Categoriearchief: Zorg

Jeugdgezondheidszorg als arbodienst: fase 2

Verschenen op Ouders & Onderwijs

We berichtten eerder over de test die we met behulp van een ouder waren begonnen. Mariska had voor haar zoon de hulp van een jeugdarts ingeroepen en het vervolg kwam deze week.

Fase 2

Mariska meldde haar zeer goede ervaring met het gesprek met de jeugdarts. Deze nam ruim de tijd om alle (medische) gegevens op een rij te zetten en met Mariska samen te kijken naar een goede aanpak voor de komende periode. Zo kwam er een plan uit waar, zo stelde Mariska, zelfs dingen in zaten die ze zelf niet had bedacht.

De jeugdarts hield naast de medische omstandigheden namelijk ook rekening met de taken van haar zoon als (jonge) mantelzorger. Iets dat ze zelf in eerste instantie over het hoofd had gezien. Daarnaast kwamen er ook een aantal praktische “wat-als”-afspraken waarmee haar zoon zelf op school uit de voeten zou kunnen.

De regie voor het communiceren van de afspraken neemt Mariska graag op zich. Hoewel ze inziet dat de opzet helpend kan zijn voor de voortgang van haar zoon heeft ze met de jeugdarts ook vastgesteld dat het wel ambitieus is. Ambitieus, maar zeker ook haalbaar. Ze gaat het zien.

Andere reacties

Er kwamen veel reacties op het vorige bericht. Niet iedere ouder vond het een goed idee dat de jeugdarts zich met zaken rond schooluitval zou gaan bemoeien. De jeugdarts zou niet capabel zijn, de eigen behandelaren of huisartsen zouden het voldoende weten.

Wellicht klopt dat. Het is echter belangrijk dat de vragen weer gesteld worden aan jeugdartsen, zodat de kennis en kunde daar weer in ontwikkeling komt. Hoewel de situatie al lang zo is dat ouders op deze manier van de jeugdarts gebruik kunnen maken is het een beetje in onbruik geraakt. De jeugdarts komt in groep 7 en in de tweede klas nog een keer. Daarmee heb je het wel gehad. En er waren bij de reageerders toch ook veel ouders die niet wisten van deze mogelijkheid.

De preventieve en/of toetsende rol bij medische situaties kan echter zeer welkom zijn voor kinderen. Zoals in het geval van Mariska die er baat bij zal hebben dat er een goed, medisch onderbouwd plan ligt waarover ze gemakkelijk met school in gesprek kan. Voor de school is de extra ondersteuning welkom (ze kunnen immers niet alles zelf) en in preventieve zin kan het zittenblijven, stagnerende leerloopbanen en erger helpen voorkomen.

Mariska heeft door de rol die ze speelt inmiddels ook een ambassadeursfunctie en heeft verschillende ouders al uitgelegd over de mogelijkheden die ze zelf heeft ervaren. Op verschillende plekken in het land zijn er momenteel ouders die de hulp van de jeugdgezondheidszorg in zijn gaan roepen.

Campagne in Twente

Om de bekendheid van deze mogelijkheid extra onder de aandacht te brengen zijn we in gesprek gegaan met de GGD-Twente. Zij kennen al een praktijk waarin ze nauw samenwerken met de scholen en ze zien het als een uitdaging om hun mogelijkheden ook extra onder de aandacht te brengen bij ouders.

We hadden inmiddels een eerste overleg over de aanpak en spraken gezamenlijk de wens uit dat iedere Twentse ouder van een schoolgaand kind voor de komende kerstdagen in ieder geval gehoord moet hebben van deze mogelijkheid. De eerste stappen zijn gezet. De wil, de wens en de ambitie is er!

Jeugdgezondheidszorg als arbodienst voorschoolgaande kinderen

Verschenen op Ouders & Onderwijs

Eén van de gedenkwaardige gesprekken met ouders in de afgelopen periode leverde een prachtige testcase op. Waar we al een tijd bezig zijn met het ‘pluggen’ van de jeugdarts en de jeugdgezondheidszorg als een soort bedrijfsarts voor schoolkinderen bleek een moeder (Mariska) met precies hetzelfde idee rond te lopen. Sterker nog: voor haar jongste kind had ze net op dat moment een grote behoefte aan het meedenken en het monitoren van zijn herstelperiode door een jeugdarts.

De test

Mariska zou op eigen initiatief contact gaan leggen met de jeugdarts om te vragen om zijn opinie in de situatie van haar zoon. Haar zoon: geen stoornissen, houdt van school, ijverig, geen schoolconflicten, maar ook een medische status: langerdurend ziek en onder behandeling bij een kinderarts met een goede prognose. Regelmatig te moe om de dag rond te krijgen en een sterk wisselende belastbaarheid die ook op korte termijn nog niet weer op orde is. Een aantal goede afspraken, ondersteund door de kundige visie van een jeugdarts moet het voor haar zoon mogelijk kunnen maken om zijn school gewoon te vervolgen. Slimme keuzes in zijn rooster, iets eerder naar huis, thuiswerk aan projecten.

Fase 1

Deze week meldde Mariska de voortgang van haar test: ze belde voor een schoolvakantie en aan de telefoon werd ze hartelijk te woord gestaan. Een terugbelverzoek door een jeugdarts werd ingepland. Ze werd teruggebeld door verpleegkundige 1 die stelde dat het toch echt aan een arts was om hier in mee te denken. Een dag later volgde verpleegkundige 2 die stelde dat dit niet iets was voor de jeugdarts, maar iets tussen ouders en school.

De uitleg van Mariska dat het juist tussen school en ouders soms lastig is om over dit soort medische zaken goede afspraken te maken en dat ze graag een jeugdarts als een soort bedrijfsarts voor haar zoon zou willen zien maakte de verpleegkundige enthousiast. Ze vond het een interessante gedachte en opnieuw werd een afspraak voor de jeugdarts gepland.

Door de vakantie bleek het ingewikkeld om teruggebeld te worden door de goede persoon. Inmiddels leek de behandeling van haar zoon goed aan te slaan, al betekende dit nog niet dat het probleem daarmee al verholpen was. Inmiddels wilde school graag in gesprek over het rapport. Mariska voegde hier de zorgplicht van school maar vast als agendapunt aan toe en gaf aan dat ze de jeugdarts had gevraagd om mee te denken in een goed plan om de schoolloopbaan te volgen.

De leerkracht was verbaasd en bereidwillig, maar de intern begeleider was not amused en vroeg zich af “waarom dit nu weer nodig was”. Mariska heeft het ook haar netjes uitgelegd, maar trof vooral weerstand en tegenwerking.

Het wachten is nu nog op het contact van de jeugdarts. Wordt vervolgd…

Bedrijfsarts voor schoolgaande kinderen

Het idee is simpel:

Zorg dat kinderen die te maken hebben met schooluitval door ziekte in voorkomende gevallen terecht kunnen bij de jeugdgezondheidszorg. Daar kunnen ze geholpen worden met re-integratie, kunnen aangepaste plannen gemaakt worden en kan een medische inschatting van de situatie gemaakt worden. De inzet van de jeugdgezondheidzorg kan door school, maar ook door ouders gebeuren.

Dat kan nu al, in elke gemeente in Nederland. Overal is de jeugdgezondheidszorg te vinden en kan ook op deze manier ingezet worden. Dat is alleen nog lang niet voor iedereen bekend. Vanuit Ouders & Onderwijs gaan we hier samen met het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid breed bekendheid aan geven. Problemen met schooluitval en thuiszitten beginnen altijd met problemen in de afstemming en/of verzuim. Ook zittenblijven heeft soms zijn oorzaak in logisch en verklaarbaar verzuim.

Voor werknemers is het vanzelfsprekend dat ze een aangepaste re-integratie krijgen als ze terugkeren na ziekte. Voor schoolgaande kinderen betekent het vaak een opboksen tegen de opgelopen achterstand. Dat is vreemd. De leerkracht hoeft immers ook niet zijn gemiste lessen in te halen. De jeugdgezondheidszorg kan helpen om in deze situatie te bemiddelen voor het kind, tussen school en ouders.

Naast het volgen van deze testcase van Mariska zijn we ook bezig met een plan om in één of meerdere regio’s de mogelijkheid van de jeugdgezondheidszorg onder de aandacht van ouders en scholen te krijgen. We werken hierin samen met mensen van de jeugdgezondheidszorg.

Waarom wiskunde niet/wel* werkt

(omcirkel wat van toepassing is).

IMG_1701Wiskunde doet zijn intrede in de zorg. Als wetenschap pretendeert wiskunde modellen te kunnen maken waaraan de zorg kan worden ingericht. Die modellen kloppen allemaal. Het is immers wiskunde. En wiskunde is wetenschap en dus bewezen waar.

Niets aan de hand dus. Als wiskunde een bijdrage kan leveren dan zou dit zeer wenselijk zijn. Er zijn in de zorg immers grote problemen. Er is sprake van stijgende kosten, er is sprake van toenemende verantwoordingsplicht (die overigens altijd gepaard gaat met het “teruggeven van de verantwoordelijkheid aan het veld: overheid, management, toezichthouders lijken bij dit soort beleidskeuzes juist meer verantwoording te vragen).

Inhoudelijk is er ook wat loos in de zorg. We hebben met zijn allen in de zorg afgesproken dat de wereld steeds complexer wordt, dat onze eindgebruikers (patiënten/revalidanten) daarmee ook complexer worden en dat de zorg als geheel dus ook een complexe bezigheid is. Ik schreef al eens over hoe “moeilijk doen” gemakkelijke oplossingen in de weg kan staan.

Managers die het niet meer weten en die geloven in spreadsheets omarmen nu de wiskunde. Ze gaan massaal op cursus om zich door wiskundigen de zorglogistieke principes te laten voorschrijven. Om je heen hoor je bedrijfskundige mantra’s in termen als “beschikbaarheid” (of iedereen wel daar is waar de wiskundige hem bedacht heeft) en “planbaarheid”.

Het is niet vreemd dat managers dit doen. Ze hebben immers maar twee opties: niets doen en iets doen. Zoals bekend pleit ik doorgaans voor het eerste: niets doen. Voor “niets doen” kan een passend salaris bedacht worden en een heleboel problemen lossen zich op. Dat managers kiezen voor “iets doen” is ook begrijpelijk. Het gevoel grip te krijgen door je door wiskundigen mee te laten nemen in modellen die de werkelijkheid beheersbaar maken is een aanlokkelijk beeld. Bovendien kun je op verjaardagen een aantal slimme wiskundige opmerkingen maken waarmee je de complexiteit van je dagelijks werk kunt benadrukken.

Nog een reden waarom managers wiskundigen omarmen? Omdat wiskundigen een industrieel geloof in centrale aansturing hebben. Dit is wellicht de grootste beperking van de meeste wiskundigen: het geloof in centrale aansturing. Maar oh zo wenselijk voor de worstelende manager die niet weet hoe hij grip moet krijgen.

De wiskunde als wetenschap mist echter één ding: de menselijke maat. Een slimme wiskundige kan veel variabelen invoeren in een model. Factor A (de patiënt) kan dan meerdere verschijningsvormen hebben. Ergens bij Factor D gaat het mis. Daar hebben we het over de medewerker, beschikbaarheid en planbaarheid. En daar komt een menselijke maat om de hoek kijken.

Sinds we de industrialisatie achter ons hebben gelaten heeft het geen enkele zin meer om medewerkers te beschouwen in industriële termen. Dat is wel wat wiskunde als wetenschap doet. Het maakt medewerkers tot een beperkte set variabelen. In ieder geval beperkter dan de werkelijkheid. Wiskunde is daarmee slechts een benadering van de werkelijkheid en gaat de mist in daar waar het niet verder komt dan die benadering.

Voor managers is dit hoopvol nieuws: het levert namelijk een set afspraken (de beperkingen in de wiskundige variabelen) op waar ze medewerkers aan kunnen gaan houden: terug naar de industrialisatie en in de verte doemt een beeld van een aloude fabrieksfluit op.

Zou de wiskunde wèl een bijdrage kunnen leveren?
Dat zou kunnen als de wiskunde echt de werkelijkheid gaat bestuderen. Als ze gaat zien dat centrale aansturing eigenlijk nergens echt plaats vindt. Omdat mensen zichzelf wel redden en die centrale aansturing niet nodig hebben. Als ze gaat zien dat juist op die plekken waar centraal gestuurd wordt er van allerlei “productiemiddelen” weglekken.

Als de wiskunde zich meer bezig zou gaan houden met het in beeld brengen van wetmatigheden onder zwermgedrag zouden ze wellicht meer van toegevoegde waarde kunnen zijn voor de echte problemen in de zorg. Ze zouden zien dat het geheel minder complex is dan bedacht wordt, ze zouden de onnodigheid van centrale aansturing zien en zouden begrijpen dat organiseren rond zwermen iets anders vraagt dan wiskundige modellen. Het vraagt namelijk sturen op slechts een paar factoren.

Uitgaan van de wetmatigheden van een zwerm betekent sturen op drie pijlers (noot schrijver: de wetmatigheden zijn vereenvoudigd, de vertaling naar organisaties is dat dus ook. In de kern gaat het echter om deze dingen).

  1. niet botsen: zorg dat medewerkers elkaar niet voor de voeten lopen of elkaar belemmeren.
  2. meedoen: zorg dat medewerkers zich betrokken voelen bij het grote geheel en daarin hun aandeel kunnen zien en kunnen bepalen.
  3. afstand houden: zorg dat medewerkers de ruimte krijgen om dat te doen waar ze goed in zijn.

Dat lijkt in niets op een industrieel vormgegeven zorgomgeving. Dit lijkt op een wereld waarin de menselijke maat uitgangspunt is en waarbij voor iedere medewerker die plek ontstaat die past bij zijn competenties en behoefte. Ten aanzien van de betrokkenheid zou veel winst geboekt kunnen worden als medewerkers in staat zouden zijn om zelf hun budget te beheren (terug te verdienen, te plannen, te bepalen).

Het vergt een ander soort manager. Veel minder industrieel denkende managers en dus veel minder kosten. Maar ja, welke wiskundige durft managers teleur te stellen?

Vooruit denken

Ik kan vooruit denken. Het is mij gegeven om dat zelfs erg goed te kunnen. Vandaar dat ik ook zo’n moeite heb om dit stuk te schrijven, maar dat wijst zich later. Ik kan ver vooruit denken en kan voor me zien wat keuzes tot gevolg hebben.
Ik snap bijvoorbeeld waarom dingen op termijn niet zullen brengen wat men er vandaag van verwacht. Ik snap zelfs dat dat voor de mensen die de dingen van vandaag bedenken zo vervelend is dat ze later de focus graag leggen op de dingen die dan verbeterd zijn. Terwijl iedereen dan vergeten lijkt wat er ook al weer mee beoogd werd.

zwermDan lijkt “ver-vooruit-kunnen-denken” dus een prettige eigenschap. Toch is dat niet zo. De meeste mensen denken niet zo ver vooruit en kunnen mij, in mijn uitleg, al snel niet meer volgen. Ze kunnen immers niet zover vooruit denken. Dat is niet om die mensen tekort te doen. De meeste mensen halen alles uit hun mogelijkheden. Iedereen heeft alleen niet dezelfde mogelijkheden.
Zieners en vooruitkijkers hebben het niet altijd gemakkelijk. Het is, ik kan dat verzekeren, enorm moeilijk om je mond te houden over acties die je om je heen ziet gebeuren waarvan je zeker weet dat ze niet gaan werken. Als je echter een aantal keren hebt gemerkt hoe er gereageerd wordt op vooruitkijk-argumenten laat je dat wel uit het hoofd. Het nieuwe devies wordt dan “geduld-oefenen”. Dat is zo mogelijk nog moeilijker dan toezien hoe mensen fouten maken zonder dat je er iets van kunt zeggen.

Er zijn nu, in dit stuk, nog twee soorten mensen over. De ene zal zoiets  zeggen als dat ik niet zo moeilijk moet doen en gewoon moet doen wat ik denk dat goed is. De ander zal misschien herkenning vinden en is benieuwd naar het vervolg. Laat die ander vooral doorlezen. Die ene moet misschien zijn energie in andere dingen stoppen dan het lezen van dit stuk.

Twee voorbeelden:
Het eerste voorbeeld komt uit het verkeer. Bij mij in de buurt is een viaduct verwijderd, is een verkeerssituatie drastisch aangepast en heeft een groot verkeersknooppunt ruim drie jaar op de kop gestaan. Nu is het een oase van stoplichten[1], strepen, aanwijzingen en afremmende- en optrekkende auto’s. Auto’s staan namelijk in hoge mate stil op dit knooppunt.

De bedenker van dit al is tevreden. Hij beziet zijn werk en ziet dat er geen ongelukken gebeuren en heeft tot in de finesses de verkeersstromen onder controle gebracht. De meeste mensen die er rijden zullen ook stellen dat het veiliger is geworden. Men weet immers precies wat moet gebeuren en volgt dat lijdzaam.
Toch is het niet goed. Auto’s kùnnen namelijk sneller en prettiger doorstromen en zo heel nu en dan blijkt dat ook. Dat is als de stoplichten uitvallen. Dan blijkt het stoppen van iedere verkeersstroom helemaal niet nodig te zijn en kan iedereen, op elk willekeurig tijdstip van de dag vlotjes doorrijden. Men moet wel iets beter opletten, maar wie kan daar nu op tegen zijn[2].
Niemand ziet dat. Er is (te)veel geld uitgegeven aan stoplichten en strepen op de weg. Al zou het niet werken, niemand zal het toegeven. Gebruikers zullen niet zien dat het beter kan. Als ik in die momenten van geluk dat de stoplichten niet werken over dat knooppunt kom maakt mìjn hart een sprongetje van blijdschap. Bij de meeste andere mensen is er irritatie over het feit dat de stoplichten (weer) niet werken.

Tweede voorbeeld:
Er zijn in mijn werk[3] zorgpaden ingevoerd. Iedereen krijgt nu standaard maatwerk[4]. Een ongeveer gelijk programma, met een heleboel gelijkheidsbeginsels en een riant boekwerk aan voorschriften. Het lijkt wel een verkeersknooppunt.
Het eerste dat mensen die er mee werken zeggen is dat er meer grip komt op de stroom patiënten. Dat is ook zo. Ik zie dat ook. Ik kan namelijk ook stilstaande patiënten beter bekijken dan patiënten die aan het stromen zijn. Stromen omdat ze geholpen en behandeld worden en uiteindelijk klaar zijn.
De praktijk is dat het helemaal niet stroomt. Er komt geen patiënt meer in. Er is ineens een zee aan tijd in de agenda’s van behandelaars vanwege allerlei voorschriften en gelijkheidsbeginsels die werken als stoplichten. Als dit opvalt wordt er adhoc een oplossing gekozen die zo mogelijk nog belemmerender werkt. Er wordt daardoor heel veel tijd en dus geld verspild.

Al die verspilling is geen moedwil. Het is, in alles, het beste wat er momenteel te bieden is op de plek waar ik werk. Dat is een zorg op zichzelf.

Ik heb er last van dat er geld verspild wordt aan oplossingen waar van te voren over nagedacht had kunnen worden. Waar van tevoren, ver vooruit denkend, van gesteld had kunnen worden dat het geen goed idee was. Het voelt, werkend in een dergelijke situatie of verkerend op zo’n knooppunt, of ik me iedere keer door al dat weggegooide geld moet ploeteren voordat ik aan de slag kan. Dat is niet prettig, maar ik sta daar alleen in. Ik merk niet dat anderen daar veel hinder door ondervinden. Ook daarover kan je (ver vooruit denkend) weer hetzelfde verhaal ophouden[5]. Dat zal ik niet doen.

Die ander die heeft doorgelezen heeft mij nu wel begrepen. Die ene die mijn advies in de wind sloeg (don’t they all?) en toch doorlas zal nu stellen dat ik dan ook maar met oplossingen moet komen. Als ik het dan zo goed weet.
Meneertje.
Voor die ene zal ik een oplossingsrichting opschrijven. Voor die ander is dat niet nodig, maar die mag dat gerust ook meepikken.

De oplossingsrichting zit in het diepere functioneren van een zwerm. Daar is veel onderzoek naar gedaan en onlangs zag ik op televisie Charlotte Hemelrijk (what’s in a name voor een zwermonderzoeker) die bijzonder helder kon uitleggen hoe de zwerm werkt. Dat heeft mij aan het denken gezet.
Waar men aanvankelijk dacht dat zwermen (spreeuwenzwermen met name) allerlei hogere wiskundige of transcendente voorschriften kenden (denk hierbij aan het zenuwcentrum van een verkeersknooppunt of de excelbestanden van zorgpad-minnaars en hun gedeelde geloof in hun systemen) bleek bij nader onderzoek dat spreeuwen zich maar aan een paar afspraken hielden. Die afspraken waren zoooo simpel dat ik ervan in de lach schoot.
Niet botsen, een beetje meedoen en afstand houden.
Daar komt het ongeveer op neer. Als iedere individuele spreeuw dat doet krijg je de figuren die een spreeuwenzwerm maakt.
Bedenk eens wat dergelijke simpele afspraken zouden betekenen voor het verkeer op een knooppunt of het werken in de zorg. Ze zijn toepasbaar. Je moet om dat te kunnen snappen alleen wel een beetje vooruit kunnen denken. De oplossing ligt volgens mij dus in zwermdenken.

Ik weet dat die ene hier geen genoegen mee neemt. Die wil stoplichten, voorschriften, gelijkheidsbeginsels en formulieren. Die ene zal bovendien zeggen dat ik toch vooral bekend sta om mijn botsen en mijn niet meedoen. Dus hoezo zwermdenken!
Meneertje!
Voor de ander gloort hiermee misschien hoop. In dat laatste geval: graag gedaan!

Charlotte Hemelrijk op De Wereld Leert Door over spreeuwenzwermen


[1] Ja, ik weet dat stoplichten in de verkeerskunde verkeerslichten worden genoemd. In mijn ogen zijn het echter dermate grote obstakels voor een vlotte doorstroming van het verkeer dat ik ze graag stelselmatig stoplichten blijf noemen.
[2] Mensen zullen het principe van “Shared-Space” misschien herkennen. Een concept dat wat mij betreft meer navolging en uitwerking verdiend. Al zullen weinigen dat met me eens zijn.
[3] Complexe revalidatiezorg
[4] Jaha, ik ben me bewust van deze onmogelijkheid: standaard en maatwerk lijkt niet goed te passen. Toch doen ze bij mij op mijn werk een dappere, maar vruchteloze poging.
[5] “hoe kan je nu je hoofd wegdraaien, je schouders ophalen, als je zou weten dat een dergelijke wijze van geldverspilling uiteindelijk niet alleen de zorg de nek omdraait, maar ook jouw baan als zorgverlener?”

Zelfkritiek

Het ontbreekt in de zorg aan zelfkritiek.

20130803-114415.jpgZo dat staat er. Daar begon de afgelopen dagen een gedachtenspinsel mee, zo kort voordat ik mijn werk in die zorg na mijn vakantie weer oppak. De reden hiervoor leg ik graag uit.
Binnen mijn werk is er iets veranderd. Teneinde meer grip te krijgen op processen zijn zorgpaden ingevoerd. In de praktijk betekent dat dat iedere vrager van hulp van mijn afdeling in vijftien weken geholpen wordt. De ene vijftien weken is wat intensiever dan de ander. De programma’s kunnen verschillen, maar ook de tijd van het jaar, de toevalligheid van veel vrije dagen in je therapieweken zorgen voor de verschillen.
De invoering wordt natuurlijk ingegeven door een managementbehoefte aan sturing. Hoogopgeleide professionals kun je immers niet om een boodschap sturen en dienen zich in een keurslijf te persen dat door de manager te lezen is in een excelsheet. “Spreadsheet-terrorisme”.
Analyse van “problemen” ontbreekt. De cijfers in de spreadsheet blijken vaker niet dan wel te kloppen en de meeste tijd gaat zitten in het updaten van cijfers.

We helpen daar nog steeds mensen met problemen.

De invoering wordt ook verkocht door te stellen dat de mensen die hulp van ons vragen graag het soort duidelijkheid wil dat we creëren met de zorgpaden. En die vlieger gaat wat mij betreft dus niet op. Dit zou namelijk veronderstellen dat mensen met problemen in staat zijn om een scala aan hulpaanbod op zijn merites te kunnen beoordelen om daarna tot een weloverwogen keuze te kunnen komen.

We kunnen mensen die met hun problemen geholpen moeten worden niet serieus genoeg nemen. Wie mijn werkwijze en denktrant kent weet dat ik dat doe. In dit geval echter is de invoering van een zorgpad over de rug van vermeende kennis bij de hulpontvanger te wijten aan gebrek aan zelfkritisch vermogen.

De mens met een probleem is namelijk allang blij met hulp. Iedere hulp. Je gaat geen probleem krijgen en eens rustig bekijken wát je daarmee gaat doen. Je wilt hulp en wel meteen. In mijn sector: als je been geamputeerd wordt wil je zo snel mogelijk hulp en heb je geen tijd om de verschillende zorgaanbieders eens tegen het licht te houden. Als je been niet geamputeerd wordt ga je ook niet de zorg in geval van amputatie tegen het licht houden.

In beide situaties is er dus sprake van achterstand in informatie bij de mens met het probleem. In dát geval is het dus onredelijk om daar inzicht in behandeling bij te verwachten. Ik heb natuurlijk onderzoek gedaan. Ik vraag wel eens of ze denken met vijftien weken uit te kunnen. Mensen kaatsen die vraag terug: “jullie hebben er over nagedacht en het zal dus wel goed zijn”.
Deze mensen weten niet dat er geen enkel inhoudelijk argument is voor het getal vijftien. Dat had ook twaalf, zestien, drieëntwintig, twee kunnen zijn. De argumenten voor vijftien zijn logistiek en daarbij gaat het vaker over de onmogelijkheden van het systeem dan over de mogelijkheden. Daarnaast budgettair. Vijftien weken levert meer op dan zestien of dertien. Hoop ik. Schat ik in.

Er is geen inhoudelijk argument voor vijftien weken, voor zorgpaden, voor de behoefte aan een dergelijk keurslijf voor hoogopgeleide professionals. Als ik mensen namelijk voorhoud dat we er ook voor hadden kunnen kiezen om mensen hun zorgbudget zelf in handen te geven, waarbij ze zelf kunnen plannen wat ze nodig achten, binnen een flexibele termijn (twee tot zes maanden) en dat ze uiteraard ondersteuning en hulp krijgen bij het maken van keuzes in ons aanbod dan kiezen mensen natuurlijk daarvoor. Zeker als ze dat afzetten tegen een vast programma in een vaste termijn op vaste tijden.

Ik ben echter de eerste om aan te geven dat ik te weinig zelfkritisch ben om de keuze van de mensen die ik bevroeg echt serieus te nemen. Daarvoor is meer nodig dan een plat gevoel en oppervlakte-analyse. Het zou alleen ook erg helpen als iedereen die nu tot het geloof van de zorgpaden behoort hetzelfde zou doen. Dan zou er namelijk echt geanalyseerd worden en zouden er echte oplossingen voor echte problemen ontstaan.

De problemen van gebrek aan sturingsinformatie bij managers reken ik niet tot echt probleem. We waren de zorginstelling immers niet begonnen om managers te helpen en we zijn ook geen opvanghuis voor spreadsheet-terroristen.

Ik beken!

blogfotoIk beken! Ik beken dat ik een fraudeur ben. Een fraudeur in de zorg. Ik werk in de zorg en ik heb gefraudeerd.

Zo, dat is eruit. Daar liep ik al een tijd mee rond. De aanhoudende berichten in de media over fraude in de zorg stimuleerden me zeker bij deze bekentenis. De onderste steen moet nu boven, de omerta is voorbij. Al heb ik nooit echt een omerta ervaren. Ik deed gewoon. Net als alle anderen.

Iedereen in de zorg weet toch waar ik het nu over heb? Niet over de vraag of je als uitvoerend professional je uiterste best doet om het beste voor je cliënt, patiënt, bewoner, revalidant te bereiken. Daar twijfel ik na al die jaren niet aan. Mensen gaan niet in de zorg werken om zoveel mogelijk geld te verdienen. Dan wordt je wel bankier. Natuurlijk zijn er incidenten geweest in mijn werk als het gaat om de betrouwbaarheid in het dagelijkse werk. Die komen overal voor. Die los je dan samen op en je wordt er uiteindelijk allemaal alerter en beter van.

Het gaat me ook niet meteen over het declareren van zwaardere behandelingen dan daadwerkelijk worden uitgevoerd. Datgene waar nu medisch specialisten van beticht worden. De mens en zijn medische vragen laten zich nu eenmaal niet precies indelen in diagnose-behandel-codes. En dan slipt er wel eens wat tussendoor. En natuurlijk krijg je dat in je opleiding. Het zou al wat zijn dat dokters opgeleid worden in het enkel uitvoeren van de regels! Ik heb graag een dokter die de randen van de mogelijkheden verkent. Anders waren we nu nog steeds aan het aderlaten. Van specialisten mag je verwachten dat ze de grenzen van hun mogelijkheden weten te verkennen. En geef ze eens ongelijk, als het gaat om het registreren van hun werk.

Of stopt u altijd bij oranje? En brengt u ook dat dubbeltje terug dat u bij het wisselgeld teveel kreeg en waar u pas buiten achter kwam? Wat is uw prijs?

Ook daar gaat het mij niet om. Ik heb het hier in mijn eigen bekentenis over de registratiefraude. De fraude die ontstaat als:

1. er druk is om te registreren
2. de registratie wordt gebruikt om de professional te beoordelen
3. diezelfde registratie wordt gebruikt om te declareren
4. diezelfde registratie wordt gebruikt om langjarig formatie te berekenen.

Dus professionals wordt gevraagd om iets op te schrijven (in doorgaans rammelende, moeizame en weinig gebruikersvriendelijke systemen), waarbij ze zelf verantwoordelijk zijn voor wat ze invullen, wetende dat ze daarop worden beoordeeld en op de korte en lange termijn gefinancierd zullen gaan worden. Denk eens even mee. Als ik daadwerkelijk opschrijf dat ik naar de wc ga zal dat uit de formatie gaan vallen, want niet productief. Net zoals collegiale consultatie. Daar maken we zonder veel moeite een patiëntgebonden activiteit van, zodat het in de productie valt en meetelt voor de formatiebesprekingen. Het staat ook nog eens goed op je resultaatcijfers.

Geen zorgverlener heeft zin in gesprekken over productie. Daar word je geen zorgverlener voor. Je wilt wel hard werken en veel mensen helpen. En omdat zorgverleners net zoals medisch specialisten worden opgeleid in het gebruiken van hun creatieve mogelijkheden zorg je er wel voor dat je geen gesprek krijgt over onderproductie. Als je zelf verantwoordelijk bent voor het invullen van je registratie en je zorgt dat het net bij de weg is (oranje, dubbeltjes), kraait geen haan er naar. Baas tevreden, zelf tevreden, financier tevreden. Meten is weten.

Door de enorme druk om alles te willen weten en daar vervolgens van alles aan te verbinden is een systeem ontstaan waarmee fraude bijna een wetmatigheid is geworden. Het systeem is zover geperfectioneerd dat iedereen medeverantwoordelijk is en er dus niemand op aanspreekbaar is. Als ik mijn lijst oprecht invul krijg ik rode vlekken in mijn lijst (daar staat dan niets, omdat ik naar de wc was, stond te wachten op een volgende cliënt even een babbeltje maakte met een collega, etc). Rode vlekken is een gesprek en heeft op enige termijn consequenties. Consequenties die mij mogelijk raken in mijn portemonnee. We zijn zo steeds verder afgedwaald van het werkelijke primaire proces: zorgverlenen.

Wie wilde dit ook alweer? Wie bedacht deze controlemechanismen? Hielp het? Werd er beter en meer zorg verleend? Leek het alsof er beter en meer zorg verleend werd?

In het onderwijs kennen we die praktijken uit de Verenigde Staten. Daar is allang bekend dat systemen die gericht zijn op het verhogen van de opbrengsten èn relatie hebben tot de arbeidsovereenkomst van degene die de gegevens moet aanleveren leiden tot fraude. Sterker nog: het leidt tot helemaal niets. Overigens zijn ze daar binnen de politiek nog niet over uit. Er is nog steeds zoiets als opbrengsgericht werken, centrale verplichte eindtoets, koppelen van toetsresultaten aan kwaliteit van scholen, etc. Je verzint het niet.

Ik heb gefraudeerd. Ja. Daar werd ik zelf maar zeer zijdelings beter van. Ik heb het niet eens gemerkt. En daar is nu zo’n toestand over? Over iets dat iedereen met een beetje boerenverstand had kunnen voorspellen? Pfff

Denk niet aan een giraf!

20130524-232102.jpgHet is dé manier om mensen duidelijk te maken dat je niet ergens niet aan kunt denken: de opdracht om niet aan een giraf te denken gedurende een korte periode. Het enige dat in je hoofd komt bij die opdracht is de giraf. Sinds kort vertel ik daarbij een vervolgverhaal.

Lees verder

Regel het maar liever niet!

(Speech ter gelegenheid van het jeugdberaad van de gemeente Hengelo van 7 maart 2013 over ouderbetrokkenheid)

De gemeente Hengelo heeft mij de kans gegeven vandaag u iets mee te geven over ouderbetrokkenheid. Dat is een bijzonderheid. Ik ben al een groot aantal jaren in verschillende netwerken bezig om de positie van ouders in onderwijs en zorg te verbeteren en dit is één van die zeldzame keren dat daarin ook rechtstreeks de deskundigheid van ouders gevraagd wordt. Meestal wordt er over ouders gesproken en blijft het lastig om ouders daarin zelf te betrekken. De gemeente Hengelo steekt daarin wat dat betreft haar nek uit. Daarvoor alvast hartelijk bedankt.

Ik wil het gaan hebben over ouderbetrokkenheid in relatie tot de transities jeugd en onderwijs en neem u daarbij graag mee langs een aantal gedachten.

In januari van dit jaar riep Ronald Plasterk ouders op om kinderen beter te gaan opvoeden. Ouders waren te toegeeflijk en de meeste problemen in de publieke ruimte waren toch vooral te wijten aan dat gebrek aan opvoeding. Plasterk zei dit op het moment dat er een onderzoek klaar lag naar geweld tegen ambtenaren in functie.
In september 2012 liep een sociale media-hype uit de hand. Het Groningse dorp Haren werd gesloopt nadat tienduizenden jongeren afgekomen waren op een facebook-uitnodiging voor de 16e verjaardag van een inwoner van Haren. Inmiddels heeft een commissie onder leiding van Job Cohen een onderzoek afgerond waaruit deze week zal blijken dat er een heleboel niet deugde, beter had gemoeten en wellicht zullen ook de sociale media er van langs krijgen.
Steeds weer lezen we berichten in de krant dat hulpverleners, buschauffeurs, politieagenten worden aangevallen en dat hun werk onmogelijk gemaakt wordt.
Groepsmishandelingen lijken de laatste tijd aan de orde van de dag.
Er moet wel iets gruwelijk mis zijn met onze kinderen.

Kern bij al deze incidenten is steeds dat er in de media over elkaar heen gerold wordt over de vraag wie verantwoordelijk is. En vanuit elke partij die aan het woord komt wordt de priemende vinger gewezen. En niemand wijst ooit naar zichzelf. Misschien is dat wel het grootste maatschappelijke probleem: het wijzen naar een ander, omdat het wijzen naar een ander ons ontslaat van onze eigen verantwoordelijkheid.

Dát en de neiging om gerust te stellen. Als er namelijk een dader is of een sluitende analyse van het incident is er geruststelling en snapt iedereen waarom het gebeurde. Denk in dat kader aan de gevallen van zelfdoding na een geschiedenis van pesten. Ook als het om pesten gaat wisselen de meningen en wordt er driftig gewezen. Naar de school, die het niet gezien heeft. Naar de overheid die laks is in het bieden van mogelijkheden en naar de zorg die er niet was toen het nodig was. Om over de ouders nog maar te zwijgen. Onlangs bleek in een radioprogramma dat zelfs zij vogelvrij zijn als de eerste rouw voorbij is. Dat alles vanuit een behoefte tot verklaring.

Troost u. Mijn kinderen doen geen dingen zoals ik ze net noemde. Ik voed mijn kinderen goed op en heb alle vertrouwen dat dat ook zo is uitgepakt. Sterker nog: ik weet dat zeker. Mijn kinderen waren namelijk niet in Haren, niet in Eindhoven en Oosterhout, hebben niemand gepest en hebben ambulancechauffeurs onder hun beste vrienden. En ook dat wordt bewezen door onderzoek.

Zo zijn ouders er in hun opvoeding vooral op uit dat hun kind weerbaar en eerlijk is. Zorgen voor anderen is daarnaast een belangrijk doel van de opvoeding. Aan de andere kant echter vinden bijna alle ouders ook dat juist alle andere ouders hun kinderen wel eens strenger zouden mogen opvoeden. Bedenk eens wat dat betekent: alle ouders vinden dat alle andere ouders niet streng genoeg opvoeden…

Zoals ik al zei: mijn kinderen doen dat niet…

Scholen zouden graag zien dat ouders kinderen meer in gehoorzaamheid op zouden voeden. Op mijn rapport stond vroeger een mooi rijtje van dat soort traditionele waarden: beleefd, behulpzaam, mededeelzaam. Gehoorzaamheid stond zelfs apart en werd ook als zodanig thuis met mij besproken. Gehoorzaam moest je zijn. Scholen lijken nog niet erg veranderd in hun diepere behoeftes.

Er zit dus een conflict tussen wat ouders belangrijk vinden en wat scholen graag zouden zien. Ook aan de kant van de zorg zijn er wensen ten aanzien van ouders. Ouders moeten op een positieve manier hun kinderen helpen op hun weg naar volwassenheid. Ze moeten tijdig hun vragen stellen en gebruik maken van de mogelijkheden die er zijn op de momenten dat dat voor de zorg gelegen komt.

Even een belangrijk uitgangspunt. Daarvoor gaan we terug naar heel erg lang geleden. Een tijd dat er geen zorg en geen onderwijs was. Een tijd dat er alleen nog ouders en kinderen waren die zich zonder zorg en onderwijs moesten zien te redden. Het zijn mijn voorouders. Het zijn ons aller voorouders. Zij moesten het stellen zonder indicatiestellingen, toelatingsbeschikkingen, multi-problem-aanpakken, etc.

Het lijkt erop dat onze voorouders zich daar prima mee gered hebben. Kijk om u heen en zie de gevolgen. Het feit dat wij hier zitten en het vandaag met elkaar kunnen hebben over zoiets als ouderbetrokkenheid is voldoende bewijs dat die voorouders kennelijk iets goed hebben gedaan.

Nog een belangrijk uitgangspunt: ouders doen het eigenlijk best goed. Kinderen in Nederland blijken uit onderzoek tot de gelukkigste kinderen van de wereld te behoren en de opvoeding van ouders in Nederland wordt als prima beschouwd. Opvoeden tot respect is daarbij niet het belangrijkste doel. Opvoeden tot een zelfsturend individu lijkt belangrijker.

In de transities jeugd en onderwijs zie je dat er bij de domeinpartijen behoefte bestaat om zaken goed te regelen. De domeinen jeugd en onderwijs moeten op enig moment in elkaar schuiven en elkaar gaan versterken. Het lijkt logisch dat de eerste neiging is om dat inderdaad te gaan regelen. En juist in dat regelen lijkt het conflict te schuilen.

In een grote landelijke netwerkbijeenkomst was men druk bezig om dit soort dingen over die beide transities te regelen.De eerste bijeenkomst waarbij ouders aanschoven bleek een kanteling te betekenen in het denken over dat regelen. Ouders bleken zeer goed in staat om overtuigend duidelijk te maken dat zij niet zitten te wachten op protocollen, regels en indicatieprocedures. Ouders willen een vraag kunnen stellen, daar vlot een ter zake kundig antwoord op ontvangen en voor de rest niet al te veel gedoe. In de genoemde bijeenkomst werd de opdracht ter uitwerking daarom dat wat er dan ook maar geregeld zou gaan worden vooral flexibel moest zijn. Dus vooral geen regels!

Iets zonder regels dus. Kan dat eigenlijk wel? Is het in de huidige tijd nog mogelijk om zaken zonder regels te organiseren?

Er zijn twee voorbeelden waar dat uit zou kunnen blijken.

De eerste is Eigen Kracht. De methode waarbij problemen aangepakt worden vanuit een netwerkgedachte: iedere belangrijke persoon uit een netwerk kan onderdeel zijn van de oplossing. De kern van Eigen Kracht is dat de oplossing en de uitwerking van die oplossing uit het eigen netwerk van betrokkenen komt. Hulpverleners en professioneel betrokkenen staan daarbij aan de kant en voegen zich naar deze oplossing. Dit levert soms verrassend eenvoudige oplossingen op. Oplossingen die binnen alle regels van professionele instellingen met name door die regels niet meer mogelijk lijken te zijn.

Inmiddels is er een schat aan ervaring opgedaan met Eigen Kracht Conferenties in de zorg. Het wachten is op een groot aantal conferenties die zich richten op onderwijs. Je zou verwachten dat daar dezelfde ervaringen opgedaan zouden kunnen worden. Eigen Kracht wordt omarmt door bijvoorbeeld Pieter Hilhorst, tegenwoordig wethouder in Amsterdam, die Eigen Kracht ziet als belangrijke methode om de maatschappij te “ontzorgen”. Hij stelt dat we te gewend zijn geraakt om problemen op het bord van professionals te leggen en dat we verleerd lijken te zijn onze eigen problemen op te lossen.

Het tweede voorbeeld komt uit het verkeer. In 1979 wist Hans Monderman, een verkeerskundig ingenieur met een voorliefde voor het gedrag van mensen, te bereiken dat er een door hem bedachte oplossing werd gekozen voor een groot verkeersprobleem. Er was een doorgaande weg waar te hard werd gereden, ongelukken gebeurden en waar het ronduit onveilig was. De gebruikelijke oplossing in die gevallen was (en is overigens nog steeds op veel plekken) dat er dan voor drempels, verkeersremmende maatregelen, handhaving en dergelijke wordt gekozen. Hans Monderman deed het anders: hij haalde alle verkeersbepalende elementen weg. Hij verwijderde de borden, de belijning op de weg, het onderscheid tussen weg en trottoir en maakte er een soort plein van.

In tegenstelling tot wat je zou verwachten nam de verkeersveiligheid op deze Shared Spaces, zoals je ze noemt, toe. Auto’s minderden vaart doordat niet duidelijk was wat de verkeersituatie precies was. Fietsers en voetgangers konden gemakkelijker weer naar de overkant zonder halsbrekende toeren uit te halen. Anderzijds ervaarden alle gebruikers de situatie wel als onveiliger dan voorheen. Dat was precies waar Hans Monderman op uit was: als mensen zich namelijk onveilig voelen gaan ze vanzelf beter opletten. Ze gaan dan weer zelf nadenken. Of zoals hij vaak geciteerd wordt: “if you treat people like idiots, they will act like idiots”. Andersom is natuurlijk ook het geval. Het ontregelende van Hans Monderman lijkt op het pleidooi van Pieter Hilhorst om de maatschappij te “ontzorgen”.

Hoe moet dat nu met de ouders? En met de ouderbetrokkenheid? Is daar het probleem ook minder groot als je er anders tegenaan kijkt? Zou je door te “ontzorgen en te ontregelen” misschien tot verrassende uitkomsten kunnen komen? Kunnen professionals er tegen dat ouders en hun betrokkenheid misschien geen probleem zijn? Kunnen ouders er wel tegen dat ze bij problemen niet door professionals gerustgesteld worden? Horen sommige problemen misschien gewoon bij het leven?

Ouderbetrokkenheid is wat mij betreft niet het probleem. Ouderbetrokkenheid in de zin van ouders die betrokken zijn op het dagelijks leven van hun kinderen is niet het probleem. In mijn werkzame leven ben ik nog nooit ouders tegengekomen die niet betrokken waren op hun kinderen. De wijze van betrokkenheid en de keuzes die daaruit volgden riepen bij mij weliswaar soms vragen op. Vragen die, zo ze ter sprake kwamen, ook beantwoord werden. Maar betrokken was het. Zelfs in situaties waarin kinderen in het geding waren bleek de betrokkenheid van ouders niet het grootste probleem.

Ouderparticipatie zal mogelijk anders zijn. Participatie is het meedoen op school als leesvader, klusmoeder en pannenkoekenbakker op de jaarlijkse fancyfair. Maar participatie is niet hetzelfde als betrokkenheid en moet zeker niet met elkaar verward worden. Bovendien helpt participatie niet het kind, maar slechts de school. Betrokkenheid is goed voor een kind, noodzakelijk zelfs.

Het leven van ouders is een geïntegreerd leven. Ze krijgen gemiddeld 1,7 kind per gezin, hebben daarmee gedurende de rest van hun leven een invulling voor de gesprekken op verjaardagsfeestjes, de zorgen voor het slapen gaan, de zorgen voor de latere kleinkinderen. Wat er ook gebeurt tijdens het leven van die kinderen, het gebeurt altijd op een manier die bij het leven hoort. Ouders vragen zich, zodra ze kinderen hebben ook graag af of ze de dingen wel goed doen. En soms raadplegen ze daarbij professionals.

De komst van professionals heeft gemaakt dat zorg, onderwijs, orthopedagogiek, hulpverlening, revalidatie, specialistische zorg, etc alleen in aparte blokken toegankelijk is voor ouders met hun kinderen. Ik herinner mij dat een KeelNeusOor-arts het gebrekkige gehoor van mijn zoon, vanuit medisch-technisch perspectief geen enkel bezwaar vond. Wij waren maar wat blij met de visie van een logopedist die vanuit het perpectief van taalontwikkeling aandrong op actie. Gelukkig kon de KNO-arts dit voor hem nieuwe perspectief integreren en kon hij hiernaar handelen. Voor ons was onze zoon nog steeds dezelfde. Wij hadden nog nooit het verschil tussen een medisch-technisch en een taalontwikkelingsperspectief bij hem gezien. Hij kon leuk met een bal spelen en sorteerde graag zijn duplo. En het was natuurlijk gewoon een heel erg lief jong! Dát zagen we wel.

Er gaat iets mis in de aansluiting tussen wat ouders nodig hebben en in wat professionals willen regelen. Ik herinner mij een jongerensoos waar ik zijdelings betrokkenheid bij had in een klein dorp hier in de buurt. De jongerensoos was nieuw. Er was van alles geregeld: een ruimte, discolampen, muziek, een drankprotocol, een bardienst en er was eindeloos vergaderd over allerlei scenario’s waarin het mis kon gaan. Alles was geregeld en iedereen was overal op voorbereid. De eerste avond van de jongerensoos werd niet bezocht. Bij alles wat geregeld was, was de organisatie vergeten de jongeren te vertellen over de jongerensoos. Laat staan dat ze de jongeren hadden betrokken bij de planvorming.

Dat is wat dreigt als je kijkt naar de transities waar we het hier vandaag over hebben: hoe betrek je het kapitaal van die transities bij de uiteindelijke plannen? Het kapitaal van zowel onderwijs als zorg is uiteindelijk toch het gezin. Hoe je het ook wendt of keert: als ouders stoppen met hun ouderschap en dus geen kinderen meer krijgen kan de transitie jeugd en onderwijs wel stoppen. Dan valt er niets te transformeren en hoeven we het nergens meer over te hebben. Het enige bestaansrecht van de domeinen jeugd en onderwijs komt voort uit de ouders!

Daar waar de neiging bestaat om veel te regelen, of vooral goede afspraken te maken is dat misschien wel helemaal niet waar ouders op zitten te wachten. Regels belemmeren immers maar de normale gang van zaken. Het voorkomt dat we zelf na gaan denken en het voorkomt dat we zelf leren zorgen voor onze noden. Bovendien zijn ouders niet gek. Als een overheid aanspoort tot Eigen Kracht, Zelfmanagement of OntOrganiseren gaat dat vaak gepaard met een budgettair probleem. Het lijkt bijna op de priemende vinger waar ik het eerder over had. De vinger van verantwoordelijkheid. Het is uw probleem!

Wat ouders betreft hoeft er dus niet zoveel. Regel het misschien dus maar liever niet. Maak er een plein van zoals Hans Monderman dat deed met het verkeer. Laat mensen weer zelf nadenken over oplossingen zoals Pieter Hilhorst dat bedoelde toen hij het had over ontzorgen. Ga uit van Eigen Kracht en zie weer de Eigen Aardigheden van kinderen. En wijs, in geval van incidenten, naar jezelf. Ga eerst als een Griekse filosoof met jezelf in dialoog voordat je wijst naar een ander. Wijs in geen geval naar een ander maar beschouw de dingen in hun noodzakelijke onderlinge verbondenheid.

Sta jezelf toe dat het moeilijke soms bij het leven hoort en dat geruststelling daarbij niet het belangrijkste is, maar misschien wel aanvaarding. Misschien hoort pesten wel bij de eigenschappen van een groep en zul je er vooral je best voor moeten doen om te zorgen dat niet steeds hetzelfde kind gepest wordt.

Maar ga de dingen niet op voorhand regelen. Regel het niet. Vraag het gewoon eens aan de direct betrokkenen. Wat werkt. Ik hoor in mijn adviezen aan ouders die met een kind in het onderwijs vast dreigen te lopen eigenlijk nooit dat ze zelf geen oplossing weten. Ouders zijn meestal al erg gewend aan en ingesteld op de bijzonderheden van hun kinderen voordat ze een school bezoeken. Ze durven het alleen niet hardop te zeggen en er wordt bijna nooit naar gevraagd. Gelukkig gebeurt dat natuurlijk alleen bij al die professionals die er vandaag niet zijn. Jullie doen het natuurlijk wel goed! Het lijkt alsof ouders zelfs onzeker zijn geworden over de oplossingen die thuis en op de sportvereniging gewoon werken.

Zorg dat het dossier van het kind is en daarmee van de ouders. Zorg dat dat duidelijk is: de kennis over dát kind is te vinden bij…. dát kind! Waar heb je je sleutels laten liggen? Waar je ze het laatste gehad hebt…

En ook de ontzorging en de ontregeling hoeft dus niet geregeld te worden. Misschien. Misschien kunnen we dan weer een beetje terug naar de situatie van onze voorouders. Waar geen zorg was en geen onderwijs. En waar toch voor elkaar gezorgd werd en waar kinderen toch het nodige leerden. Ouders zouden moeten aanvaarden dat ze niet overal in gerustgesteld kunnen worden. En zorg en onderwijs zou moeten aanvaarden dat ze ouders niet overal in gerust hoeven te stellen.

Om te ontzorgen en te ontregelen is durf nodig. Durf om juist niet gerust te stellen, niet de priemende vinger te wijzen, maar gezamenlijk de verantwoordelijkheid te dragen. Durf om nooit meer te overleggen over ouders en kinderen, maar altijd met. Omdat ook de oplossing uiteindelijk bij die ouders gevonden moet worden.
De gemeente Hengelo durfde het aan om een “gewone” ouder het woord hier te geven. Durven jullie het aan om de ontzorging en de ontregeling echt te gaan.. eh… oppakken?

 

De nieuwe tijd

20130206-130811.jpgEr komt een nieuwe tijd. En die nieuwe tijd komt er ook snel. Het wordt een tijd waarin het, om met Ricardo Semler te spreken, draait om vertrouwen, openheid en liefde. Waarbij overigens mag worden opgemerkt dat Ricardo Semler daarin zijn tijd ver vooruit is. Die nieuwe tijd is dus op veel plekken al lang begonnen.

Het wordt een tijd waarin binnen organisaties alleen nog mensen werken die van toegevoegde waarde zijn. Een tijd waarin voor iedereen die op dit moment nog werk doet waar je je de toegevoegde waarde van mag afvragen een nieuwe plek is gekomen. Omdat iedereen dan ineens ziet dat het gaat om het toevoegen van waarde aan de ander, de wereld om je heen en aan jezelf. Omdat dàt dan vanzelfsprekend wordt.

Het wordt een tijd waarin er voor iedereen een plek is. Een plek passend bij de mogelijkheden van die persoon, op dat moment, in die periode. Een plek als werknemer, als deelnemer aan de maatschappij, als scholier, als leerling. Geen uitzonderingen meer. Clusters van medewerkers die allemaal binnen hun eigen mogelijkheden werken en bijdragen aan de gezamenlijke doelen. Scholen waar uit principe niet wordt gesproken over zorgstructuren: omdat er voor iedereen per definitie een plek is en omdat dat de verantwoordelijkheid is van iedereen die participeert.

Het wordt een tijd waarin we weer voor elkaar gaan zorgen, zonder dure organisaties die dat namens ons zijn gaan doen. Een tijd waarin de dan ontstane leegstand in kantoorpanden van die dure organisaties slim wordt opgelost door voor iedereen betaalbare woningen te creeren. Woningen waarin het vooral draait om samen leven. Waar rechten ondergeschikt worden aan plichten om tot gezamenlijke oplossingen te komen. Gewoon omdat dat kan en omdat je er gemakkelijker uitkomt als je niet over rechten begint.

Het wordt een tijd waarin we voor onze eigen energie zorgen, voor onze eigen kosten staan en waarbij de kosten van alles weer in verhouding staan tot dat wat het is. Waarbij iedereen een lening kan snappen, uitleggen en begrijpen. Waarbij iedereen weet uit welke windmolen zijn energie komt en waarbij iedereen ook uit kan leggen waarom je wat moet betalen. Een tijd dus waarbij geld weer inwisselbaar wordt voor waarde en waarde niet door geld bepaald wordt. Een tijd waarbij ieder product een reële prijs heeft die voor iedereen duidelijk is. Een prijs die past bij het respect voor het product en die niet kunstmatig is ongedreven door onzichtbare “mee-eters”. Een tijd waar ruilen met gesloten beurs weer gewoonte wordt, waarbij geven het nieuwe nemen is.

Ideaal? Misschien.
Realistisch? Noodzakelijk.
Alleen: Het duurt nog even. Nog eventjes maar. Dus nog even geduld. Kan iedereen die nu niet echt van toegevoegde waarde is gaan nadenken over hoe ze straks van waarde kunnen zijn.
Hun eigen waarde…

Ontorganiseren

We willen alles weten en dus zijn we alles aan het meten. En als we hebben gemeten en we weten het nog niet gaan we nog meer meten. Of in ieder geval begrenzen. Want het meet gemakkelijker op een duidelijk afgepaald terrein. En we meten vrolijk verder en gebruiken die gegevens om te voorspellen wat er zal gebeuren op het door onszelf afgescheiden terrein. Een terrein dat alleen maar bestaat in de hoofden van de begrenzers.

20130208-141559.jpgZo ontstaan in de zorg zorgpaden, in het onderwijs zorgstructuren en leerlijnen en in organisaties werkinstructies. Opmerkelijke overeenkomst bij al deze zaken is dat de eindgebruikers in deze gebieden niet geholpen zijn met deze afgescheiden terreinen.

Patiënten in de zorg zitten niet te wachten op een grens aan de inzet van behandelaars. Misschien hooguit een financiële grens. In de zorg is die financiële grens zo mogelijk nog diffuser dan het afgepaalde zorgpad. Een patient wil geholpen worden op een persoonlijke manier en niet door een zorgpad. Een zorgpad haalt geen adem, heeft geen aandacht en beperkt alleen maar.

Leerlingen op een school willen ook niet leren omdat het dinsdag is. Ze willen leren omdat ze een vraag hebben. En die vraag kan ook op zondag naar boven komen. Misschien gaat de vraag wel niet eens primair over rekenen of taal. Alle leerlingen leren. Ook leerlingen die op dinsdag niet te genieten zijn. Die leerlingen willen niet in een zorgstructuur. Die willen gewoon voor vol aangezien worden. Net zoals ze door hun ouders worden bekeken. Die zien ook geen grenzen of structuren, maar gewone kinderen met de behoefte om kind te zijn, te leren en groot te worden.

Werknemers worden aangenomen om hun kwaliteiten. Werkinstructies maken werknemers dom. Plak eens een briefje met “defect” op een lift en merk op dat niemand de lift meer gebruikt. Tot die eigenwijze werknemer eraan komt en kijkt of de lift echt wel defect is. Als werknemers worden aangenomen om wat ze toch al kunnen, waarom hebben leidinggevenden dan de hardnekkige neiging om instructies te geven over het werk? Dat weet die werknemer toch zelf wel? Of hebben leidinggevenden door dat ze anders niets hoeven te doen? En dus net zo goed thuis kunnen blijven?

De maatschappij is overgeorganiseerd. Voor alles zijn regels en als ze er niet zijn is er binnen de kortste keren een adviseur die ook daar regels voor verzint. Er is een dringende behoefte aan ontorganiseren: regels schrappen, erop vertrouwen dat het wel goed komt, flexibel kunnen omgaan met vragen die er zijn. Dan zal de angst bij regel-adepten actueel worden: de mensen gaan maar wat doen (antwoord: JA!) en maken alles op (antwoord: Er zijn voorbeelden waaruit blijkt dat die gewone mensen op een hele verantwoorde manier geld kunnen besteden en zelfs goedkoper uit zijn. In ieder geval konden die mensen het budget van de regel-adept schrappen).

Ik ga mijn persoonlijke best doen: ik ga in elke gelegenheid zoeken naar de maximale flexibiliteit, de maximale waarde voor degeen waar het om gaat en ik beloof om niet meer op te maken dan er beschikbaar is. Mag ik? Wie doet er mee?