeltje, op die bierviltjes. De mensen op het eiland zouden niet gericht zijn op bezit. Ze zouden gericht zijn op dienstbaarheid. Dienstbaarheid aan zichzelf en aan elkaar. Het bezit wat ze hadden was dat wat ze nodig hadden. Een gemeenschap gericht op het helpen van elkaar en ter meerdere eer en glorie van de omgeving. De natuurlijke omgeving en de mensen in die natuurlijke omgeving. Een maatschappij gericht op geluk en niet op gelijk. Op vertrouwen en niet op controle. Gericht op het verbinden van vakmanschap in plaats van het uit elkaar spelen van concurrenten.

Een plek waar vijanden vrienden werden alleen door de ideeën over elkaar te kantelen. Waar de grootste onenigheid de basis werd voor een nieuw verbond. En waar vooral iedereen zichzelf kon zijn. Een open gemeenschap die gesloten genoeg zou zijn om veiligheid te bieden aan iedereen. Een gesloten geheel waar openheid en transparantie niet eens benoemd hoefde te worden.

Er zouden nieuwe zakelijke concepten ontstaan. Onmogelijkheden werden omgedacht en zouden aan de basis staan van nieuwe succesvolle ondernemingen. Wederom niet gericht op bezit en op het vergroten van dat bezit, maar gewoon omdat het kon. En Rex en ondergetekende zouden slechts één procent van de verdiensten van de ondernemingen ontvangen. Alleen om naar een volgend eiland te kunnen reizen en daar te zoeken naar nieuwe onmogelijkheden en oude vetes die om oplossing schreeuwden. De beweging rond Rex zou groeien en groeien en meer en meer mensen zouden zich aansluiten bij zijn even verwarmende als vernieuwende ideeën.

“In september zal het beginnen”, samenzweerde Rex mij vanachter zijn glas en hij keek er nog eens diep in, “zorg dat je erbij bent” en hij schoof mij een foto toe die ik herkende van zijn site.

“Opdat je niet vergeet…”

Dagdroom of niet; ik kijk uit naar de volgende berichten van Rex. Ik zal zorgen dat ik er ben als het nodig is.

 

Ontwaakt

De wekker gaat af. Het is kwart over zes, al weet hij dat het eigenlijk achttien na zes is, want het is woensdag en in het weekend is de wekker gelijk gezet. De wekker loopt slecht. In een week wel zeven minuten. Iedere morgen rekent hij de tijd terug. Hij is dan eigenlijk al wakker, maar houd zijn ogen gesloten en zijn lijf stil.20120516-214326.jpg
De wekker gaat opnieuw om half zeven. Hij kan nog vijftien minuten stil liggen. Hij voelt zijn eigen warmte in de dekens en voelt hoe zijn arm warm wordt nu hij die weer onder de deken heeft gelegd. Hij voelt hoe zijn partner zich bijdraait. Haar wekker zal zo afgaan. Hij doet altijd net alsof hij die niet hoort. Hij hoort de wekker wel. Haar wekker heeft een nare hoge piep en ze laat hem altijd zeker zes keer afgaan. Hij is het eigenlijk al zat na twee keer. Hij weet dat zij wakker is, maar ze zeggen niets tegen elkaar. Degene die begint te praten is af.
Hij heeft nog zeker zes minuten nu. Zijn voeten worden koud. Hij stopt ze verder onder de dekens. Hij voelt aandrang om te gaan plassen. Hij neemt een slok water. Een slok water uit de fles die hij gisteravond heeft klaargezet en waar hij precies tot onder het etiket gisteren het water heeft uitgedronken.
Plassen mag pas na de tweede wekker. Hij rust uit. De fles is leeg nu en de aandrang wordt heftiger. Hij kan er pas over vier minuten uit. Hij probeert zich te concentreren op andere dingen, maar alle andere dingen beginnen te plassen. Wanneer hij nu uit bed gaat om te plassen is hij beneden als zijn wekker afgaat. Hij zal zijn vrouw ergeren en het laatste dat hij nu wil is zijn vrouw ergeren. Hij blijft stil liggen.
Hij wil de wekker niet verzetten, want dan kan hij morgen niet het verval uitrekenen. Het verval is niet iedere week hetzelfde. Dat is bijzonder heeft hij gelezen. Hij heeft internet afgespeurd naar de nauwkeurigheid van digitale klokken en gezien het feit dat hij er nauwelijks teksten over vond zal niemand dat ooit hebben beziggehouden. Toch vond hij een tekst die stelde dat de nauwkeurigheid van digitale klokken ongekend is. Alle klokken lopen precies behalve de zijne.
Hij heeft als enige een niet nauwkeurige digitale wekker.
Het duurt nog drie minuten voordat hij kan gaan plassen. Dan is de wekker afgegaan en kan hij de snooze-knop nog een keertje indrukken. Na de snoozeknop duurt het precies 12 minuten voordat zijn telefoon een wektoon geeft.
Die 12 minuten gebruikt hij effectief. Hij gaat naar het toilet, meteen na het indrukken van de snoozeknop. Hij neemt zijn fles water, gooit die bij het afval en drinkt uit het kommetje van zijn handen een slok water bij de kraan.
Hij droogt zijn handen niet. Hij laat ze langs zijn lijf afhangen en droogt ze aan de lucht. Als hij boven is ruikt hij zijn handen en voelt hij of ze nog nat zijn. De laatste druppels schudt hij af bij zijn bed. Hij kruipt nog eenmaal onder de dekens. Acht minuten nog.
Hij sluit zijn ogen en ademt zwaar. Als hij zwaar ademt denkt zijn partner dat hij slaapt en krijgt hij geen vragen. Hij ademt zwaar en kijkt door één oog naar de wekker. Nog zes minuten.
Zijn voeten worden koud en hij stopt ze beter in de dekens. Hij voelt de warmte van de dekens en hij voelt nu hoe zijn vrouw ongedurig wordt. Zijn vrouw gaat altijd iets eerder uit bed om hem er daarna uit te manen. Het duurt nog vier minuten voordat zijn telefoon afgaat.
Hij besluit de radio aan te zetten. Eigenlijk is het geen besluit. Eigenlijk doet hij dit altijd. Zes blokjes volume van de veertig. Radio één. Het gewauwel brengt zijn ontspanning terug. Hij ademt zwaar. Wakker. Geheel en al ontwaakt.

Placebo

Vandaag vroeg op Twitter iemand om onderzoek dat ingaat op effecten van Ritalin op de lange termijn. Ik ben geen wetenschapper en niet deskundig op het gebied van Ritalin of ADHD. Ik heb echter wel gezond verstand en kennis van wat andere zaken. In een paar tweets probeerde ik dat duidelijk te maken, wat maar gedeeltelijk lukte.

Er is ongetwijfeld onderzoek gedaan naar het effect op lange termijn van Ritalin. De werkzame stof wordt sinds begin jaren zestig gebruikt en ook voor dezelfde doelen voorgeschreven. Er moet dus onderzoek mogelijk zijn en dat zal ook gebeurd zijn. De vraag die ik daarbij echter heb is de waarde van uitkomsten van die onderzoeken. Ik ken een filmpje op internet dat ik hier graag aanhaal: The Placebo Effect.

De kern van mijn betoog komt voort uit dit filmpje:

als je niet weet waarom een middel werkt, hoe een middel werkt en wanneer een middel werkt als het gaat om alleen het feit dat het een middel is, hoe kan je dan nog met zekerheid iets zeggen over de werkbaarheid van werkzame stoffen?

Bij voorschriften Ritalin gebeurt dat momenteel vaak in een trial. Een trial waarbij je drie weken lang, zonder voorkennis, een middel krijgt waarbij je verschillende doses Ritalin krijgt, naast een placeboweek. De omgeving rapporteert de verschillen. Hiermee is te zien wat Ritalin mogelijk doet, ware het niet dat alleen het feit dat een persoon een medicijn slikt (en ook nog eens bekeken wordt) ook effect heeft op klachten. Dit is bijna niet mee te nemen/uit te sluiten in onderzoek.

ADHD (en aanverwanten) is een serieus probleem, waarbij je misschien wel op de koop toe moet nemen dat er nauwelijks zekerheidgevend onderzoek naar te doen is. Het niet verstrekken van medicatie wanneer dit wel is geindiceerd is bruut. Het wel verstrekken van medicatie waarbij dit, met gezond verstand beredeneerd, nauwelijks wetenschappelijk te staven is, is net zo bruut.

Misschien dat ook hier gezond verstand kan helpen: want wat nu als het wel werkt? Wat nu als uit zo’n drieweekse trial blijkt dat Ritalin een ander en gewenst effect teweeg brengt bij het kind. Dan weet je weliswaar nog steeds niet of het op de langere termijn (schadelijke) effecten heeft. Je zult hier als ouder de afweging moeten maken: wat weegt zwaarder: de eventuele mogelijkheid van (schadelijke) effecten op de lange termijn of een kind dat zich beter voelt en zich sociaal prettiger kan bewegen op dit moment? Voor beide standpunten is veel te zeggen en het is aan ouders op dat moment om die keuze te maken.

Een kritische kijk op deze zaken is noodzakelijk. Het is aan deskundigen om de grenzen van hun deskundigheid aan te geven en vragen serieus te nemen. Wetenschap is geen geloof.In dit verhaal heb ik aan al die onderzoeken nog iets proberen toe te voegen: onderzoek naar de werking van placebo’s. Want wat zegt dat over de waarde van onderzoeken naar werkzame stoffen? Het gaat niet alleen om op zichzelf staand onderzoek, maar juist ook of de resultaten overeind blijven als je er ander onderzoek naast legt.

Wakker worden

(column voor het personeelsbulletin van RevalidatieCentrum het Roessingh, verschenen december 2011)

Iedere eerste maandag van de maand, om twaalf uur precies, word ik afgeleid. Het luchtalarm wordt getest en spreken is even niet mogelijk. De test is bedoeld om het systeem te checken, maar gebeurt ook vanuit het oogpunt van bewustwording bij het publiek van het bestaan van het alarm.

Met die bewustwording zou je meer kunnen doen. Ik zag onlangs op internet op een StandUpInspiration-avond een idee hierover (www.standupinspiration.com). Een klein, simpel uitvoerbaar idee, waar niemand toestemming voor hoeft te geven.

Misschien is het een goed idee om dit voor jezelf, in jouw situatie toe te gaan passen. Even uit de waan van de dag. Even niet wijzen naar een ander, maar bij jezelf naar binnen kijken.

Hoe?

Gebruik het maandelijkse luchtalarm als wekker. En beantwoord dan voor jezelf de volgende vragen:

–          Heb ik met iemand nog iets goed te maken?
–          Ben ik iemand vergeten?
–          Met wie zou ik contact willen hebben?
–          Wie zou ik een compliment willen geven?
–          Doe ik de Goede Dingen?

En zorg dat je er dan ook iets mee doet. Ga naar de persoon met wie je iets goed te maken hebt, bel degene die je vergeten bent en maak contact met de mensen waarmee je contact wilt hebben. Geef je complimenten en ten slotte: doe de Goede Dingen.

Twaalf keer per jaar.
Eerlijk zijn naar jezelf en mild zijn naar anderen.
Ik zal op jou wachten, zoals jij op mij zal wachten.
Dan ontmoeten we elkaar halverwege.

Waar spreken we af als we elkaar kwijt zijn?

(column voor het personeelsbulletin van RevalidatieCentrum het Roessingh, verschenen juni 2011)

In tijden van crisis, terugval en bezuiniging rollen de ideeën over elkaar heen. Er zijn ideeën van mensen die het toch al voor het zeggen hadden en soms komen er nieuwe ideeën. Al die ideeën moeten leiden tot een nieuwe orde in de chaos van vandaag.

De ideeën van de mensen die het toch al voor het zeggen hadden, hebben als belangrijkste kenmerk dat ze oude structuren intact houden. Daar heeft het in ieder geval alle schijn van. Het management-mantra: “we moeten de schouders eronder zetten” gaat meestal over andermans schouders. Meedenken en meepraten wordt getolereerd, zolang ideeën maar passen binnen de oude structuren.

In de huidige tijd zijn er mogelijkheden die gebruikt kunnen worden terwijl er geen controle is van de mensen die het toch al voor het zeggen hadden. Daarmee verandert er iets aan de structuur van de macht. Kennis was al voor iedereen bereikbaar geworden door internet. Door ook de verspreiding van ideeën via internet ontstaat een beweging die zich niet laat controleren.

Het is een aardig spel: de ideeën van de mensen die het toch al voor het zeggen hadden tegen de ideeën van een nieuwe orde: de mensen die het zich niet laten zeggen. Beiden zijn nodig om tot een nieuwe orde in de chaos van vandaag te komen. Waar het uit komt? Wie het weet mag het zeggen.

Laten we in ieder geval afspreken waar we naar toe gaan als we elkaar kwijt zijn.