Categoriearchief: Uncategorized

Diagnose: jongen

Het gebeurt steeds weer, in alle zaaltjes waar ik kom praten over omgaan met ingewikkelde onderwijssituaties. Als ik mensen vraag om een leerling in gedachten te houden waar ze een oplossing voor zoeken heeft 90% een jongen in gedachten. Van meisjes hebben mijn zaaltjes minder last. Ik stel de zaaltjes inmiddels ook voor dat we jongen tot een nieuwe diagnose verklaren. Waarom hebben we zoveel moeite met jongens?

Je kunt best een boom opzetten over het gefeminiseerde onderwijs, het gebrek aan mannelijke rolmodellen en de mate waarin jongens passen binnen een setting waar zithouding, uitstel van behoeftes, cognitieve vaardigheden en verbale assertiviteit prevaleren boven fysieke kracht, beweeglijkheid en trial and error. Dat ga ik niet doen.

Een recente analyse door Trimbos en RIVM wijst namelijk uit dat meisjes veel meer last hebben van emotionele problemen dan jongens. Het gaat dan vooral om de internaliserende problemen en de verschillen zijn echt opmerkelijk. Bij jongens gaat het vooral om gedragsproblemen van het externaliserende soort. Dus waarschijnlijk ligt ook daar een verklaring voor het overschot aan jongens in de gedachten van mijn zaaltjes. Een internaliserend emotioneel probleem is in een klas waar stilzitten en uitstel van behoeftes de norm is nou niet direct een probleem.

En toch.

Moeten we de diagnose jongen niet toch maar invoeren? Al was het maar om het bewustzijn te vergroten dat het niet de jongen is die een probleem is, maar het systeem dat we die jongen aandoen? Dat als we zijn eigen aardigheden wat meer als uitgangspunt nemen er misschien wel veel minder externaliserende problemen ontstaan? Misschien hooguit externaliserend gedrag waar we om glimlachen, de schouders ophalen om door te gaan met waar we mee bezig waren. Of misschien een potje meerennen of een robbertje vechten?

Ik blijf het doen in zaaltjes. Kijken of het klopt. Niet alleen voor de jongens. Ook voor de meisjes. Door jongens en meisjes te zien zoals ze zijn, met al hun bijzonderheden zoeken we echt naar aansluiting. Aanpassen aan een systeem kan altijd nog. Al mag die behoefte wat mij betreft nog best even uitgesteld worden.

Weerbaarheid

Het gaat momenteel veel over weerbaarheid. En over hoe we de weerbaarheid van de jeugd kunnen verbeteren. Het deed me denken aan een column die ik een paar jaar geleden schreef. Een column naar aanleiding van een interview met Andre Manuel. De afgelopen periode ben ik druk met depressie onder jongeren, mentale gezondheid, prestatiedruk, suicidepreventie, maar ook zaken als early life stress. En dan is luisteren naar Andre Manuel een verademing. Hij introduceert in zijn interview de term “losjes”. Ik neem u een paar jaar mee terug:

Losjes

Andre Manuel vindt dat zijn kind “losjes” mag beginnen. Andre Manuel is artiest, held en vrijdenker uit mijn landstreek. Hij heeft mooie ideeën en dat komt te pas*[1], om het in termen van mijn landstreek te zeggen. Hij vertelde over zijn eigen onderwijs dat hij zich naast af- en opstromen herinnerde door uitzonderlijke leraren die precies daar raakten waar het fijn voelt. Hij vertelde over de toevalligheid van wonen in een dorp waar twee oude jongeren een boerderij kraakten en er een vrijplaats voor jongeren van maakten. Hij was in de buurt, erbij en betrokken. Hij begon “losjes”, gitaar op de heup en zonder al te veel pretenties.

Vanochtend hoorde ik het bericht dat het gebruik van antidepressiva onder jongeren beneden de 21 jaar toeneemt. Het aantal voorschriften voor ADHD-medicatie neemt al jaren toe en ook het aantal dyslexieverklaringen neemt een grote vlucht. Zou het misschien te maken kunnen hebben met de eisen die we stellen aan kinderen? Met de eisen die ze mede daardoor aan zichzelf stellen?  En mogen dingen ook gewoon soms moeilijk zijn? Mag je gewoon soms van het pad raken? Mag je nog gewoon falen voor sommige dingen? En dat je sommige dingen gewoon niet kan?

Mijn zoon kiest zijn profiel dit jaar. Hij heeft geen idee en ik heb net zoveel idee. Het is een goed jong en samen hebben we veel vertrouwen in zijn toekomst. Een toekomst die vooral bestaat uit de dag van morgen en de volgende wedstrijd. In zijn eerste sollicitatiebrief deze week schreef hij dat hij vooral wil dat mensen het goed naar hun zin hebben. Dat zijn goede vooruitzichten.

Mijn dochter begon met studeren dit jaar. Zij zag zich door het leenstelsel gedwongen te tekenen voor een lening die grote gelijkenis vertoont met het soort leningen waar in 2008 de wereld bijna over struikelde. De dekking is onduidelijk, het onderpand moet nog gecreëerd worden en de lening wordt aangegaan voor een studie zonder keiharde baangarantie. Maar ook: ze heeft het er naar haar zin, doet leuke dingen, vermaakt zich en geeft dáárdoor vertrouwen.

Voor beiden geldt hopelijk dat ze ondanks hun grote gebeurtenissen dit jaar, die vooral toch ook “losjes” gaan invullen. Wat mij betreft mag dat het motto worden: “losjes”. Misschien maakt dat het onderwijs, de zorg, het wonen, het samenleven wel wat gemakkelijker. En levert het minder gedoe, minder recepten, minder uitvallers op. Bij “losjes” hoort namelijk ook de afwezigheid van te veel regels en voorschriften. Vooral doen!

Experimenteren, klooien, prutsen, struikelen.
Net zolang als nodig is.
Misschien wel een mensenleven.

[1]Te pas: Twents voor “op het goede moment, gelegen”
NB: Mark is bij het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid bezig met de pijler Weerbaarheid uit de JGZ Preventieagenda. Deze tekst is gebaseerd op een oude tekst (hier) en werd gebruikt op een middag over weerbaarheid in de gemeente Albrandswaard in november 2018.

Complexisme

Een goede kennis berichtte over de koortsstuip van haar eerstgeborene. Ze was heftig in paniek geraakt daardoor. Het was op een donderdagavond gebeurd, haar huisarts had vakantie, haar man was aan de andere kant van het land op klus. Ze had hulpdiensten ingeschakeld en de buurvrouw geroepen om haar te helpen.

Ik kende haar goed genoeg om te weten hoe dit bij haar aankwam. Sinds mijn toetreden tot het preventiegilde had ik al eens bij haar gecheckt hoe dingen in de praktijk verliepen. Zij had een persoonlijke geschiedenis die aan alle kanten risicofactoren bevatte en uit alle afvinklijstjes moest zij wel naar boven komen. Anderzijds was zij als geen ander in staat geweest haar persoonlijke geschiedenis te boven te komen, moeilijke zaken te verwerken en haar leven te leven. Daar had ik haar ook mee geholpen. Normaliseren noemden we dat: zie je reacties als normale reacties op soms abnormale omstandigheden. Pas als je abnormaal op normale dingen gaat reageren moeten er alarmbellen gaan rinkelen. Het bleek een goed uitgangspunt.

Het blijkt lastig te zijn voor mensen om “normaal” te doen. Het is gemakkelijker en meer voor de hand liggend om in alles complexiteit te ontdekken en ik kom er steeds meer achter dat daar een functionele reden voor is. Alle gedrag is immers functioneel: het dient een doel, soms onbekend en onbewust aan de diegene met dat gedrag, maar toch functioneel. Wat levert dit gedrag op, waardoor het in stand blijft.

Complexisme

Ik noem het complexisme. Dat is een maatschappelijke ontwikkelingsstoornis van groepen mensen met gelijke eigenschappen die met elkaar “moeilijk” doen om iets in stand te houden. Door te stellen dat iets complex is hoef je het immers niet op te lossen, blijft het ingewikkeld, verdient elke oplossing (die nooit gevonden wordt) de nobelprijs en maak je tenminste je eigen werk nuttig. Nadenken over complexe problemen is per definitie nuttig werk. Zo lijkt het.

Mensen met complexisme vergeten dat het leven helemaal niet zo ingewikkeld is. Dat de meeste zaken die een mens in zijn leven tegenkomt met normaal gedrag best te handelen zijn en dat het van moeilijk doen niet gemakkelijker wordt. En toch blijven veel mensen moeilijk doen.

Normaliseren

Mijn goede kennis snapte meteen mijn reactie: “Mooi!”, schreef ik, “Wat een heerlijk normale reactie op zo’n abnormale situatie. En wat goed om te zien dat je naast je paniek, die ik best begrijp hoor, zo adequaat handelde door de medische diensten in te schakelen, de buurvrouw te roepen en om hulp te vragen. Wat wil je nog meer?” Het gesprek ging daarna over haar handelen, haar zorgen, de manier waarop ze haar zorgen met haar man besprak en hoe ze elkaar daarin half stonden. Ze sloot af met te stellen dat ze, ondanks haar “nieuwe stempeltje op de traumatische ervaringskaart”, toch maar mooi weer aan zelfvertrouwen had gewonnen.

Ze mag blij zijn dat ik niet lijd aan complexisme. Dan had ik waarschijnlijk aangeslagen op haar paniek, had dat gerelateerd aan haar persoonlijke geschiedenis (met gedoe, veel psychiatrie en een scala aan onbegrepen klachten) en was volledig voorbijgegaan aan de manier waarop ze haar leven inmiddels al een hele tijd erg goed op orde had. Met haar steady relatie, haar goed ontwikkelende kind, haar fijne woonplek en bevredigende sociale contacten. Maar misschien was dat ook wel precies de reden dat ze het mij vertelde.

De mythe van maakbaarheid

Complexisme is iets van deze tijd en heeft te maken met een overtuiging dat alles maakbaar is en dat, als het leven zich niet in ideale vorm aan je voorbijtrekt, het niet aan jezelf zou moeten liggen dat dat niet lukt. Dus noem je het “complex” en ontsla je jezelf daarmee van de verantwoordelijkheid om het op te kunnen lossen.

Terwijl een mens zich toch vooral door het leven struikelt, maar wat probeert, aanklooit, misgrijpt, zo nu en dan successen boekt en het er vooral om gaat om onzekerheden goed te verdragen. Hoe beter je verdraagt dat succes zich niet laat dwingen, hoe beter het lukt gewoon te leven. Losjes aanklooien, prutsen, oefenen, fouten maken, beschaamd om jezelf kunnen lachen als het weer eens niet gelukt is. Dat werk.

Goed genoeg

En vooral ook verantwoordelijkheid nemen! Voor wat je doet, gedaan hebt, van plan bent en de gevolgen die dat heeft. Want met complexisme komt vooral ook mee dat de oorzaak, de oplossing en de actie vooral van een ander moet komen. Als zij nu maar eens…, zij zouden eens moeten…, etc…. Mensen met complexisme maken zo niet alleen hun eigen wereld ingewikkeld, ze zorgen er met het beleggen van de verantwoordelijkheid ook nog eens voor dat ze zelf niet eens tot de oplossers behoren.

Het leven van mijn goede kennis was er door het normaliseren leuker, maar niet direct eenvoudiger op geworden. Tot dan toe werd ze door de complexisten ingepalmd. Er stonden altijd drommen professionals klaar die haar wilden helpen, onderzoeken deden, therapieën voorstelden, ondersteuning boden. Mooi, maar niet erg helpend. Door zaken te normaliseren (“dit is het nou eenmaal en maak er maar het beste van”) was ze ineens zelf weer verantwoordelijk, mocht zich weer fouten permitteren, had ineens weer keuzes en merkte weer op dat vallen pijn doet. Zij legde zich neer bij de onvermijdelijkheid van zaken, wist dat steeds beter te verdragen en durfde ondertussen weer van alles. Juist omdat ze zichzelf weer fouten toestond. Ze stapte toen pas in haar relatie, werd toen ook pas zwanger, kreeg haar kind en kluunt zich voort. Omdat het leven nu eenmaal niet zo ingewikkeld is, als je er zelf niet zo moeilijk over doet.

Normaliseren dus. Gewóon doen, gewoon dóen!

 

 

De dobbelfunctionaris

Hierbij solliciteer ik naar de functie van dobbelfunctionaris. Oké, ik weet dat de functie nog niet vacant is, maar hij komt er vast en dan heb ik alvast gesolliciteerd. Ik denk dat ik erg geschikt ben als dobbelfunctionaris. Ik kan goed overweg met dobbelstenen. Ben betrouwbaar en van onberispelijk blazoen en kan een geldige verklaring omtrent gedrag overleggen. Als dobbelfunctionaris lever ik graag een bijdrage aan de moeilijke opgaves in de wereld van zorg-onderwijs-jeugdhulp-gemeente-etc.

Wat ik ga doen als dobbelfunctionaris?

Dobbelen. In al die situaties waar “het veld” er niet uitkomt wie voor welk deel van de zorgvraag, of onderwijsvraag of welke vraag dan ook gaat betalen kom ik opduiken. Ik heb mijn dobbelstenen bij me en na het inschenken van goede koffie krijgen de aanwezige partijen precies tien minuten om alsnog tot afspraken te komen.

Na tien minuten rollen onverbiddelijk de dobbelstenen en worden de stenen verdeeld. Al naar gelang het aantal aanwezigen zal het aantal dobbelstenen worden aangepast. Ik kan u daarvoor het model doen toekomen. Ik heb daar echt over nagedacht.

De ogen van de dobbelstenen corresponderen met de aanwezigen en bepalen wie er gaat betalen. Degene die de dobbelronde wint betaalt. Deze keer. Een volgende keer is een ander aan de beurt.

Waarom?

Het komt immers allemaal uit dezelfde grote pot. En uiteindelijk moet er toch betaald worden. Dus zonder dat er oeverloze domeindiscussies gevoerd moeten worden kunnen we zo snel ter zake komen. Waarschijnlijk is het veel goedkoper en als je het mij maar vaak genoeg laat doen is het ook steeds eerlijker.

Ik kom ook graag dobbelen tussen de ministeries over wie mijn tarief en mijn ov-jaarkaart mag betalen. Roept u maar!

photo credit: Judy ** dice via photopin (license)

Oplossing nodig? Bedenk ze eens mét ouders!

Verschenen op: delen.oudersonderwijs.nl

Deze week ben ik druk met drie verschillende onderwijssituaties waarin in de kern dezelfde problemen spelen. Zo is er de professional die stelt dat ouders “nog maar even niet geïnformeerd” moeten worden omdat dat onnodig ruis geeft. En is er de ouder die geconfronteerd wordt met het professioneel doordachte en doorwrochte plan waar ze niet over mee mocht denken. Tenslotte is er de school die de eigen organisatie op de kop zet en onder tijdsdruk de communicatie naar ouders op de laatste plaats zet.

Ouders zijn altijd nodig bij de oplossing

Drie situaties, verschillend van aard, maar allemaal met eenzelfde kern. Ouders voelen zich niet betrokken in het proces. De hamvraag is of je ouders buiten beeld kunt houden als professional. Of het professioneel is om ouders niet te betrekken in je oplossingen. Het antwoord op die vraag is voor mij steeds duidelijker.

In alle gevallen zullen ouders de bedachte oplossing moeten gaan uitvoeren, thuis in relatie tot hun kinderen en naar school in relatie tot de school van die kinderen. Een oplossing die niet past in de gedachtegang van ouders is een onwerkbare oplossing. Die stelling durf ik aan.

Welke keuze hebben ouders?

In de drie situaties gaat het hier ook op mis. Afgezien van de bedachte oplossingen is er niet in voorzien dat ouders mee moeten in de gedachtegang en dat dat tijd kost. In twee van de drie gevallen wordt de oplossing bij ouders over de schutting geworpen als eindoplossing. Slikken of stikken. In die twee gevallen is er bovendien ook nog eens sprake van het volledig ontbreken van een alternatief. En het is bijna zomervakantie.

Zeker voor ouders met kinderen die specifieke ondersteuning nodig hebben zijn de keuzes in het onderwijs al beperkt, bleek ook deze week uit het onderzoek van Oberon. Dan is het wel het minste dat je mee hebt kunnen denken in de best mogelijke oplossing.

Ouders hebben altijd gelijk

Ik schreef eerder dat ouders altijd gelijk hebben. Binnen het perspectief van de ouder is dat een te verdedigen stelling. Het blijft gekmakend en frustrerend om steeds weer te zien dat, hoewel het contact met sommige ouders lastig zal zijn, onderwijsprofessionals ervoor blijven kiezen om eerst zelf de zaak op te gaan lossen.

Drievinger-principe

Voor alle professionals is het van belang het drievinger-principe te hanteren. Op ieder moment dat naar een ander, iets anders, iets buiten de eigen persoon gewezen wordt (de lastige ouders, de bezuinigingen, de overheid, de werkdruk, de zomervakantie) wijzen er tegelijkertijd drie vingers naar jezelf. Die staan voor drie vragen:

  1. Wat betekent deze gebeurtenis?
  2. Wat leer je ervan?
  3. Hoe kom je verder?

Het antwoord laat zich raden: begin maar met dat wat het moeilijkste is. Als dat lukt is de rest een makkie. Dus als die ouder moeilijk mee te nemen is in de oplossingen of de meningen liggen erg ver uit elkaar? Zet iedereen aan tafel en wissel argumenten. En nog een tip? Vertrek vanuit het perspectief van de ouder. Kijk wat er voor nodig is om hun oplossing te realiseren en wissel dat ook uit.

Wederzijdse verwachtingen, maar..

Dat mag je van ouders natuurlijk ook verwachten. Dat ze niet wijzen, dat ze redelijk zijn, dat ze meewerken. Misschien zelfs wel dat ze zich voegen naar jouw professionaliteit. Je mag dat verwachten, maar je mag het niet eisen. Ouderschap kent geen basisniveau dat hierin voorziet. Zo kan het zijn dat je met een brede variëteit aan ouders te maken krijgt. De een is gebekter dan de ander, de een is redelijker dan de ander. En met al die ouders zul je het moeten doen.

Natuurlijk vertellen we ouders dat ze moeten denken om hun relatie met de school, dat ze proberen samen te werken met school en dat ze goed moeten communiceren. We vertellen ook dat ze terecht heel veel mogen verwachten van die hoogopgeleide professionals.

Ze zitten echter wel in een bijzondere positie. Waar iedere professional op ieder moment zijn handen ervan af kan trekken, is dat voor een ouder niet mogelijk. Die blijft ouder, hoe de situatie zich ook ontwikkelt. Dat maakt dat de haalbaarheid van een oplossing altijd begint en eindigt bij de mogelijkheden van de ouder. Daarom is het meenemen van ouders in het proces van oplossen zo belangrijk.

In alle drie de situaties wordt de ouder niet betrokken. Het maakt dat de situaties stagneren waar dit niet nodig was geweest. Dat laat onverlet dat iedereen in dergelijke situaties ongetwijfeld zijn best zal doen. Het kan echter beter. Zorg tenminste voor uitvoerbaarheid door de ouders bij bedachte oplossingen.
En oh ja, dit zijn redelijk gemiddelde weken. Er is kennelijk nog veel nodig om de brug tussen ouders en onderwijs te slechten.

Afzijdig

Op een avond over passend onderwijs met ouders en onderwijsprofessionals besprak ik de situatie van Hans. Hans zat thuis, schoolangst en niemand wist een oplossing. Zijn ouders en de betrokken professionals stonden lijnrecht tegenover elkaar en kwamen er samen niet uit.

In de zaal werd driftig gediscussieerd. Iedereen wist wel wie er iets moest veranderen. Eén iemand deed in de zaal niet mee, maar zat al een tijdje met zijn vinger omhoog. Ik gaf hem het woord en hij zei alleen maar: “laat moeder mij maar bellen, dan help ik Hans”.

Passend onderwijs is op bijna alle plekken goed geregeld. Ik bedoel daarmee dat de regels waaraan iedereen in het samenwerkingsverband zich moet houden duidelijk zijn. Als dat ook zou gebeuren zouden de dingen goed gaan.

Het valt echter ook op dat het nog lang niet overal goed gaat. Afspraken zijn niet duidelijk, procedures zijn niet helder, niet iedereen is goed geïnformeerd of wordt voldoende vroeg betrokken. De belangrijkste reden echter die maakt dat passend onderwijs nog geen succes is ligt volgens mij aan iets anders.

Als er een probleem is zijn er grofweg twee mogelijke reacties: je zorgt dat je het probleem aanpakt en oplost of je houd je afzijdig en draait weg van het probleem. Mensen kiezen graag voor het laatste. Ze houden zich liever afzijdig dan dat ze een probleem naar zich toe trekken om er vervolgens iets mee te gaan doen.

In passend onderwijs is dit mijns inziens het grootste probleem: het feit dat afzijdigheid effectiever is dan betrokkenheid tonen bij een probleem. Betrokkenheid levert immers werk, gedoe en risico’s op die scholen graag willen vermijden. Niets menselijks is hen vreemd.

In situaties die een probleem waren en die vervolgens werden opgelost valt namelijk ook iets op. Problemen worden nooit opgelost door de goede regels die een samenwerkingsverband heeft. Die goede regels waren er immers ook al voordat er een probleem was. De regels helpen niets. Wat helpt is één betrokken professional die de schouders eronder zet, doorgaat waar anderen zouden stoppen en volhoudt als hij wordt belemmerd. Iemand die zich niets aantrekt van regels, maar dat doet wat nodig is om tot een oplossing te komen.

Precies iemand dus die zich niet afzijdig houdt, hoe menselijk dat gedrag ook is.

Autisme en communicatie

(Ook te lezen als gastblog op de site van Auticomm)

Onlangs was ik de dagvoorzitter van een congres over Autisme[1]. In de voorbereiding van die dag heb ik mij verdiept in Autisme, de verschillende zienswijzen, de verschillende aanpakken en ik heb er mijn mening over gevormd. Ik merkte dat er veel te weten is over Autisme. Ondanks dat ik tijdig begonnen was met de voorbereiding en daar ruimschoots de tijd voor had genomen schatte ik in dat mijn kennisnivo het niet zou halen bij de sprekers en vele van de bezoekers van die dag.

Vandaar dat ik mijn voorbereiding verlegde naar meer praktische zaken: wat heb ik met Autisme, kom ik mensen met Autisme tegen, wat kan ik met de manier van communiceren waar het bij Autisme over gaat.

Natuurlijk verdiepte ik mij ook in theorieën rond centrale coherentie, executieve functies en theory of mind. Daarmee had ik echter geen compleet beeld. Ik las daarnaast een boek van Peter Vermeulen: ik ben speciaal. Dit geldt als een standaardwerk over Autisme. Ik kan dat alleen maar beamen.

Mijn verdieping ging echter naar mijn persoon: wat snap ik van de communicatiewijze. Begrijp ik waarom dit zo belangrijk is? In de literatuur gaat het vooral over concrete communicatie. Een term die ik zelf, als maatschappelijk werker, regelmatig bezig. Als communicatie tussen mensen niet goed verloopt is het concretiseren van die communicatie altijd een makkelijke, tastbare eerste stap is mijn vaste overtuiging na 17 jaar mensenwerk.

Een definitie van concrete communicatie kreeg ik op het congres van Kobe Vanroy, één van de collegae van eerdergenoemde Peter Vermeulen die een heldere inleiding hield op het congres. Hij gaf als definitie: Ondubbelzinnig de context verhelderen door expliciet, positief en visueel duidelijk te maken wat we bedoelen en verwachten.

Communicatie met mensen met Autisme moet dus ondubbelzinnig zijn: je moet zeggen wat je bedoelt. Daarnaast moet het duidelijk zijn wat je bedoelt en moet je het zichtbare benoemen. Dus niet wat niet de bedoeling is, maar juist wat wel de bedoeling is. Tenslotte is het handig en praktisch dat je over dezelfde beelden beschikt als degeen met autisme. Dat dus de hond waar jij het over hebt dezelfde is als de hond van degeen waarmee je praat.

Dit lijkt allemaal duidelijk en fantastisch: ik houd mij in gevolg aan deze regels en de communicatie verloopt beter. Er bekroop me echter ook een vreemd gevoel. Ik zou namelijk graag met iedereen praten als was het iemand met een autistisch brein. Ik heb namelijk niet het idee dat er zoveel mis is met concreet communiceren, duidelijk zijn en zeggen wat je bedoelt.
Waarom zou dit voorbehouden moeten zijn aan mensen met een autistisch brein. En zouden de zg. neurotypicals niet erg gelukkig zijn als ze niet empathisch op zoek hoeven naar de diepere bedoeling achter wat er gezegd wordt? Laat staan de vraag of empathie überhaupt wel bestaat. Is er misschien één neurotypical te vinden die in staat is mijn gedachten te voelen? Of zou het gokken blijven?

Ik vind dus dat mensen met autisme zichzelf te kort doen als ze vragen om een aanpassing in de communicatie. De aanpassing die gevraagd wordt is namelijk voor iedereen een verbetering. Het wordt er namelijk makkelijker van voor iedereen. En, als maatschappelijk werker met enige ervaring in mensenwerk, kan ik zeggen dat daar waar het tussen neurotypicals misgaat (een begin van) de oplossing altijd ligt in autismevriendelijk communiceren. Dat het zo heet weet ik sinds kort. Dat het zo is wist ik al langer.



[1] Ik spreek over Autisme, mensen met Autisme, het Autistisch brein. Dit is gemakshalve. Ik weet dat ik ook pervasieve ontwikkelingsstoornis, autistisch spectrum stoornis of iets anders zou kunnen schrijven. Voor het leesgemak gebruik ik de gangbare term: Autisme, die overigens binnenkort, bij democratisch handopsteken, ook in de nieuwe DSM-versie zal terecht komen.

Toekomstbeeld: plug and play

(column voor het personeelsbulletin van RevalidatieCentrum het Roessingh, verschenen september 2011)

 

2015: het management van Verkade-Koekjes brengt een bezoek aan ProductLeader Roessingh Revalidatiecentrum. Zij zijn benieuwd naar de ins and outs van de enorm toegenomen productie en willen kijken of ze dit ook op hun koekjesproductie kunnen toepassen.

–          Wat is nu precies het geheim van jullie productie. Tot een productiviteit van 89% komen wij ook, maar de stap naar 96%. Wat is jullie geheim?

Katheteriseren.

–          Katheteriseren?

Ja, katheteriseren. Het bleek namelijk dat ons personeel, een loopje nam met het toiletbezoek. Een van de managers rekende uit dat iedere procent productieverhoging leidde tot toename van de kosten van de schoonmaak van toiletten.

–          ?

Gehaast toiletbezoek, niet achterom kijken en veelvuldig hè. Vandaar dat we nu in de 4% overgebleven tijd al onze productiemedewerkers katheteriseren. Daàr zit ons geheim.

–          Indrukwekkend. Is er nog een volgende stap? Zijn jullie nu nog bezig met het verhogen van productie. Zien jullie überhaupt nog een mogelijkheid?

Jazeker, wij stoppen nooit met innoveren. Wij zijn namelijk een èchte kennisorganisatie.

–          Maar waar dan? Het kan toch bijna niet?

Een ringleiding en een plug-in systeem voor katheterslangen. Moet ook de flexibiliteit op de werkvloer terugbrengen: dat iedereen overal in kan pluggen.

–          Een soort plug and play?

Nou, laat dat ‘play’ er maar af…

 

(NB. Dit is satire. Het toepassen van dergelijke methodes levert gevaar op voor de volksgezondheid, arbeidssatisfactie en productiecapaciteit. Probeer dit dan ook niet thuis.)