Categoriearchief: Zorg

Schijf van Vijf (maar dan anders)

Afgelopen week in een hulpverleningsgesprek bedacht en nog lang niet klaar. Toch deel ik graag het allereerste prototype en ik zal uitleggen waarom ik het gebruikte. Ik hoor graag of je aanvullingen hebt. Of misschien wel een zesde part kunt bedenken, of het niet eens bent met deze vijf.

De vijf parten van mijn schijf:

1. Voldoende beweging
2. Gezond eten
3. Sociaal contact
4. Cognitieve uitdaging
5. Rust

In de goede verhoudingen toegepast zou je hier goed mee moeten kunnen leven. De juiste verhoudingen zijn hier getekend als 20 procent per part. Dat is arbitrair. De verhouding is nu juist voor iedereen anders. En de verhouding kan wisselen per moment, per dag, per periode. Waar ik bijvoorbeeld momenteel heel veel investeer in cognitieve uitdaging, zou ik voor meer balans misschien meer beweging en meer rust moeten inbouwen. Door ze als vijf corresponderende parten voor te stellen wordt het een geheel.

In het gesprek waar ik het toepaste ging het om iemand die teveel rust had ingebouwd. Door het tekenen van deze schijf zag ze meteen waar voor haar de verandering zou moeten zitten. Het beeld van de schijf en de onderlinge verhoudingen hielpen haar om snel keuzes te maken waarmee ze uit de voeten kon. Dat is meteen ook het belangrijkste doel: helpen om inzicht te verschaffen en keuzes te helpen ondersteunen. Vooral het feit dat er geen vastgestelde verhouding is hielp de mensen waarmee ik er nu mee gewerkt heb. Waar voor de één, op dit moment, meer rust geen item is, kan het dat voor een ander wel zijn. Daarmee wordt de Schijf van Vijf, maar dan anders, een handig middel om iets duidelijk te maken.

Mocht je aanvullingen hebben, of anderzins opmerkingen dan hoor ik dat graag.

Een Handvol Vragen

Een middel dat ik vaak gebruik in mijn gesprekken, om als opdracht mee te geven, om mensen bewust te laten worden is Een Handvol Vragen. Ik zal hier kort uitleggen wat dat is:

Een hand heeft vijf vingers. Hier horen vijf vragen op. De hand is altijd bij de hand en zo kan, met de vragen op elke vinger, iemand stil staan bij hoe het op dat moment gaat. De vragen zijn eenvoudig. Het belangrijkste doel is stilstaan bij het moment en er zit geen verdere evaluatie achter. Er hoeft ook geen actie ondernomen te worden op de vragen. Ongeacht de antwoorden kan iemand, na het beantwoorden, gewoon weer doorgaan met waar ze zijn gebleven. Vaak zal het echter anders gaan: mensen worden zich bewuster, ze staan heel nadrukkelijk stil bij zichzelf en gaan in navolging daarvan toch vaak andere keuzes voor zichzelf maken.

Een Handvol Vragen helpt daarbij.

De vragen:
1. Heb ik honger?
2. Heb ik dorst?
3. Moet ik naar het toilet?
4. en 5. zijn vrij in te vullen. Je kunt specifieke zaken ten aanzien van jezelf vragen: bv. Heb ik mijn schouders opgetrokken, Ben ik rustig, Heb ik het naar mijn zin, etc. Juist deze open vragen geven ook betrokkenheid bij de opdracht en maken dat iemand de opdracht gemakkelijker uit gaan voeren in zijn dagelijkse praktijk.

Zoals gezegd: mensen hoeven niet het antwoord op te volgen. Al zou ik persoonlijk wel naar het toilet gaan als ik die vraag met ‘ja’ zou beantwoorden.

De opdracht is simpel uitvoerbaar: een hand is altijd voorradig en door de vragen te koppelen aan de hand zijn ze meteen ook paraat. Het is een goede eerste stap naar bewustwording.

Acceptatie of de kunst van het loslaten

Voor veel mensen is het lastig om zaken te kunnen accepteren. Zeker wanneer dat gaat om zaken die het dagelijks leven beïnvloeden zoals verlies van lichamelijke functies of het verlies van dierbaren. We verwachten allemaal dat we een leven zonder teleurstelling en ergernis kunnen leven. Het valt dan ook niet mee als je toch teleurstelling en ergernis meemaakt.
Iedereen kan leren accepteren. Hier probeer ik te verduidelijken hoe je daarmee een begin kunt maken. Je zult merken dat het gemakkelijker gezegd dan gedaan is.[1]

Vooraf:
Bij alles gaat het altijd om de gemakkelijkste weg. Er zijn regels en er zijn olifantenpaadjes. Regels vertellen hoe het hoort, waar je hoort te lopen en hoe je je hoort te gedragen. Regels zijn dus de trottoirs en de paden die bedacht zijn om te gebruiken.
Olifantenpaadjes wijzen je echter de weg in de dagelijkse praktijk. Ze zijn gemakkelijker, sneller en verlopen soepeler. In alle menselijk processen zijn er regels te bedenken, maar gaat het uiteindelijk om de praktische toepassing. Bij die toepassing kunnen olifantenpaadjes je van dienst zijn. Bij acceptatie geldt als regel dat je dat moet doen wat werkt. Olifantenpaadjes dus.

Dan:
Hoe pak je dat accepteren nu aan? Welke dingen moet je doen, of belangrijker nog, nalaten om je acceptatieproces een handje te helpen. Acceptatie ging toch ook om loslaten?
Hoe zorg je voor voldoende psychische flexibiliteit en een houding waarbij je kunt meebewegen op de golven van je leven vanuit een diepe aanvaarding van alle dingen die in je lichaam en om je heen gebeuren?

Acceptance and Commitment Therapy (ACT) gaat over meer dan alleen maar acceptatie. Daarvoor zijn nog een aantal factoren van belang. Naast acceptatie zijn dat:
– het feit dat je keuze hebt om je gedachten wel of niet te volgen.
– aandachtig leven, mild zijn naar jezelf en naar de dingen om je heen
– naar jezelf kunnen kijken
– die dingen doen die werkelijk van belang zijn voor jezelf
– je waarden kennen

Er zijn rijtjes te bedenken van zaken die belangrijk zijn bij het werken aan acceptatie. Voor dit onderstaande rijtje heb ik me gebaseerd op het eerder aangehaalde artikel uit PsychologieMagazine.

Leer te lijden: je zult afstand moeten nemen van het idee dat iedereen, overal gelukkig zou moeten kunnen zijn. Leven is een samenspel van leuke en vervelende dingen. Van lijden dus. Ergernis en boosheid zijn deel van het leven. Positief denken? Bestaat niet. En het is ook nog eens gevaarlijk!
Confronteer je angsten: weet wat je vermijdt en waarom je dat vermijdt. Zorg voor een ruim gedragsrepertoire. Hoewel het logisch lijkt nare situaties te vermijden zorgt het namelijk ook voor het beperken van de mogelijkheden die je hebt. En veel situaties die je vermijdt zijn misschien wel helemaal het vermijden niet waard.
Richt je op de feiten: de mens heeft de neiging om onheil uit te vergroten en met taal, gedachten, verwachtingen te verergeren. Een kleinigheid die misgaat wordt zo al snel een ramp. De wet van Murphy is een beschrijving van dit psychologisch fenomeen. Alles wat je aandacht geeft groeit.
Vernietig je controlestrategieën: dit sluit nauw aan bij punt 2. Controlestrategieën helpen je de waarheid te vermijden. Onzekerheid maskeer je met assertiviteit (of agressiviteit). Weinig zelfvertrouwen maskeer je door te doen wat anderen van je verwachten (en waar je goedkeuring voor krijgt). Streef naar wat ze in ACT creatieve hopeloosheid noemen. Als je erkent dat je trucs niet werken ontstaat er ruimte voor nieuw gedrag.
Observeer je gevoelens: Wanneer je angstig wordt of je gaat ergeren is er altijd een gebeurtenis waaraan je zou kunnen adresseren (die vervelende mevrouw die voorkroop bij de bakker bijvoorbeeld). Waar je echter last van hebt is het gevoel dat het bij je oproept. Observeer dat gevoel en bekijk het met een andere blik. Streef naar wat ze mindfulness noemen. Door mindfulness te beoefenen wordt het mogelijk de werkelijkheid te aanvaarden en bewust aandacht te geven aan jezelf en alles om je heen.
Concentreer je op je doelen: Vraag jezelf wat in jouw leven zin geeft. Wat is voor jou echt waardevol en mag dus ook moeite kosten. Zet je in voor de dingen die je kunt veranderen en accepteer wat niet te veranderen valt. Committeer je aan je waarden. Ook al heb je angst, ga stug op je doel af. Keuzes kun je toch niet vermijden: niet kiezen is ook een keuze.
Heb mededogen: probeer je te verplaatsen in anderen. Misschien heeft die mevrouw bij de bakker wel enorme haast. Een beetje empathie laat woede of irritatie vaak als sneeuw voor de zon verdwijnen. Verwondering is een emotie die nauw verwant is aan irritatie. Weet dat je daarin de keuze hebt.

Slot
Dit artikel heeft geenszins de bedoeling om compleet te zijn. De toegevoegde links in het artikel en in de voetnoot staan er dan ook niet voor niets. Het doel was een aanzet te geven tot bezig zijn met acceptatie en ik hoop dat er zaken in staan waarmee je je voordeel kunt doen. Mocht je echter grote bezwaren hebben met de dingen die hier zijn beschreven dan hoor ik dat uiteraard ook graag!


[1] Voor dit artikel heb ik mij oa gebaseerd op mijn kennis van de Acceptance and Commitment Therapy. Het boek: “Leven met pijn” van oa. Karlein Schreurs en een artikel uit PsychologieMagazine:

Mark en Lucy en het Huiselijk geweld

ingestorte woning(kort verhaal)

Daar zit ik dan, mijn vrouw huilend naast mij, de kinderen aan mijn voeten. Ook solidair meehuilend. Ik houd er de moed nog eens in. Probeer de stemming wat om te gooien, knik vriendelijk naar de andere wachtenden. Allen voorzien van verse kwetsuren, voorzien van een kleurcode die de urgentie van hun kwetsuur aangeeft, zitten zij te wachten totdat een verpleegkundige hen zal komen halen.

De televisie toont een spelshow en ik wijs mijn kinderen op de koddige manier waarop een van de kandidaten zijn voertuig in het water stuurt. Ze kunnen er niet om lachen. De spanning is te snijden. De andere wachtenden kijken mij met minachting aan en ik probeer op mijn gewoonst terug te kijken. Het voelt alsof je in het donker fietst, weet dat je licht in orde is, maar dat je toch angst hebt voor de politie.

Mijn vrouw heeft een niet zo urgente kleurcode. Zij is niet buiten bewustzijn geweest en dat hadden we moeten weten. Van te voren. Dat je dat dan kunt veinzen bij inschrijving aan de balie, zodat het allemaal een beetje snel achter de rug is, omdat je een urgente kleurcode krijgt.

De lap op haar hoofd is doordrenkt met bloed. Ondanks dat ze is gestopt met huilen voel ik aan het schokken van haar schouders dat ze nog overstuur is. Ze is er erg van geschrokken. Waarschijnlijk weet ze niet eens of ze buiten bewustzijn is geweest.

De minachtende blikken van de kennelijk urgentere gewonden gaan nu ook mijn vrouw opvallen. Zij vleit zich solidair met mij op mijn schouder, waarbij ze en passant mijn overhemd besmeurd met haar verse bloed. Het deert me niet.

Als een mannetjesgorilla waak ik over mijn kudde en doe inmiddels geen moeite meer om gewoon terug te kijken. Ik kijk zo minachtend mogelijk terug naar de mensen tegenover ons in de wachtkamer. Er wordt nauwelijks gepraat. Ik fluister lieve woordjes. Mijn vrouw stelt het op prijs. De kinderen hebben de lego ontdekt en proberen zich ermee te vermaken. Ze verliezen hun moeder en mij geen moment uit het oog. Ik voel me opgelaten.

Thuis staat een onafgemaakte pasta te wachten op eters. Ik heb in allerijl mijn kinderen van de sportclub gehaald, terwijl mijn vrouw naar het ziekenhuis werd afgevoerd. We zijn elkaar hier pas weer tegengekomen en vanwege de bedrukte stemming en de oplopende emoties van mijn vrouw heb ik nog niet naar de toedracht kunnen informeren.

Een vrouw met een kruk is aan de beurt. Terwijl ze langs ons heen loopt sist ze een uitermate onvriendelijk woord in mijn richting. Ik zie haar man, die de andere kruk speelt, instemmend knikken. Ik weet niet wat me gebeurt. De vrouw kijkt nog eens om en ik zie aan de paar wachtenden tegenover ons dat zij haar tot held hebben uitgeroepen, zonder er woorden aan te spenderen. Ze glimlachen haar toe als Mona Lisa. Mijn vrouw heeft het niet gemerkt. Zij heeft haar ogen gesloten, ligt nog steeds met haar hoofd op mijn schouder en ik voel hoe het verse bloed mijn overhemd plakkerig maakt.

Ik ruik aan mijn vingers. Knoflook. Ik denk aan de coquilles die ik nog weer in de koelkast kon leggen. De basis voor de saus is al klaar. Zontomaatjes, ui, bosui, knoflook en verse peterselie. De coquilles waren net aan de beurt om in de basis te garen. Ik had ze nog net niet gezouten. Gelukkig maar, anders zouden ze straks te droog worden. Ook de wijn had ik nog weer koud kunnen zetten. Ik had vanmiddag al de prosecco in de koeling gelegd. Voor de kinderen waren er ook bubbels, maar dan zonder alcohol. De tafel was mooi gedekt en de salade van buffelmozzarella, roma’s en verse basilicum stond klaar op een geïmproviseerde koeling. Ik had ijsklontjes in een schaal gedaan waar de saladeschaal precies oppaste. Het zou de basilicum knapperig houden. Het was een warme dag geweest en ik had zin gehad om een mooie lichte pasta te maken.

Hoe anders loopt het nu. Gelukkig zijn we aan de beurt. Mijn vrouw gaat mij voor naar de behandelkamer, de kinderen vermaken zich met de lego.

In de behandelkamer valt mijn oog op een grote poster over huiselijk geweld. Op de poster is een geslagen vrouw zichtbaar, met tranen in haar ogen en een brute man erachter. De man heft zijn arm. Ze hebben niets aan het toeval willen overlaten om de bedoeling van de poster duidelijk te maken.

Ik kijk mijn vrouw aan. Ze glimlacht bij het zien van de poster. De verpleegkundige ziet ons kijken en informeert omslachtig naar de toedracht van de verwondingen van mijn vrouw. Mijn vrouw legt kort en bondig uit hoe ze, tijdens haar jurywerk bij de atletiekwedstrijden een paal van het hoogspringen tegen haar hoofd heeft gehad. Hoe ze een atleet die van de mat dreigde te vallen probeerde tegen te houden en toen de paal omtrok. Dat ze door mensen van de club is gebracht en dat ze lang heeft moeten wachten, maar dat ik gelukkig snel de kinderen had opgehaald en bij haar was. Ze kijkt naar mij. Ik glimlach. Nee, wij zijn niet van het huiselijk geweld, als meneer dat soms mocht denken.
De verpleegkundige is zichtbaar opgelucht na het relaas van mijn vrouw. Hij had zich kennelijk op het ergste voorbereid. Ik houd me triomfantelijk afzijdig. Ben trots op mijn vrouw die na de wondverzorging gehecht wordt.

Vier hechtingen later staan we weer in de wachtkamer. Er zijn geen mensen meer, behalve de kinderen. De televisie toont het nieuws van tien uur. Mijn kinderen springen op en bewonderen de hechtingen van mijn vrouw. Ik zoek de sporttas van mijn vrouw. Hij staat onder de stoel waar ze heeft gezeten.

Terwijl ik de sporttas pak valt mijn oog op een poster. Een poster over huiselijk geweld. Ik heb met mijn bebloede, huilende vrouw de hele avond onder een poster over huiselijk geweld zitten te wachten. Ik kijk naar de plek waar de overige mensen hebben gezeten en probeer me hun beeld voor de geest te halen. Een echtpaar, vrouw gewond, onder zo’n poster.

Ik slinger de tas over mijn rug, sla mijn arm om de schouders van mijn vrouw en ga naar huis. Pasta.

In de auto draai ik ter gelegenheid van de bijzondere avond “Mark en Lucy” van Maarten van Roozendaal. We zingen allemaal mee.

Impressie bijeenkomst Emiel van Doorn

25 september 2012, Universiteit Twente, Vrijhof
Georganiseerd door stichting Ouders&OnderwijsTwente
Cursief staan uitspraken van Emiel van Doorn.

Zo’n zestig mensen kwamen deze avond naar Enschede om te komen luisteren naar de gedachten van Emiel van Doorn. De komst naar een lezing over passend onderwijs, over hoe je na kunt denken over je omgang met kinderen, op een dinsdagavond in september beschouwde hij als een cadeau aan de kinderen die van hen afhankelijk zijn. De bezoekers waren ouders, onderwijzers en mensen uit de zorg.

Emiel komt uit de hoek van de positieve (ontwikkelings)psychologie en hij ontving zijn opleiding van vooraanstaande internationale wetenschappers op dit gebied. Hij is oprichter van Stibco en beijvert daarmee het gebruik maken van de wetenschap van de positieve (ontwikkelings)psychologie in het onderwijs en de opvoeding.

“als je niet voor iemands kwaliteiten gaat moet je van zijn gebreken afblijven”

Er voltrok zich een boeiende lezing die zich moeilijk in een aantal punten laat vangen. Het zou Emiel tekort doen wanneer de lezing zich zou laten samenvatten tot een aantal hapklare brokken. Emiel hanteert geen methode. Het werken volgens methodes komt vanuit een andere hoek: de hoek van de pedagogiek en de didactiek. Emiel vindt zijn basis in de positieve (ontwikkelings)psychologie. Een tak van sport die in Nederland weinig voet aan de grond heeft, maar internationaal als standaard geldt.

Als voorbeeld noemt Emiel Finland: bekend van “het Finland-fenomeen “: goed onderwijs, hoog aangeschreven opleidingen, empowered leerkrachten. Nederlandse docenten kunnen wel gaan kijken in Finland, maar ze zullen er niets gaan leren. Het Finse systeem kent namelijk wezenlijk andere keuzes die inclusief onderwijs veronderstellen. En ondanks dat Passend Onderwijs een stap in de goede richting is blijft Nederland achter als het gaat om de basale keuze voor het kind.

“als regels belangrijker zijn dan mensen, moet je de mensen maar weggooien”

Emiel neemt in alles zichzelf mee. De basis van zijn carrière ligt in zijn eigen schoolcarriere en zijn levensloop. Emiel groeide op in internaten, bezocht het BLO, kreeg stempels (MBD, contactgestoordheid, woordblindheid, een iq van 83) en gedroeg zich naar zijn stempels.

Op indringende wijze wist hij duidelijk te maken hoe een kind altijd zoekt naar veiligheid en hoe opvoeders (ouders, begeleiders, leerkrachten, etc) zich nauwelijks bewust zijn van de macht die een kind heeft om zijn eigen veiligheid te borgen. Ook de vragen uit de zaal maakten dit duidelijk: er is geen basisregel bij opvoeding om kinderen aan tafel te krijgen bijvoorbeeld. Het gaat altijd om de relatie die je hebt met dat kind, op dat moment, in die situatie.

“ik kan niet overtuigen, maar zal wel overtuigend zijn.
Ik tracht de ander te overtuigen van mijn overtuiging, niet van mijn gelijk”

Emiel gebruikt veelvuldig de termen confronteren en reflecteren. Tijdens de lezing neemt hij regelmatig een stap terug om te reflecteren op wat er op dat moment gebeurt. Kinderen hebben recht op die reflectie volgens Emiel. Vragen als: wat gebeurt er, wat zegt dit gedrag over mij als begeleider, wat is de boodschap achter de boodschap.

“Passend onderwijs doe je met zijn drieën: leerling, leerkracht, ouders”

Hij is een fervent voorstander van Passend Onderwijs. Hij is blij dat hij nu toch nog een soort tweede mammoetwet mag meemaken, want er staat met de invoering van Passend Onderwijs wat te gebeuren. Zijn meest recente informatie is dat de positie van ouders er beter op wordt: ze krijgen iets te zeggen over het individuele ontwikkelingsperspectief en krijgen het recht op deskundig en onafhankelijk advies bij de beoordeling van hun kind. Ouders moeten samen met leerkrachten zorgen dat de leerling centraal staat. Dat creëert mogelijkheden, maar ook verantwoordelijkheden.

Prima, volgens Emiel, die graag ziet dat het onderwijs afstapt van het medisch model (klacht- en probleemgericht) en een beweging maakt in de richting van de positieve (ontwikkelings)psychologie (kindgericht). Het is volgens hem het enige mogelijke antwoord op de vragen die Passend Onderwijs stelt aan het onderwijs.

“negatieve aandacht bestaat niet. Er bestaan wèl kinderen die (nog) geen aandacht kunnen ontvangen”

Het werken met handelingsplannen, gericht op de belemmeringen zegt iets over hoe we kijken naar kinderen. Doordat we nu naar een ontwikkelingsperspectief gaan komt er meer ruimte om te kijken naar de kwaliteiten van het kind. En kijken naar kwaliteiten levert veel meer op dan kijken naar belemmeringen. Het zelfbeeld van een kind gaat staan naar wat de omgeving het kind vergunt: als we het kind belemmeringen opleggen, zal het zich daarnaar gaan gedragen.

Bijzonder in het persoonlijke verhaal van Emiel is zijn “tipping”-point: het moment waarop zijn levensloop zich keerde en hij toekomstperspectief zag. Het was een moment dat nauw verband hield met een leerkracht die geloof had in zijn kunnen en daarin niet klachtgericht optrad. Deze leerkracht maakte het verschil op dat moment. Het is meteen ook een boodschap aan de zaal: iedereen kan op ieder moment het verschil maken voor een ander.

“We zijn zo getraind om te kijken wat er fout gaat dat we vergeten te zien wat er goed gaat”

Als je de benadering van Emiel zou willen typeren dan doemt meteen de term “respect” op. Emiel is in zijn hele zijn respectvol. De intentie die hij heeft in de contacten die hij aangaat is een relatie te leggen. Die relatie slaagt alleen als er sprake is van wederkerigheid en als de intentionaliteit klopt (congruent is).

Het lukte Emiel om de aanwezigen goed aan het nadenken te zetten over hoe ze de dingen doen, met welke intentie en hoe ze het gedrag van hun kinderen begrijpen. Daarin was de opzet van deze avond geslaagd. Ouders&OnderwijsTwente slaagde er met de komst van Emiel van Doorn in om bezoekers inspiratie te bieden en de gedachten over onderwijs en opvoeding wat op te schudden.
Een groot aantal mensen kochten na afloop het boek van Emiel en namen de gelegenheid om ervaringen uit te wisselen.

Enschede, 25/9/2012

Shared Space in de zorg

In de zorg zijn we op zoek naar andere manieren van organiseren om de kosten beheersbaar te houden en de patiënten centraler te stellen. Bij de meeste reorganisaties gaat dit, in ieder geval in het geloof dat uitgedragen wordt, hand in hand. Al eerder schreef ik over de mythe van de centrale patiënt, dus dat ga ik hier niet herhalen.

Voor mij kent de behoefte tot reorganisatie van de zorg een andere drijfveer: ik vind dat de zorg patiënten teveel verantwoordelijkheid afneemt in het streven tot zelfmanagement. Patiënten staan dit toe (de dokter weet het beter) en zorginstellingen spinnen er goud garen bij. De onzekerheid van patiënten over hun ziekte en prognose geeft kennelijk een goede bodem voor de wijze waarop de zorg nu (over)georganiseerd is.

De patiënt wil gerustgesteld worden en de zorginstelling voorziet in die behoefte door dure apparaten, een veelvoud aan diverse disciplines, eigen jargon en duur opgetuigde managementstructuren. In zekere zin zou je ook de salarissen van de topbestuurders kunnen zien als geruststellend voor patiënten. Als het wat kost, zal het ook wel zinvol zijn.

Het principe van Shared Space kent deze uitgangspunten: de mens wil gerustgesteld worden en de mens die daar voor aangewezen is wil niets liever dan geruststellen. En precies daar ligt het bijzondere van Shared Space. De oplossing wordt namelijk niet dat mensen gerustgesteld worden, maar dat ze verantwoordelijk worden voor hun eigen geruststelling. En dat allemaal tegen aanzienlijk lagere kosten en een low profile uitvoering.

20120916-120008.jpgShared Space is een term uit de verkeerskunde: in Friesland ontstaan in dorpjes waar de verkeersveiligheid te wensen over liet. Er vielen doden. Normaal gesproken wordt dit opgelost met een rotonde, een zebrapad, of als het heel ernstig is een verkeerslicht. Iedereen kent een dorp met zo’n veiligheidsverhogende verkeersvoorziening.

Bij Shared Space doen ze dat niet. Bij Shared Space gaan ze uit van de onveiligheid, aanvaarden die onveiligheid en hebben vervolgens alle verkeersbepalende elementen verwijderd. Er staan dus geen verkeersborden, haaientanden, oversteekplaatsen, pijlen of strepen meer op de weg, laat staan klaarovers of verkeersbrigadiers. Alles is vrij en van iedereen. En dus houden mensen rekening met elkaar, speelt de gunfactor weer een rol en voelen mensen zich, wanneer ze op zo’n Shared Space aankomen vooral onveilig.

Dat is ook wat onderzoek uitwijst: mensen voelen zich onveilig. En dat was ook de bedoeling. Door de toegenomen onveiligheid gaan mensen namelijk beter uitkijken en maken ze minder ongelukken. De verkeersveiligheid (afgemeten aan het aantal ongelukken) neemt toe, terwijl de ervaren veiligheid afneemt.

Wat heeft dit nu allemaal te maken met de zorg?
In de zorg, schreef ik al, stellen de zorgverleners graag gerust. We stellen patiënten gerust en dat doen we door rotondes, verkeerslichten, verkeersbrigadiers en dergelijke aan te leggen en in te stellen. In de zorg heten de rotondes zorgpaden, verkeerslichten zijn plansystemen, en brigadiers zijn bijvoorbeeld alle managers zonder duidelijke relatie tot de kerndoelstelling van de organisatie. En van dat soort managers zijn er er enorm veel, als ik het boek van Jos Verveen goed lees.

Door die weg te laten raakt de zorgverlener de mogelijkheid tot geruststelling bieden kwijt en zal de patiënt minder gerustgesteld worden. Misschien zijn ze wel echt ziek en gaat het ook nog pijn doen. De zorgverlener kan met de patiënt kijken hoe ze kunnen zorgen voor hun veiligheid: beter uitkijken, gezonde dingen doen, je eigen ziekte en ziektespecifieke zaken goed kennen en weten hoe je daar mee om moet gaan. Eigen kracht en zelfmanagement dus.

Waarschijnlijk gaan patiënten zich zieker voelen. Ze gaan echter ook meer doen om hiermee zelf te dealen nu ze weten dat er geen zorginstelling is die hen gerust zal stellen. We gaan als samenleving op deze manier ook anders kijken naar zorg. Wanneer je geruststellende maatregelen wilt nemen kun je daar uiteraard voor kiezen. Of het nodig is is de vraag.

Ik zat ooit met een pasgeborene op het spreekuur bij de kinderarts. Er waren bij de zorgverleners in die eerste dagen wat zorgen en een consult werd geregeld. De kinderarts deed zijn controles en gaf aan dat er in ieder geval niets ernstigs aan de hand was. Hij wilde desalniettemin onze pasgeborene graag opnemen zodat hij na een week observatie zou weten wat er aan de hand was. Onze vraag wat hij met die wetenschap wilde gaan doen en of dat nu nodig was, deed hem glimlachen en achteroverhangen in zijn stoel. “Niets”, zei hij, “ik doe niets. Ik weet het alleen en jullie weten het dan ook. Ik doe niets, want het is niet iets waar je iets anders aan kan doen dan afwachten.”

Hij glimlachte nog eens en we mochten onze pasgeborene meenemen naar huis. Er werd niet klinisch geobserveerd. Later legde hij uit dat hij nog nooit een dergelijke vraag had gehad (“is het nodig?”) en dat hij door deze vraag zelf ook kritischer was geworden over zijn observatiebeleid. Hij vertelde ook dat patiënten er soms zelf om vroegen: ter geruststelling. En dat hij dan nog wel eens overstag ging. “Als ik dat niet doe, doet een ander dat wel”.

Revalidatiebuurtzorg

Buurtzorg[1] is een concept waarmee in korte tijd het werk van wijkverpleegkundigen revolutionair is veranderd. Zij zijn afgestapt van een model waarbij gecommandeerd en gecontroleerd wordt door een manager, waarmee vervolgens communicatieproblemen ontstonden. Buurtzorg werkt met de principes van vakmanschap, onderlinge verbinding en vertrouwen[2]. Buurtzorg wordt inmiddels door iedere politieke partij omarmd als voorbeeld voor hoe het zou moeten.

Buurtzorg heeft inmiddels een afdeling Geestelijke Gezondheidszorg[3] gekregen en het wachten is op de transitie van andere sectoren. Ik wil de revalidatie wel “aanbieden”. Revalidatie is een terrein waarbij hoge zorgkosten gepaard gaan met dure accomodaties en een zwaar managementapparaat. Bovendien wordt er organisatorisch niet gemakkelijk veranderd en wordt bij veranderingen vooral de eigen comfortzone gekozen. Dat is jammer, omdat met werkelijke veranderingen de revalidatiezorg voor grote groepen beschikbaar zou kunnen blijven, waar nu de keuze gemaakt dreigt te gaan worden voor de uitsluiting van bepaalde doelgroepen.

Wat zou er dan moeten veranderen? In eerste instantie zou het vakmanschap terug moeten naar de behandelaar. Tussen het vakmanschap van een behandelaar en de revalidant zitten nu vaak registratieformulieren, planningsafdelingen en ict die het uitvoeren van het werk als vakman niet gemakkelijker maken. Vakmensen zijn te veel bezig met het verantwoorden van hun werk naar managementlagen waarvan je je het bestaansrecht kunt afvragen.

Daarmee is niet gezegd dat vakmensen zich niet hoeven te verantwoorden. De vraag is alleen naar wie en met welk doel. Vakmensen zouden zich naar de revalidant dienen te verantwoorden en moderne oplossingen bieden daar ook al voorzieningen voor. Het doel zou moeten zijn dat een revalidant weet met wie hij van doen heeft en wat de kwaliteiten van de vakman zijn.

In tweede instantie zou de vakman weer meer verbinding met zijn vak moeten maken. Dat klinkt wat ingewikkeld maar is het niet. Verbinding met het vak betekent dat hij de verantwoordelijkheid kan dragen voor een traject, voor de afspraken, voor de afronding. Daarnaast moet de vakman verbinding maken met zijn vakgenoten en andere vakmensen om samen het optimale resultaat te behalen. Onderlinge kennisdeling is daarbij het sleutelbegrip.

In de huidige organisatievormen liggen wezenlijke verantwoordelijkheden net buiten de vakman: hij mag zich niet bezig houden met de planning, is gehouden aan een zorgpad met een beperkt aantal verrichtingen en het is de vakman niet toegestaan daar van af te wijken. Ik weet dat elke manager op dit moment zal zeggen dat hij graag zelfdenkend personeel heeft en dat er alle ruimte is voor eigen verantwoordelijkheid. De praktijk is echter anders.

Daarmee kom ik op het derde punt: vertrouwen. De samenleving, de zorgverzekeraar, de revalidant zal vertrouwen moeten leggen in het vakmanschap van de behandelaar. Daar waar controle-instrumenten eigenlijk altijd leiden tot een afnemend vertrouwen zal dat bij de afwezigheid van externe controle niet gelden. Moet er dan helemaal niets? Zeker wel. Bij alle drie items (vakmanschap, verbinden en vertrouwen) draait het om verantwoordelijkheid. Verantwoordelijkheid binnen de grenzen van het mogelijke voor revalidant, behandelaar en zorgverzekeraar.

De vraag is natuurlijk hoe je dit allemaal organiseert. Ik heb daar ideeën over. Ideeën die ik niet zomaar weg geef, maar deel met hen die daar werkelijk in geïnteresseerd zijn en ze op waarde weten te schatten. En het op waarde schatten is iets anders dan een geldelijke beloning.

De ideeën gaan over de organisatie van de zorg, de wijze van afspraakplanning, de indicering, de regierol, de bewaking van de budgetten, de bewaking van de kwaliteit van behandelaars en behandelingen, de financiering, de deskundigheidsbevordering van zelfstandig professionals, etc.

Mijn aanbod van de revalidatie aan buurtzorg komt namelijk voort uit frustratie. Frustratie over het feit dat mijn betrokkenheid op de revalidatiezorg niet leidt tot een verbetering van de situatie van revalidanten. Dat afnemende budgetten, teruglopende vergoedingen niet leiden tot nieuwe keuzes, maar tot het aannemen van meer managers die gaan nadenken over wat ze met deze situatie moeten gaan doen. Die uiteindelijk ook niet kiezen maar in hun eigen staart blijven bijten.

Mijn revalidatiecentrum hoeft niet dicht. Het zou een prima plek zijn voor grote groepen mensen om te gaan werken op de manier zoals ik dat voorsta. Anders georganiseerd, anders gegroepeerd, misschien bevolkt door vooral zelfstandige professionals, maar in ieder geval anders. Slechter zal het er in ieder geval niet op worden.

Het aardige is dat ik iets aanbied dat ik niet heb. Ik bied iets aan terwijl het niet van mij is. Mocht het hele verhaal doorgaan dan zal het ook niet van mij worden. Misschien wordt de revalidatiezorg dan weer van de revalidanten. Revalidanten en hun behandelaars.

[2] De oplettende lezer heeft gemerkt dat ik met de drie C-s en de drie V-s refereer aan een artikel over het Nieuwe Werken dat de transitie van C naar V ziet als belangrijke drijfveer voor het Nieuwe Werken. Zie het artikel van de managementsite daarover:
http://www.managementsite.nl/14313/innovatie/nieuwe-werken-toekomst.html

Bronervaring

Meester Toshiro Kanamori schrijft in zijn boek: “levenslessen” over het belang van bronervaringen voor kinderen. Hij stelt dat bronervaringen karaktervormend zijn en als uitgangspunt voor een individueel leven gelden.

Bronervaringen zijn die ervaringen die diepe indruk maken. Kanamori gebruikt veelvuldig het thema “dood” om zijn ideeën kracht bij te zetten en het leven te leren. Hij laat zijn kinderen kennismaken met stervenden in zijn klas en biedt ze zo de kans op bronervaringen. Maar hij gaat ook naar buiten, naar het bos en de rivier om kinderen deelgenoot te maken aan het leven.

Het opdoen van ervaringen kan dus, in de ogen van Kanamori, een levensveranderend effect hebben. De ontmoeting met Kanamori had ook dat effect. Op de sociale media, die ik dezer dagen afspeur naar Kanamori merk ik dat mensen zich soms afvragen wat deze man nu zo bijzonder maakt.

Het onderwijs dat Kanamori voorstaat is niet bijzonder. Het kent geen grote vernieuwingen, er zitten geen verrassende wendingen in, het lijkt eerder een vanzelfsprekende manier van met kinderen om te gaan. Wat is dan wèl bijzonder?

Kanamori ís zijn methode (heel kort samengevat als: be happy, live life). Het zijn van Kanamori ademt in alles wat hij preekt. Hij is overtuigender dan de film, sprekender dan zijn boek.

Met zijn komst naar Nederland biedt hij mensen die hem gaan zien de kans op een eigen bronervaring. Uit de reacties die ik gekregen heb op zijn komst naar Hengelo lijkt het ook zo te werken. Ik heb in ieder geval zelf ook het idee dat ik iets bijzonders heb meegemaakt waarvan ik de essentie moet zien vast te houden om het te kunnen verspreiden.

Hoe moet dat dan met al die mensen uit onderwijs en zorg die deze weken niet Kanamori gaan ontmoeten? Zijn zij verstoken van deze inspiratie?
Ja en nee. Zij missen met de ontmoeting met Kanamori een bijzondere ervaring. Zonder twijfel. Maar er zijn genoeg kanamori’s over in Nederland: mensen die door hun doorwrochte manier van leven en vertellen over dat leven tot inspiratie kunnen dienen. Waarbij de ontmoeting met dat soort mensen ook kan leiden tot een bronervaring.
Maar ook door om je heen te kijken en dingen op te merken kun je die ervaringen vinden.

Het is een taak om in je leven te zoeken naar de aaneenrijging van bronervaringen. Dat kan je zelf ter hand nemen en daarvoor hebben we inderdaad niet een meester uit Japan nodig.

Die meester uit Japan heeft daartoe wel een aardige zwengel aan het rad gegeven. Speciaal daarvoor: “Zenk Joe“!

20120909-095905.jpg

20120909-095927.jpg

No show, please!

20120729-165819.jpgDeze week zag ik Pia Dijkstra van het journaal op haar eigen journaal ernstig kijken, het hoofd een beetje schuin terwijl ze zei: “we moeten daar iets aan doen”. Nu Pia politica is, is dat een opmerking die niet meer over haarzelf of de haren gaan. Het gaat over u en mij. En wij gaan niet naar een afspraak als de dokter ons heeft uitgenodigd en dat kost de maatschappij honderdvijftig euro per afspraak.

Dat was haar nieuws: mensen die niet naar een dokter gaan als er een afspraak voor hen genoteerd staat kosten honderdvijftig euro. Er is iets met zo’n getal. Op de eerste plaats natuurlijk dat het zo’n mooi rond getal is. Dat is wel het eerste dat de wenkbrauwen doet fronsen. Waarom is het bijvoorbeeld niet honderd-zes-en-dertig euro zeventig?

Waarschijnlijk was onze Pia al lang blij dat de rekensom uitkwam op honderdvijftig. Dat bekt beduidend beter. Maar. Heeft Pia wel alles meegerekend. En hoe komt ze eigenlijk aan de honderdvijftig. Waar bestaat dat bedrag uit? Het kunnen de kosten van een werkloze dokter niet zijn. Dat is van dusdanig individueel belang dat het nooit voor Pia tot het maatschappelijk belang zou kunnen gelden. Waar de kosten dan wel gemaakt worden blijft onbekend in het bericht.

Ook onbekend is of Pia wel rekening heeft gehouden met de besparingen die het niet gaan naar een doktersafspraak oplevert: de stoep slijt niet, oom agent heeft iets minder orde te houden, het milieu vaart er wel bij nu u besloten heeft om thuis te blijven. Want het gaat natuurlijk ook niet over mij: ik ga altijd naar mijn afspraken. Net als Pia. Dus Pia had het over u. U kost de maatschappij, lees Pia en mij, honderdvijftig euro.

Of zou Pia het dan toch over de dokter zelf hebben, met zijn afsprakenbureau. En dat die gewoon iets beter hun best moeten doen, omdat ze anders voor niets zitten te werken. Dat ze moeten zorgen dat de afspraken een beetje aansluiten op de andere afspraken van patiënten, dat patiënten liever nog zelf hun afspraaktijd kunnen kiezen. Dat ook van tevoren heel helder is wat de bedoeling van een afspraak is. Gewoon om te voorkomen dat je als patiënt bij een dokter zit en je ongemakkelijk voelt bij zijn geblader in jouw status op zoek naar de reden van weer een afspraak. Dat je niet na één klein incident ineens in de rij voor nieuwe afspraken gezet wordt omdat dat nu eenmaal in het zorgpad staat!

En als u dan toch de afspraak zelf kunt maken en zelf uw tijd kunt plannen kunnen de mensen van het afsprakenbureau misschien bezig met echt belangrijke zaken: het inhoudelijk en praktisch voorbereiden van afspraken.

Pia brengt geen uitsluitsel. Ze houdt haar hoofd schuin en knikt veelbetekend.

Echt werk

Op Twitter ontstond een mooi gesprek over een locatie in Enschede. Een locatie waar nog iets moest komen. Eén van de participanten in die discussie opperde een lunchroom waar mensen met een arbeidshandicap kunnen werken. Een mooi idee. En meteen heb ik daarbij altijd een lichtlfits van de slavernij in mijn hoofd.

Wat plekken waar deze mensen werken te maken hebben met slavernij moet ik uitleggen:

“De gast komt binnen in het emplacement dat is geschonken voor een euro door de woningbouwvereniging. Hij neemt plaats op het meubilair dat is gesponsord door het lokale bedrijfsleven. De aankleding van de ruimte is verzorgd door de dames van de Rotary van de plaatselijke afdeling. Geheel vrijwillig en zelfs zonder onkostenvergoeding. De bestelling wordt door de gast op een briefje gezet. Is het briefje klaar dan wordt dit opgehaald door een medewerker. Deze medewerker betaalt voor het feit dat hij hier rondloopt. En toch haalt hij een briefje op. Hij betaalt door middel van een dagbestedingbudget of iets van dien aard. De medewerker geeft het briefje aan de balie af aan een collega. Ook hij betaalt contributie voor zijn verblijf hier. Het genoteerde kopje koffie komt uit het apparaat dat is geschonken door de horecavereniging. Tussendoor loopt een mevrouw goedkeurend te knikken. Zij wordt betaald voor dit knikken. Zij is de begeleider.”

De slavernij zit in het feit dat de medewerkers niet betaald worden, maar dat er aan alle kanten aan deze medewerkers verdiend wordt zonder dat ze hier zelf ooit echt beter van worden. Hard werken wordt niet beloond. Het feit dat ze dagelijks hier naar toe komen, werk verrichten en niet betaald krijgen is voor mij reden genoeg om aan te nemen dat ze eigenlijk slavenarbeid verrichten.

Er zit veel goeds aan deze instellingen: mensen krijgen de mogelijkheid om in het echte leven, in het publieke domein werk te verrichten waarmee zij zich kunnen ontwikkelen. De financiële prikkel om te ontwikkelen is er echter niet. Niet voor de medewerker, niet voor de instelling en niet voor de goedbedoelende clubs die dit soort horeca ondersteunen.

Kan het dan anders? Jazeker. Dat was de bedoeling van de locatie in Enschede. Een plek waar mensen met een arbeidshandicap kunnen werken zonder dat het slavernij is. Gewoon echt werk dus. Echt werk waarvoor je betaald wordt omdat je iets verricht hebt: koffie wegbrengen, gasten begeleiden naar hun tafel, broodjes gemaakt, dienstbaar zijn. Een ouderwetse arbeidsovereenkomst dus: je doet iets en je krijgt er een afgesproken bedrag voor.

Al die zaken zijn werk en in mijn ogen hoor je voor werk te betalen. Als er vraag naar is. En daar zit de kneep. Niemand vraagt om mensen met een arbeidshandicap in de horeca te laten werken. Mensen met een arbeidshandicap werken in de horeca bij de gratie van het bestaan van allerlei goedbedoelde regelingen. Het wrange hiervan is dat dat werken van deze mensen in de horeca op zal houden als de regelingen ophouden. Niemand is namelijk echt verantwoordelijk, maar afhankelijk van externe factoren.

In de lunchroom wordt gebruik gemaakt van de Unieke Verkoop Factoren van mensen met een arbeidshandicap. Wat zijn dat dan bijvoorbeeld. Deze mensen zijn, enkele uitzonderingen daargelaten, langzaam. Ze hebben moeite met een hoog werktempo, zijn soms te pietluttig vergeleken bij normale horeca. Het unieke hieraan is dat je met deze medewerkers op een prima manier kunt onthaasten. Sterker nog: met haast moet je niet bij deze mensen aanschuiven.

De lunchroom biedt vanaf de entree een groot bad aan onthaasting. We zorgen voor een inrichting, een entourage en de inzet van medewerkers zodat onthaasting niet eens meer een keuze is binnen dit restaurant. Het is een vanzelfsprekendheid. Er draait muziek die uitnodigt om even te zuchten, nog eens lekker te gaan verzitten en te genieten.

Aan onthaasting is genoeg behoefte. Denk ik. En onthaasten kunnen deze mensen met een arbeidshandicap als geen ander. Ze kunnen zelfs niet anders. Daarbij zijn ze op dat moment niet eens lui of sloom te noemen: het is gewoon hun eigen passende tempo.
En dan is het ineens Echt Werk. Werk waar behoefte aan is, waar vraag naar is.

De giften van overheden, Rotary’s en andere goedbedoelenden zullen we genereus aanvaarden. We zullen daarvan met het team avonden organiseren met thema’s die aansluiten bij de lunchroom: onthaasten. Om zo het belang van onthaasten verder te verspreiden.