Tagarchief: onderwijs

Kanamori raakt!

20120905-232025.jpg

Maandag 3 september 2012 was Kanamori op bezoek in Hengelo. Kanamori is de Japanse onderwijsfilosoof met de simpele en eenvoudige boodschap waar al veel over geschreven is en waar mensen niet over uitgepraat raken.

Naast de inhoudelijke opbrengsten en de inspiratie die het voor de ongeveer vierhonderd bezoekers heeft betekent was het ook voor mijzelf een bijzondere happening. Met www.oudersenonderwijstwente.nl hadden we bedacht dat onze kinderen een prominente rol zouden spelen in de organisatie. Ze hadden rollen in de entree, de bewegwijzering in het Hengelose stadhuis en de ondersteuning bij de koffie en de broodjes.

Het werd een succes, mede dankzij de kinderen. Kinderen die we een podium gunden omdat we graag wilden dat ze live kennis konden maken met Kanamori. Wanneer je dan, als organisator, zo dicht bij zo’n bijzondere man kunt zijn wil je dat graag delen met dat wat je het liefste is: je kinderen. Daar was zijn komst uiteindelijk immers om begonnen.

Dat wat me het meeste heeft geraakt in Kanamori was de hartelijkheid waarmee hij zich opstelde naar zijn publiek. Hij nam de tijd, had in het Japans voor iedereen een vriendelijk woord èn ontmoette de kinderen.

Terwijl het optreden goed verliep en ik mijn aandacht even moest verdelen werd ik verrast doordat mijn zoon, die de zaalmicrofoon regisseerde, ineens bij Kanamori op het podium stond en zich, met de dynamiek van Kanamori, iets liet uitleggen. Het was een ontroerend moment. Voor mij als trotse vader, maar zeker ook voor de zaal. Het gesprek met mijn zoon ging over de simpele functie van “dank-je-wel” zeggen als een kind iets voor je betekent. Ze sloten samen het gesprek af met een duidelijk “Zenk-Joe”, waarvan mijn zoon dacht dat het Japans was voor “dank-je-wel”.

Hij was daarmee heel dicht bij Kanamori geweest. Reden voor mijn dochter om zich ook voor te stellen en trots met hem op de foto te gaan. Zo hebben de kinderen hem van zeer nabij kunnen meemaken en ervaren.
20120905-232658.jpg
Mijn zoon vatte zijn ontmoeting, op het podium, op de meest treffende manier samen: “Pap, het voelde heel prettig toen hij zijn handen op mijn schouders legde”. Kennelijk was er geen taal nodig.

Zoals de zaal geraakt werd door Kanamori’s beeldende en overtuigende presentatie, werd ik geraakt door de bijzondere momenten die we de kinderen hebben kunnen bieden. Ze grepen de kans iets te doen waar ze goed in zijn en vonden daar bevestiging in. Een onvergetelijke ervaring.

Aangeleerde hulpeloosheid

De afgelopen weken ben ik druk bezig met principes van aangeleerde hulpeloosheid. Dit begrip wordt goed duidelijk uit onderstaand filmpje:

Aangeleerde hulpeloosheid is al dat gedrag dat plaatsvindt als mensen niet meer zelf nadenken en verzuimen oplossingen te gaan verzinnen voor de dingen waar ze tegen aan lopen. Dit gedrag is te herkennen in alle situaties: in organisaties, waar iedereen de trap neemt wanneer er een briefje met “DEFECT” op de lift geplakt zit (en dat is echt waar! Zelf geprobeerd). In organisaties in vergaderingen, waarbij niemand zich meer afvraagt waarom ze daar zitten, maar gewoon komen omdat er een vergadering is gepland. In het onderwijs, waar iedereen inmiddels leert wat CITO kan meten, terwijl CITO meent dat ze meten wat er op school wordt geleerd. In uitkeringssituaties waarbij mensen wachten totdat de uitkerende instantie aangeeft dat er iets moet gebeuren. Op wachtlijsten waar gewacht wordt totdat mensen aan de beurt zijn. Bij verkeerslichten waarbij mensen wachten op groen licht, ondanks dat het vier uur ’s nachts, uitgestorven en stil is op straat.

Aangeleerde hulpeloosheid is het gevolg van een doorgeschoten controlebehoefte. In alle bovengenoemde situaties is er een controle-apparaat dat verzint dat het nodig is om mensen te wijzen op hun verantwoordelijkheid. Waardoor de mensen niet meer zelf verantwoordelijkheid nemen, maar andermans verantwoordelijkheid uitvoeren. Het is de dood in de pot voor innovatie, voor vernieuwing, voor vooruitgang. Eigenlijk precies zoals de mensen in het filmpje.

Er is nog een voorbeeld, hoewel schrijnender, van een vorm van aangeleerde hulpeloosheid. In onderstaand filmpje is te zien hoe de verkeerde interpretatie van een kind kan leiden tot ernstig misverstaan van dit kind. Aangeleerd hulpeloos? Ja, de juf, de ouders, de omstanders. Omdat ze alleen binnen de kaders kunnen denken en niet meer de mogelijkheid nemen om verder te kijken.

Het enige motto is om zelf na te blijven denken en eigen keuzes te blijven maken. Anders dreigen we net zo te eindigen als de proefpersonen in het Milgram-experiment.

 

Zelfbeoordeling

“Wat vind je er zelf van?” Het is bijna een parodie op mijn stamberoep: maatschappelijk werker. Toch ga ik de laatste jaren meer en meer geloven in juist deze vraag. Het antwoord op deze vraag geeft namelijk voeding aan de eigen kracht van mensen. Het voedt zelfstandig handelen en verantwoordelijkheid. Mensen die het gevoel hebben dat ze de zaken zelf een beetje in de hand hebben voelen zich doorgaans gelukkiger.

Eén van mijn eerste schrijfsels ging over zelfvertrouwen. Ik schreef daar onder andere dat het belangrijk is je zelf te beoordelen op de acties die je onderneemt. Maar hoe doe je dat nu precies? En waarom is het nodig?

Laat ik met die tweede vraag beginnen. Zelfbeoordeling is nodig omdat je daarmee zelfvertrouwen kweekt. Wanneer je op een goede manier naar jezelf kunt kijken, jezelf kunt beoordelen en daarin minder afhankelijk wordt van de wijze waarop anderen naar je kijken wordt je zekerder van jezelf. Je staat gemakkelijker voor de dingen die je vindt, omdat je er net even langer bij stil hebt gestaan.

Zelfbeoordeling als strategie in leren wordt onderschat. Juist zelfbeoordeling (zelf je werk nakijken en beoordelen) heeft een sterk lerend karakter: je kijkt namelijk met enige afstand naar je werk. Je ziet ook snel de consequenties als je beoordeling te rooskleurig of te negatief is ingevuld. Ook dat kan je in de zelfbeoordeling meenemen. Fouten maken binnen de techniek van zelfbeoordeling is dus niet erg. Het is misschien zelfs wel nodig.

Wanneer je steeds beter je zelf kunt beoordelen en jezelf op waarde weet te schatten kom je dichter bij je Eigen Kracht. Eigen Kracht is een term die de laatste tijd meer gebruikt wordt om aan te geven dat de oplossingen misschien wel bij de mensen zelf te vinden zijn. Het is een stap voorwaarts in de strijd tegen paternalistische hulpverleners die weten wat goed is voor de mens.

Hoe doe je dat dan?

De gemakkelijkste methode is jezelf de ruimte geven om een vraag te stellen. Als je een activiteit of een deelactiviteit hebt afgerond stel je jezelf de vraag: “hoe beoordeel ik mijzelf in deze activiteit?”, “ben ik tevreden met de wijze waarop ik het aangepakt heb?”. Het antwoord op deze vraag (of vragen van gelijke strekking) leidt tot inzicht in je eigen gedrag tijdens de activiteit.

Voor sommige mensen kun je dit visueel maken door cijfers te geven. Cijfers zoals je die op school gaf. Alleen dan niet voor het resultaat, maar voor de wijze waarop je er mee bezig geweest bent.

Zelfbeoordeling werkt ook voor een wat langere termijn. Wanneer je kampt met stemmingsproblemen of anderszins het gevoel hebt dat het altijd hetzelfde is, is het goed om ook daarin met zelfbeoordeling aan de slag te gaan. Het principe is steeds simpel: beoordeel jezelf, zonder tussenkomst van anderen.

Soms maak ik daarbij gebruik van de GDO-thermometer (een Gegeven De Omstandigheden-thermometer). De GDO-thermometer zorgt voor een goede binding met de actuele situatie (het hier en nu) en legt de beoordeling daarnaast: “gegeven de omstandigheden vind ik dat ik dit [je oordeel] heb aangepakt”. Vorm: een getekende thermometer met een schaalverdeling (0-10 bijvoorbeeld).

Nog hipper wordt het met het gebruik van apps. Een app die goed voldoet voor ze lfbeoordeling over een wat langere periode (en die naar believen kan worden uitgebreid met teksten en foto’s) is MoodyMe. In deze app kun je op gezette tijden je stemming aangeven. Dit kan je naar keuze aanpassen en is dus ook zeer geschikt om zicht te krijgen op lange termijn-stemmingen.

“Wat vind je er zelf van?”, was een vraag van een collega die ik bovenstaande liet lezen. Dat wist ik al: ik had het mezelf namelijk al gevraagd toen ik het geschreven had. Ik ben er tevreden mee. Ik heb eindelijk op een rij staan wat ik doe met zelfbeoordeling en kan dit mensen meegeven. Daar was het om te doen. Uiteraard sta ik open voor aanvullingen. Graag zelfs.
Maar voor dit moment ben ik dus tevreden!

Olifantenpaadjes? Omdat het kan!

Iedereen kent olifantenpaadjes. Iedereen heeft wel eens olifantenpaadjes gebruikt. Het zijn die, vaak in openbaar gras uitgesleten, paadjes waardoor een bocht gemakkelijker te maken is, de weg wordt afgesneden en de weg zich gemakkelijker vervolgt. Ik gebruik deze term regelmatig in organisatiesituaties en het is tijd om dat eens uit te leggen. Het lijkt er namelijk op dat alleen het verwijzen naar de term niet voldoende is om mijn punt duidelijk te maken. Daarvoor is enige uitleg nodig.

Olifantenpaadjes in organisaties zijn die procedures die ontstaan zonder dat managers, stafafdelingen en dergelijke zich er mee bemoeien. Het zijn de werkwijzen zoals ze op de werkvloer ontstaan. Zo weet je dat koffie aanvragen voor een vergadering een vastgestelde procedure kent via een afdeling met een assistentenstructuur en veel formulieren. Je weet echter ook dat wanneer iedere aanwezige op weg naar de vergadering zelf zijn koffie meeneemt je veel minder tijd kwijt bent. Daar waar de koffie-aanvraag-procedure ooit zal zijn bedoeld om het werken gemakkelijker te maken, blijkt dit in de praktijk helemaal niet zo te zijn.  

Om grip te houden op kosten en inzet kan het nodig zijn te weten wat iedereen doet en wat dat zo ongeveer kost. Een fout die veel leidinggevenden maken is dat ze vervolgens, net als bij de koffie, zelf procedures gaan zitten bedenken om dit te monitoren. De procedures worden verkocht onder het mom van kwaliteitsverhogend, efficiencyverhogend, terwijl het vooral ten behoeve van de leidinggevende gebeurt. Het verbetert hooguit de kwaliteit en de efficiency van de leidinggevende. Er zijn, dacht ik, maar weinig organisaties die het in stand houden van de leidinggevende in hun kerndoelstellingen hebben staan.

Het vervelende is dat wanneer je te maken krijgt met een leidinggevende die op deze manier kijkt je plotseling gaat merken dat je eigengemaakte (overigens altijd in overeenstemming met vele anderen) olifantenpaadjes onbegaanbaar worden gemaakt. Er staat ineens een hek, er ligt een sloot of er staan pijlen op de weg die wijzen waar je naar toe moet. Je kwaliteit van werken vermindert, je efficiency daalt en daar waar je leidinggevende steeds weer oreerde over de toename van kwaliteit en efficiency, lijk jij dat juist door zijn acties niet meer te kunnen waarmaken.

In organisaties is de oplossing net zo simpel als in het echte leven met olifantenpaadjes. Je moet, als de paadjes er toch al liggen, de paadjes gewoon betegelen (zoals hiernaast op een foto van de site van olifantenpaadjesgoeroe Jan-Dirk van der Burg). Zoals hier in Leeuwarden gedaan is moet je zelfs de eigenaardige organische vorm overnemen. Dat betekent dus dat leidinggevenden zouden moeten luisteren naar medewerkers en hun ‘kortste’ route zouden moeten kennen. Want één ding is duidelijk uit al het onderzoek naar olifantenpaadjes: de route wordt altijd gemakkelijker en korter.

Dat zijn wat ingewikkelde gesprekken. Want medewerkers weten best dat je eigenlijk geen olifantenpaadjes mag gebruiken (want je moet binnen de lijntjes blijven) en het bekennen van je eigen ongehoorzaamheid is niet iets dat medewerker-eigen is. Het is dan ook aan de leidinggevende om dit goed in te bedden in de bejegening van medewerkers. Want hoe meer je olifantenpaadjes volgt, hoe gemakkelijker en sneller het werk zal verlopen.

Een leidinggevende kan dit doen door veelgebruikte olifantenpaadjes te formaliseren. Tot regel te maken dus. Het is zoeken naar “quick-wins” waarmee een leidinggevende meteen aangeeft iets positiefs te zien in de routes van medewerkers. Daarmee staat de deur open naar alle andere olifantenpaadjes.

Nog niet zolang geleden zat ik in een gezelschap van dertig mensen waarbij twee vragen gesteld werden. De eerste ging over de bekendheid met een onlangs vastgestelde procedure. Iedereen stak zijn vinger op want kende deze procedure (en wist zelfs nog dat deze was ontstaan omdat de medewerker die betrokken was bij deze procedure daarvoor de hele dag telefoon zat te beantwoorden en dat dat niet handig leek).
De tweede vraag was wie er nog tenminste één keer per week met deze medewerker belde.  Hoewel je zou verwachten dat met alle kennis aanwezig een enkeling misschien nog wekelijks contact had, bleek iedereen toch nog wekelijks contact te hebben.

Het vervolg op deze feitenkennis had kunnen zijn dat het directe bellen geformaliseerd en wellicht vergemakkelijkt zou worden (een betegeld olifantenpaadjes wordt nooit modderig. In organisaties kun je namelijk ook zoeken naar manieren om de informele routes te “betegelen”).  Helaas koos de leidinggevende in het onderhavige geval voor een heg, een sloot of prikkeldraad. Daarmee ging hij voorbij aan de kracht van olifantenpaadjes. We zijn namelijk inmiddels een aantal weken verder en nog steeds blijkt iedere medewerker zijn directe route te gebruiken. Op de vraag waarom, antwoord iedere medewerker steevast: “omdat het kan”

Dat is het motto achter het waarom van olifantenpaadjes:

Olifantenpaadjes? Omdat het kan! 

 

 

Jongens, atletiek en school

De laatste tijd gaat het in de media regelmatig over onderwijs aan jongens en hoeveel moeilijker dat voor hen vooral in de laagste klassen van het voortgezet onderwijs is. In de brugklassen van mijn dochter hoorde ik daarvan de voorbeelden. Er zat kennelijk een verschil in een aantal executieve functies en over het algemeen leken de gevraagde functies beter bij meisjes te passen dan bij jongens.

Ik wilde daar meer van weten. Ik ben niet voor het uiteen drijven van jongens en meisjes, maar zag ook de verschillen. Zou er reden zijn om aan te nemen dat je hier anders mee om moet gaan? Internet, fora, boeken boden niet direct uitkomst. Er stonden weliswaar meningen, maar die had ik zelf ook al. Er werden onderzoeken genoemd die voor de scheiding der seksen pleitten en onderzoeken die dat juist niet deden. En als de waarheid in het midden zou liggen wat zou dat dan betekenen.Clubkampioen 2010

Ik kwam er niet uit. Mijn zoon bood gelukkig uitkomst. Met zijn tien jaar maakte hij een even simpele als doeltreffende vergelijking met zijn sport: atletiek:

– Natuurlijk moet je jongens anders behandelen. Dat doen ze bij atletiek ook.

– ?

– Jongens moeten verder springen, harder lopen en verder gooien. Omdat ze sterker zijn.

– Dus?

– Als meisjes slimmer zijn moeten zij meer weten, meer leren en meer kunnen.

Zoonlief (10 jaar) toonde daarmee in één klap het gelijk van de scheidingsbeweging aan. Was er echter niet nog meer aan de hand?

Mijns inziens wel. Ook hier bood de atletiek mij uitkomst. Mijn zoon traint namelijk al zijn trainingen, alle onderdelen, de hele training samen met meisjes. Daarin is geen enkel onderscheid. Ze krijgen hetzelfde onderricht. Dat maakt atletiek nu juist zo’n leuke sport. Pas op het moment dat er beoordeeld wordt worden er seksespecifieke eisen gesteld. Leren is trainen. Volgens mij. Toetsen is de wedstrijd bij atletiek. Als het leren met overgave is gedaan zou de toets niet meer iets hoeven toe te voegen.

Ervan uitgaande dat, in tegenstelling tot atletiek, uiteindelijk de cognitieve verschillen zullen worden overbrugd zou je in de jaren daaraan voorafgaand leerwegondersteunend moeten toetsen. En als het toetsen daarbij seksespecifiek moet worden ingezet dan is dat zo. Als uiteindelijk de opbrengst maar hetzelfde is. Dus: samen naar school, hetzelfde onderricht, seksespecifieke, leerwegondersteunende toetsing, indien nodig. We toetsen immers alleen als we het niet weten.

Ook mijn zoon stemt hiermee in. Of ik dat maar even wil regelen. Over twee jaar is het voor hem zover…

 

Autisme en communicatie

(Ook te lezen als gastblog op de site van Auticomm)

Onlangs was ik de dagvoorzitter van een congres over Autisme[1]. In de voorbereiding van die dag heb ik mij verdiept in Autisme, de verschillende zienswijzen, de verschillende aanpakken en ik heb er mijn mening over gevormd. Ik merkte dat er veel te weten is over Autisme. Ondanks dat ik tijdig begonnen was met de voorbereiding en daar ruimschoots de tijd voor had genomen schatte ik in dat mijn kennisnivo het niet zou halen bij de sprekers en vele van de bezoekers van die dag.

Vandaar dat ik mijn voorbereiding verlegde naar meer praktische zaken: wat heb ik met Autisme, kom ik mensen met Autisme tegen, wat kan ik met de manier van communiceren waar het bij Autisme over gaat.

Natuurlijk verdiepte ik mij ook in theorieën rond centrale coherentie, executieve functies en theory of mind. Daarmee had ik echter geen compleet beeld. Ik las daarnaast een boek van Peter Vermeulen: ik ben speciaal. Dit geldt als een standaardwerk over Autisme. Ik kan dat alleen maar beamen.

Mijn verdieping ging echter naar mijn persoon: wat snap ik van de communicatiewijze. Begrijp ik waarom dit zo belangrijk is? In de literatuur gaat het vooral over concrete communicatie. Een term die ik zelf, als maatschappelijk werker, regelmatig bezig. Als communicatie tussen mensen niet goed verloopt is het concretiseren van die communicatie altijd een makkelijke, tastbare eerste stap is mijn vaste overtuiging na 17 jaar mensenwerk.

Een definitie van concrete communicatie kreeg ik op het congres van Kobe Vanroy, één van de collegae van eerdergenoemde Peter Vermeulen die een heldere inleiding hield op het congres. Hij gaf als definitie: Ondubbelzinnig de context verhelderen door expliciet, positief en visueel duidelijk te maken wat we bedoelen en verwachten.

Communicatie met mensen met Autisme moet dus ondubbelzinnig zijn: je moet zeggen wat je bedoelt. Daarnaast moet het duidelijk zijn wat je bedoelt en moet je het zichtbare benoemen. Dus niet wat niet de bedoeling is, maar juist wat wel de bedoeling is. Tenslotte is het handig en praktisch dat je over dezelfde beelden beschikt als degeen met autisme. Dat dus de hond waar jij het over hebt dezelfde is als de hond van degeen waarmee je praat.

Dit lijkt allemaal duidelijk en fantastisch: ik houd mij in gevolg aan deze regels en de communicatie verloopt beter. Er bekroop me echter ook een vreemd gevoel. Ik zou namelijk graag met iedereen praten als was het iemand met een autistisch brein. Ik heb namelijk niet het idee dat er zoveel mis is met concreet communiceren, duidelijk zijn en zeggen wat je bedoelt.
Waarom zou dit voorbehouden moeten zijn aan mensen met een autistisch brein. En zouden de zg. neurotypicals niet erg gelukkig zijn als ze niet empathisch op zoek hoeven naar de diepere bedoeling achter wat er gezegd wordt? Laat staan de vraag of empathie überhaupt wel bestaat. Is er misschien één neurotypical te vinden die in staat is mijn gedachten te voelen? Of zou het gokken blijven?

Ik vind dus dat mensen met autisme zichzelf te kort doen als ze vragen om een aanpassing in de communicatie. De aanpassing die gevraagd wordt is namelijk voor iedereen een verbetering. Het wordt er namelijk makkelijker van voor iedereen. En, als maatschappelijk werker met enige ervaring in mensenwerk, kan ik zeggen dat daar waar het tussen neurotypicals misgaat (een begin van) de oplossing altijd ligt in autismevriendelijk communiceren. Dat het zo heet weet ik sinds kort. Dat het zo is wist ik al langer.



[1] Ik spreek over Autisme, mensen met Autisme, het Autistisch brein. Dit is gemakshalve. Ik weet dat ik ook pervasieve ontwikkelingsstoornis, autistisch spectrum stoornis of iets anders zou kunnen schrijven. Voor het leesgemak gebruik ik de gangbare term: Autisme, die overigens binnenkort, bij democratisch handopsteken, ook in de nieuwe DSM-versie zal terecht komen.

Oplossingswerk: uitgangspunten

Wanneer u mij inhuurt voor veranderingen, nieuwe ideeën, innovaties of denktankwerk is het goed te weten dat ik een paar uitgangspunten heb bij dit soort werk. Die zal ik hier uiteen zetten:

1. Simplexiteit: er is niets mooier dan een oplossing verzinnen die in de inhoud enorm complex is, maar aan de buitenkant voor iedereen begrijpelijk is. Ook het uitleggen van oplossingen kan op deze manier. Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan.

2. Als je doet wat je altijd doet, krijg je wat je altijd kreeg. Of: als iets nù niet werkt zal het straks ook niet werken. Je lost een probleem niet op met dezelfde methoden als diegene die het probleem veroorzaakt hebben. De huidige situatie geeft lessen voor morgen. Er komt altijd een moment dat het morgen anders moet gaan dan vandaag. Daar moet je dus vandaag mee bezig zijn.

3. Ieder probleem heeft de oplossing in zich. Als een probleem geen oplossing in zich draagt dan is het geen probleem, maar een feit. Feiten moet je aanvaarden. Door de oplossing te zoeken in het probleem openen zich nieuwe wegen tot nieuwe oplossingen.

4. Omdenken: ik bekijk de dingen graag van een ongebruikelijke kant. In ieder geval van een kant die in aanvang de wereld op zijn kop lijkt te zetten. Net als bij punt drie levert dat nieuwe ruimte op om tot oplossingen te komen.

5. Ik zoek graag naar de olifantenpaadjes die er al liggen of die logisch lijken. Olifantenpaadjes zijn de kortste en de effectiefste wegen van A naar B. Ze hebben vaak iets in zich van verzet tegen gevestigde orde. Omdat olifantenpaadjes korter en effectiever zijn zijn ze vaak een belangrijke graadmeter voor de mogelijke oplossing.

De oplettende lezer leest veel Einstein-achtige uitgangspunten. Dat is niet voor niets. Einstein is één van de belangrijke denkers van de moderne tijd en heeft belangrijke dingen gezegd. Het misschien wel belangrijkste: imagination is more important than knowledge…

Aan de hand van bovenstaande uitgangspunten help ik u het probleem op te lossen, alsof het er nooit geweest is.

Email-marketing en een fijne toepassing

Ten behoeve van een project voor Ouders & Onderwijs Twente bedacht ik het samenvoegen van (technische) principes van email-marketing aan ideële doelstellingen. Wellicht is dat al gebruik. Ik was het nog niet eerder tegengekomen.

Kern van het idee:
Principes van email-marketing (managen van grote groepen emailadressen, indelen op basis van antwoorden/kenmerken, opvolgmails, automails, etc) koppelen aan de behoefte om met grote groepen eindgebruikers van gedachten te kunnen wisselen.

In het geval van Ouders & Onderwijs Twente is daarnaast nog gekozen voor de koppeling aan een forum, waarbij ouders met elkaar van gedachten kunnen wisselen, maar waarbij ook direct vragen gesteld kunnen worden.

Vanuit de database zijn ook zeer gericht mensen te werven voor bijeenkomsten, gericht op een bepaald thema. Door het op deze manier slim aan te pakken loop je niet het risico ‘leeg te lopen’ op het bijhouden van je mailbox. Dat kan je beter laten doen.

Verdere toepassing:
Andere groepen gebruikers: bijvoorbeeld klanten van een zorg-welzijnsinstelling.Ook daarbij kan je een profiel laten aanmaken, maar dat profiel ook laten aanmaken op grond van de antwoorden.

Info bij Mark Weghorst.

Over Mark Weghorst

Mark Weghorst, 1971, vader van twee kinderen en echtgenoot.

Ik ben breed gespecialiseerd. Of een specialistische generalist. Ik ben adviseur, changemaker, vragensteller.

Mijn ervaring deed ik op in de zorg- en welzijnssector. Hier heb ik ruime ervaring opgedaan met het begeleiden van individuen en groepen op het gebied van persoonlijke ontwikkeling. Daarnaast ook met coördinatie, management en projecten.

Een andere ervaringsstroom is de onderwijssector. Ik ben al jaren actief aan de randen van het onderwijs, als ouder, als bestuurder, als projectleider en nu als adviseur bij Ouders & Onderwijs. Mijn hoofdbaan is adviseur/changemaker bij het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid.

Al mijn werk gebeurt altijd met of voor mensen: het geeft mij veel voldoening om met mensen te werken die graag verandering willen brengen in hun persoonlijke situatie. Ik ben op mijn best als de intentie tot veranderen bij anderen aanwezig is. Daarbij ben ik altijd gericht op leren, liefst op een zo informeel mogelijke manier. Ik zoek daarin altijd naar de heilige graal.

Manier van werken

Mijn stijl van werken wordt gekenmerkt door een directe, enthousiasmerende en doortastende manier van werken. Ik weet complexe problemen goed te
normaliseren en te simplificeren. Daardoor wordt het probleem begrijpelijker en makkelijker hanteerbaar.

Mijn werk is zeer methodisch. Er gebeurt nooit iets zomaar. Ik werk echter niet met een vaste methode. Vraag me waarom ik de dingen doe zoals ik ze doe en ik kan het je uitleggen. Ook hierin ben ik dus veelzijdig. Ik word geïnspireerd door verschillende dingen en ik doe graag veel dingen tegelijk.

Mail: mark@markweghorst.com
Tel: 0 6 2 5 3 9 0 1 1 3

 

 

 

 

 

 

 

 

Een kind te leen

Ouders en onderwijs zouden een partnerschap moeten aangaan. Dat zijn althans de ideeën rond ouders en onderwijs. Ik ben het daarmee eens. Een kind heeft recht op betrokken ouders en deskundige leerkrachten. Daar waar daar twijfel over is moeten die ouders en het onderwijs elkaar daarop bevragen. Logisch. Niet logisch, getuige de moeite die het kost om op een constructieve wijze in gesprek te gaan.

Ouders en onderwijs verstaan elkaar niet altijd even goed. Dat daarbij wat aan ouders mankeert is duidelijk. Ouders zijn niet in staat om op een fatsoenlijke manier hun kroost op te voeden. Kinderen krijgen niet meer genoeg te eten en geld verdienen is belangrijker dan kinderen. Kinderen zijn voor het gros van de ouders niet meer dan een statussymbool dat keck staat op de achterbank van een grote Volvo.

Maar daarover staat al genoeg op internet. Bijna alle zichzelf respecterende meningdragers (linkedin, twitter, etc) hebben wel ergens een lijstje wensen ten aanzien van ouders opgeschreven. Kern is steeds bovenstaande analyse.

Wat ik daarom graag wil doen is de andere kant belichten. Ik zou erg graag, vanuit de ouderpositie, het onderwijsveld willen helpen.
Eigenlijk heb ik maar één advies:
Benader ouders alsof je hun kind te leen hebt (gehad). En benader daarom de ouders vanuit dankbaarheid.
Simpeler kan ik het niet maken. Naast dat onderwijs natuurlijk veel deskundigheid heeft ten aanzien van de didactische ontwikkeling van kinderen heeft ze natuurlijk zelf geen kinderen. Die moeten ze lenen in het concept dat leerplicht heet. Ouders lenen hun kinderen uit.

Waarom is dit nu zo belangrijk.
Een leerkracht die snapt dat zij slechts een korte passant is in het leven van dit kind zal haar deskundigheid ten behoeve van ouders inzetten. Bovendien voelt deze leerkracht een verantwoordingsplicht ten opzichte van de ouders. En misschien is dat wel de relatie die er zou moeten zijn tussen ouders en onderwijs.