Tagarchief: toekomst

Mars!! – een onechte recensie

marsAfgelopen weekend speelde mijn dierbare zus haar voorstelling “Mars!”. Natuurlijk was ik als broer daar bij. Als ik had gedurfd. Ik wilde graag, maar vond vermijding door gezinsafspraken, Moederdagen, andere verplichtingen, etc. Daarna voelde ik me schuldig. Alsof ik zondigde tegen mijn eigen principes.

Wat is het geval. Mars gaat over de grote verandering die mijn zus in haar leven heeft doorgemaakt. Ze gooide het roer om, liet zich daarbij bijstaan door deskundigen en zegevierde. Ze zegevierde niet zo’n beetje ook. De verandering die ze doormaakte was jaloersmakend gelukt. Daarover gaat Mars. Denk ik.

Ik heb Mars namelijk niet gezien. Ik heb haar erover gehoord, ik heb er stukken over in de krant gelezen, maar ik heb het dus nog niet gezien. Waarschijnlijk is er een bedoeling met het feit dat ik Mars nog niet gezien heb. Misschien kan ik het niet aan. Confronteert Mars me wel teveel met mijn falen in mijn eigen Grote Verandering.

Ik kwam in mijn “Mark 3.0” niet verder dan een pietluttige verslaving en wat rommelen met fitnessapparaten. Met dat eerste zal ik niet meer beginnen en met dat laatste ben ik al gestopt. Ik zocht excuses. “Er is teveel aan de hand, ik heb een bijzonder metabolisch systeem, met mijn rug…” Smoezen.

Mijn kinderen bewezen al dat er niet zoiets als erfelijke slechte eigenschappen bestaan. Zij hebben alleen maar goede eigenschappen en doen de dingen eigenlijk zoals ik ze zou moeten doen. Mijn zus, mijn generatiegenoot, drukt mij met haar voorstelling en vooral met haar Grote Verandering nog eens fijntjes op de feiten: iedereen kan veranderen. De sleutel is motivatie. Ik kan dat dus ook. Met dat gepruts in de marge van mijzelf en dat gezoek naar excuses moet het nu eindelijk maar eens afgelopen zijn.

Dat was niet wat ik wilde horen kennelijk. Dus zag ik Mars weer niet. En raad ik graag iedereen aan om Mars wel te gaan bekijken. Want Mars gaat ergens over. Ik kan het u niet precies vertellen, maar het raakte mij ergens heel erg diep en vervelend. Een goed stukje theater dus. Vraag er dus naar in uw lokale theater. Mijn zus is vast en zeker te boeken.

En ikzelf?

Morgen begin ik…

(foto: Cyril Wermers)

Waarom wiskunde niet/wel* werkt

(omcirkel wat van toepassing is).

IMG_1701Wiskunde doet zijn intrede in de zorg. Als wetenschap pretendeert wiskunde modellen te kunnen maken waaraan de zorg kan worden ingericht. Die modellen kloppen allemaal. Het is immers wiskunde. En wiskunde is wetenschap en dus bewezen waar.

Niets aan de hand dus. Als wiskunde een bijdrage kan leveren dan zou dit zeer wenselijk zijn. Er zijn in de zorg immers grote problemen. Er is sprake van stijgende kosten, er is sprake van toenemende verantwoordingsplicht (die overigens altijd gepaard gaat met het “teruggeven van de verantwoordelijkheid aan het veld: overheid, management, toezichthouders lijken bij dit soort beleidskeuzes juist meer verantwoording te vragen).

Inhoudelijk is er ook wat loos in de zorg. We hebben met zijn allen in de zorg afgesproken dat de wereld steeds complexer wordt, dat onze eindgebruikers (patiënten/revalidanten) daarmee ook complexer worden en dat de zorg als geheel dus ook een complexe bezigheid is. Ik schreef al eens over hoe “moeilijk doen” gemakkelijke oplossingen in de weg kan staan.

Managers die het niet meer weten en die geloven in spreadsheets omarmen nu de wiskunde. Ze gaan massaal op cursus om zich door wiskundigen de zorglogistieke principes te laten voorschrijven. Om je heen hoor je bedrijfskundige mantra’s in termen als “beschikbaarheid” (of iedereen wel daar is waar de wiskundige hem bedacht heeft) en “planbaarheid”.

Het is niet vreemd dat managers dit doen. Ze hebben immers maar twee opties: niets doen en iets doen. Zoals bekend pleit ik doorgaans voor het eerste: niets doen. Voor “niets doen” kan een passend salaris bedacht worden en een heleboel problemen lossen zich op. Dat managers kiezen voor “iets doen” is ook begrijpelijk. Het gevoel grip te krijgen door je door wiskundigen mee te laten nemen in modellen die de werkelijkheid beheersbaar maken is een aanlokkelijk beeld. Bovendien kun je op verjaardagen een aantal slimme wiskundige opmerkingen maken waarmee je de complexiteit van je dagelijks werk kunt benadrukken.

Nog een reden waarom managers wiskundigen omarmen? Omdat wiskundigen een industrieel geloof in centrale aansturing hebben. Dit is wellicht de grootste beperking van de meeste wiskundigen: het geloof in centrale aansturing. Maar oh zo wenselijk voor de worstelende manager die niet weet hoe hij grip moet krijgen.

De wiskunde als wetenschap mist echter één ding: de menselijke maat. Een slimme wiskundige kan veel variabelen invoeren in een model. Factor A (de patiënt) kan dan meerdere verschijningsvormen hebben. Ergens bij Factor D gaat het mis. Daar hebben we het over de medewerker, beschikbaarheid en planbaarheid. En daar komt een menselijke maat om de hoek kijken.

Sinds we de industrialisatie achter ons hebben gelaten heeft het geen enkele zin meer om medewerkers te beschouwen in industriële termen. Dat is wel wat wiskunde als wetenschap doet. Het maakt medewerkers tot een beperkte set variabelen. In ieder geval beperkter dan de werkelijkheid. Wiskunde is daarmee slechts een benadering van de werkelijkheid en gaat de mist in daar waar het niet verder komt dan die benadering.

Voor managers is dit hoopvol nieuws: het levert namelijk een set afspraken (de beperkingen in de wiskundige variabelen) op waar ze medewerkers aan kunnen gaan houden: terug naar de industrialisatie en in de verte doemt een beeld van een aloude fabrieksfluit op.

Zou de wiskunde wèl een bijdrage kunnen leveren?
Dat zou kunnen als de wiskunde echt de werkelijkheid gaat bestuderen. Als ze gaat zien dat centrale aansturing eigenlijk nergens echt plaats vindt. Omdat mensen zichzelf wel redden en die centrale aansturing niet nodig hebben. Als ze gaat zien dat juist op die plekken waar centraal gestuurd wordt er van allerlei “productiemiddelen” weglekken.

Als de wiskunde zich meer bezig zou gaan houden met het in beeld brengen van wetmatigheden onder zwermgedrag zouden ze wellicht meer van toegevoegde waarde kunnen zijn voor de echte problemen in de zorg. Ze zouden zien dat het geheel minder complex is dan bedacht wordt, ze zouden de onnodigheid van centrale aansturing zien en zouden begrijpen dat organiseren rond zwermen iets anders vraagt dan wiskundige modellen. Het vraagt namelijk sturen op slechts een paar factoren.

Uitgaan van de wetmatigheden van een zwerm betekent sturen op drie pijlers (noot schrijver: de wetmatigheden zijn vereenvoudigd, de vertaling naar organisaties is dat dus ook. In de kern gaat het echter om deze dingen).

  1. niet botsen: zorg dat medewerkers elkaar niet voor de voeten lopen of elkaar belemmeren.
  2. meedoen: zorg dat medewerkers zich betrokken voelen bij het grote geheel en daarin hun aandeel kunnen zien en kunnen bepalen.
  3. afstand houden: zorg dat medewerkers de ruimte krijgen om dat te doen waar ze goed in zijn.

Dat lijkt in niets op een industrieel vormgegeven zorgomgeving. Dit lijkt op een wereld waarin de menselijke maat uitgangspunt is en waarbij voor iedere medewerker die plek ontstaat die past bij zijn competenties en behoefte. Ten aanzien van de betrokkenheid zou veel winst geboekt kunnen worden als medewerkers in staat zouden zijn om zelf hun budget te beheren (terug te verdienen, te plannen, te bepalen).

Het vergt een ander soort manager. Veel minder industrieel denkende managers en dus veel minder kosten. Maar ja, welke wiskundige durft managers teleur te stellen?

Vooruit denken

Ik kan vooruit denken. Het is mij gegeven om dat zelfs erg goed te kunnen. Vandaar dat ik ook zo’n moeite heb om dit stuk te schrijven, maar dat wijst zich later. Ik kan ver vooruit denken en kan voor me zien wat keuzes tot gevolg hebben.
Ik snap bijvoorbeeld waarom dingen op termijn niet zullen brengen wat men er vandaag van verwacht. Ik snap zelfs dat dat voor de mensen die de dingen van vandaag bedenken zo vervelend is dat ze later de focus graag leggen op de dingen die dan verbeterd zijn. Terwijl iedereen dan vergeten lijkt wat er ook al weer mee beoogd werd.

zwermDan lijkt “ver-vooruit-kunnen-denken” dus een prettige eigenschap. Toch is dat niet zo. De meeste mensen denken niet zo ver vooruit en kunnen mij, in mijn uitleg, al snel niet meer volgen. Ze kunnen immers niet zover vooruit denken. Dat is niet om die mensen tekort te doen. De meeste mensen halen alles uit hun mogelijkheden. Iedereen heeft alleen niet dezelfde mogelijkheden.
Zieners en vooruitkijkers hebben het niet altijd gemakkelijk. Het is, ik kan dat verzekeren, enorm moeilijk om je mond te houden over acties die je om je heen ziet gebeuren waarvan je zeker weet dat ze niet gaan werken. Als je echter een aantal keren hebt gemerkt hoe er gereageerd wordt op vooruitkijk-argumenten laat je dat wel uit het hoofd. Het nieuwe devies wordt dan “geduld-oefenen”. Dat is zo mogelijk nog moeilijker dan toezien hoe mensen fouten maken zonder dat je er iets van kunt zeggen.

Er zijn nu, in dit stuk, nog twee soorten mensen over. De ene zal zoiets  zeggen als dat ik niet zo moeilijk moet doen en gewoon moet doen wat ik denk dat goed is. De ander zal misschien herkenning vinden en is benieuwd naar het vervolg. Laat die ander vooral doorlezen. Die ene moet misschien zijn energie in andere dingen stoppen dan het lezen van dit stuk.

Twee voorbeelden:
Het eerste voorbeeld komt uit het verkeer. Bij mij in de buurt is een viaduct verwijderd, is een verkeerssituatie drastisch aangepast en heeft een groot verkeersknooppunt ruim drie jaar op de kop gestaan. Nu is het een oase van stoplichten[1], strepen, aanwijzingen en afremmende- en optrekkende auto’s. Auto’s staan namelijk in hoge mate stil op dit knooppunt.

De bedenker van dit al is tevreden. Hij beziet zijn werk en ziet dat er geen ongelukken gebeuren en heeft tot in de finesses de verkeersstromen onder controle gebracht. De meeste mensen die er rijden zullen ook stellen dat het veiliger is geworden. Men weet immers precies wat moet gebeuren en volgt dat lijdzaam.
Toch is het niet goed. Auto’s kùnnen namelijk sneller en prettiger doorstromen en zo heel nu en dan blijkt dat ook. Dat is als de stoplichten uitvallen. Dan blijkt het stoppen van iedere verkeersstroom helemaal niet nodig te zijn en kan iedereen, op elk willekeurig tijdstip van de dag vlotjes doorrijden. Men moet wel iets beter opletten, maar wie kan daar nu op tegen zijn[2].
Niemand ziet dat. Er is (te)veel geld uitgegeven aan stoplichten en strepen op de weg. Al zou het niet werken, niemand zal het toegeven. Gebruikers zullen niet zien dat het beter kan. Als ik in die momenten van geluk dat de stoplichten niet werken over dat knooppunt kom maakt mìjn hart een sprongetje van blijdschap. Bij de meeste andere mensen is er irritatie over het feit dat de stoplichten (weer) niet werken.

Tweede voorbeeld:
Er zijn in mijn werk[3] zorgpaden ingevoerd. Iedereen krijgt nu standaard maatwerk[4]. Een ongeveer gelijk programma, met een heleboel gelijkheidsbeginsels en een riant boekwerk aan voorschriften. Het lijkt wel een verkeersknooppunt.
Het eerste dat mensen die er mee werken zeggen is dat er meer grip komt op de stroom patiënten. Dat is ook zo. Ik zie dat ook. Ik kan namelijk ook stilstaande patiënten beter bekijken dan patiënten die aan het stromen zijn. Stromen omdat ze geholpen en behandeld worden en uiteindelijk klaar zijn.
De praktijk is dat het helemaal niet stroomt. Er komt geen patiënt meer in. Er is ineens een zee aan tijd in de agenda’s van behandelaars vanwege allerlei voorschriften en gelijkheidsbeginsels die werken als stoplichten. Als dit opvalt wordt er adhoc een oplossing gekozen die zo mogelijk nog belemmerender werkt. Er wordt daardoor heel veel tijd en dus geld verspild.

Al die verspilling is geen moedwil. Het is, in alles, het beste wat er momenteel te bieden is op de plek waar ik werk. Dat is een zorg op zichzelf.

Ik heb er last van dat er geld verspild wordt aan oplossingen waar van te voren over nagedacht had kunnen worden. Waar van tevoren, ver vooruit denkend, van gesteld had kunnen worden dat het geen goed idee was. Het voelt, werkend in een dergelijke situatie of verkerend op zo’n knooppunt, of ik me iedere keer door al dat weggegooide geld moet ploeteren voordat ik aan de slag kan. Dat is niet prettig, maar ik sta daar alleen in. Ik merk niet dat anderen daar veel hinder door ondervinden. Ook daarover kan je (ver vooruit denkend) weer hetzelfde verhaal ophouden[5]. Dat zal ik niet doen.

Die ander die heeft doorgelezen heeft mij nu wel begrepen. Die ene die mijn advies in de wind sloeg (don’t they all?) en toch doorlas zal nu stellen dat ik dan ook maar met oplossingen moet komen. Als ik het dan zo goed weet.
Meneertje.
Voor die ene zal ik een oplossingsrichting opschrijven. Voor die ander is dat niet nodig, maar die mag dat gerust ook meepikken.

De oplossingsrichting zit in het diepere functioneren van een zwerm. Daar is veel onderzoek naar gedaan en onlangs zag ik op televisie Charlotte Hemelrijk (what’s in a name voor een zwermonderzoeker) die bijzonder helder kon uitleggen hoe de zwerm werkt. Dat heeft mij aan het denken gezet.
Waar men aanvankelijk dacht dat zwermen (spreeuwenzwermen met name) allerlei hogere wiskundige of transcendente voorschriften kenden (denk hierbij aan het zenuwcentrum van een verkeersknooppunt of de excelbestanden van zorgpad-minnaars en hun gedeelde geloof in hun systemen) bleek bij nader onderzoek dat spreeuwen zich maar aan een paar afspraken hielden. Die afspraken waren zoooo simpel dat ik ervan in de lach schoot.
Niet botsen, een beetje meedoen en afstand houden.
Daar komt het ongeveer op neer. Als iedere individuele spreeuw dat doet krijg je de figuren die een spreeuwenzwerm maakt.
Bedenk eens wat dergelijke simpele afspraken zouden betekenen voor het verkeer op een knooppunt of het werken in de zorg. Ze zijn toepasbaar. Je moet om dat te kunnen snappen alleen wel een beetje vooruit kunnen denken. De oplossing ligt volgens mij dus in zwermdenken.

Ik weet dat die ene hier geen genoegen mee neemt. Die wil stoplichten, voorschriften, gelijkheidsbeginsels en formulieren. Die ene zal bovendien zeggen dat ik toch vooral bekend sta om mijn botsen en mijn niet meedoen. Dus hoezo zwermdenken!
Meneertje!
Voor de ander gloort hiermee misschien hoop. In dat laatste geval: graag gedaan!

Charlotte Hemelrijk op De Wereld Leert Door over spreeuwenzwermen


[1] Ja, ik weet dat stoplichten in de verkeerskunde verkeerslichten worden genoemd. In mijn ogen zijn het echter dermate grote obstakels voor een vlotte doorstroming van het verkeer dat ik ze graag stelselmatig stoplichten blijf noemen.
[2] Mensen zullen het principe van “Shared-Space” misschien herkennen. Een concept dat wat mij betreft meer navolging en uitwerking verdiend. Al zullen weinigen dat met me eens zijn.
[3] Complexe revalidatiezorg
[4] Jaha, ik ben me bewust van deze onmogelijkheid: standaard en maatwerk lijkt niet goed te passen. Toch doen ze bij mij op mijn werk een dappere, maar vruchteloze poging.
[5] “hoe kan je nu je hoofd wegdraaien, je schouders ophalen, als je zou weten dat een dergelijke wijze van geldverspilling uiteindelijk niet alleen de zorg de nek omdraait, maar ook jouw baan als zorgverlener?”

Ik beken!

blogfotoIk beken! Ik beken dat ik een fraudeur ben. Een fraudeur in de zorg. Ik werk in de zorg en ik heb gefraudeerd.

Zo, dat is eruit. Daar liep ik al een tijd mee rond. De aanhoudende berichten in de media over fraude in de zorg stimuleerden me zeker bij deze bekentenis. De onderste steen moet nu boven, de omerta is voorbij. Al heb ik nooit echt een omerta ervaren. Ik deed gewoon. Net als alle anderen.

Iedereen in de zorg weet toch waar ik het nu over heb? Niet over de vraag of je als uitvoerend professional je uiterste best doet om het beste voor je cliënt, patiënt, bewoner, revalidant te bereiken. Daar twijfel ik na al die jaren niet aan. Mensen gaan niet in de zorg werken om zoveel mogelijk geld te verdienen. Dan wordt je wel bankier. Natuurlijk zijn er incidenten geweest in mijn werk als het gaat om de betrouwbaarheid in het dagelijkse werk. Die komen overal voor. Die los je dan samen op en je wordt er uiteindelijk allemaal alerter en beter van.

Het gaat me ook niet meteen over het declareren van zwaardere behandelingen dan daadwerkelijk worden uitgevoerd. Datgene waar nu medisch specialisten van beticht worden. De mens en zijn medische vragen laten zich nu eenmaal niet precies indelen in diagnose-behandel-codes. En dan slipt er wel eens wat tussendoor. En natuurlijk krijg je dat in je opleiding. Het zou al wat zijn dat dokters opgeleid worden in het enkel uitvoeren van de regels! Ik heb graag een dokter die de randen van de mogelijkheden verkent. Anders waren we nu nog steeds aan het aderlaten. Van specialisten mag je verwachten dat ze de grenzen van hun mogelijkheden weten te verkennen. En geef ze eens ongelijk, als het gaat om het registreren van hun werk.

Of stopt u altijd bij oranje? En brengt u ook dat dubbeltje terug dat u bij het wisselgeld teveel kreeg en waar u pas buiten achter kwam? Wat is uw prijs?

Ook daar gaat het mij niet om. Ik heb het hier in mijn eigen bekentenis over de registratiefraude. De fraude die ontstaat als:

1. er druk is om te registreren
2. de registratie wordt gebruikt om de professional te beoordelen
3. diezelfde registratie wordt gebruikt om te declareren
4. diezelfde registratie wordt gebruikt om langjarig formatie te berekenen.

Dus professionals wordt gevraagd om iets op te schrijven (in doorgaans rammelende, moeizame en weinig gebruikersvriendelijke systemen), waarbij ze zelf verantwoordelijk zijn voor wat ze invullen, wetende dat ze daarop worden beoordeeld en op de korte en lange termijn gefinancierd zullen gaan worden. Denk eens even mee. Als ik daadwerkelijk opschrijf dat ik naar de wc ga zal dat uit de formatie gaan vallen, want niet productief. Net zoals collegiale consultatie. Daar maken we zonder veel moeite een patiëntgebonden activiteit van, zodat het in de productie valt en meetelt voor de formatiebesprekingen. Het staat ook nog eens goed op je resultaatcijfers.

Geen zorgverlener heeft zin in gesprekken over productie. Daar word je geen zorgverlener voor. Je wilt wel hard werken en veel mensen helpen. En omdat zorgverleners net zoals medisch specialisten worden opgeleid in het gebruiken van hun creatieve mogelijkheden zorg je er wel voor dat je geen gesprek krijgt over onderproductie. Als je zelf verantwoordelijk bent voor het invullen van je registratie en je zorgt dat het net bij de weg is (oranje, dubbeltjes), kraait geen haan er naar. Baas tevreden, zelf tevreden, financier tevreden. Meten is weten.

Door de enorme druk om alles te willen weten en daar vervolgens van alles aan te verbinden is een systeem ontstaan waarmee fraude bijna een wetmatigheid is geworden. Het systeem is zover geperfectioneerd dat iedereen medeverantwoordelijk is en er dus niemand op aanspreekbaar is. Als ik mijn lijst oprecht invul krijg ik rode vlekken in mijn lijst (daar staat dan niets, omdat ik naar de wc was, stond te wachten op een volgende cliënt even een babbeltje maakte met een collega, etc). Rode vlekken is een gesprek en heeft op enige termijn consequenties. Consequenties die mij mogelijk raken in mijn portemonnee. We zijn zo steeds verder afgedwaald van het werkelijke primaire proces: zorgverlenen.

Wie wilde dit ook alweer? Wie bedacht deze controlemechanismen? Hielp het? Werd er beter en meer zorg verleend? Leek het alsof er beter en meer zorg verleend werd?

In het onderwijs kennen we die praktijken uit de Verenigde Staten. Daar is allang bekend dat systemen die gericht zijn op het verhogen van de opbrengsten èn relatie hebben tot de arbeidsovereenkomst van degene die de gegevens moet aanleveren leiden tot fraude. Sterker nog: het leidt tot helemaal niets. Overigens zijn ze daar binnen de politiek nog niet over uit. Er is nog steeds zoiets als opbrengsgericht werken, centrale verplichte eindtoets, koppelen van toetsresultaten aan kwaliteit van scholen, etc. Je verzint het niet.

Ik heb gefraudeerd. Ja. Daar werd ik zelf maar zeer zijdelings beter van. Ik heb het niet eens gemerkt. En daar is nu zo’n toestand over? Over iets dat iedereen met een beetje boerenverstand had kunnen voorspellen? Pfff

Regel het maar liever niet!

(Speech ter gelegenheid van het jeugdberaad van de gemeente Hengelo van 7 maart 2013 over ouderbetrokkenheid)

De gemeente Hengelo heeft mij de kans gegeven vandaag u iets mee te geven over ouderbetrokkenheid. Dat is een bijzonderheid. Ik ben al een groot aantal jaren in verschillende netwerken bezig om de positie van ouders in onderwijs en zorg te verbeteren en dit is één van die zeldzame keren dat daarin ook rechtstreeks de deskundigheid van ouders gevraagd wordt. Meestal wordt er over ouders gesproken en blijft het lastig om ouders daarin zelf te betrekken. De gemeente Hengelo steekt daarin wat dat betreft haar nek uit. Daarvoor alvast hartelijk bedankt.

Ik wil het gaan hebben over ouderbetrokkenheid in relatie tot de transities jeugd en onderwijs en neem u daarbij graag mee langs een aantal gedachten.

In januari van dit jaar riep Ronald Plasterk ouders op om kinderen beter te gaan opvoeden. Ouders waren te toegeeflijk en de meeste problemen in de publieke ruimte waren toch vooral te wijten aan dat gebrek aan opvoeding. Plasterk zei dit op het moment dat er een onderzoek klaar lag naar geweld tegen ambtenaren in functie.
In september 2012 liep een sociale media-hype uit de hand. Het Groningse dorp Haren werd gesloopt nadat tienduizenden jongeren afgekomen waren op een facebook-uitnodiging voor de 16e verjaardag van een inwoner van Haren. Inmiddels heeft een commissie onder leiding van Job Cohen een onderzoek afgerond waaruit deze week zal blijken dat er een heleboel niet deugde, beter had gemoeten en wellicht zullen ook de sociale media er van langs krijgen.
Steeds weer lezen we berichten in de krant dat hulpverleners, buschauffeurs, politieagenten worden aangevallen en dat hun werk onmogelijk gemaakt wordt.
Groepsmishandelingen lijken de laatste tijd aan de orde van de dag.
Er moet wel iets gruwelijk mis zijn met onze kinderen.

Kern bij al deze incidenten is steeds dat er in de media over elkaar heen gerold wordt over de vraag wie verantwoordelijk is. En vanuit elke partij die aan het woord komt wordt de priemende vinger gewezen. En niemand wijst ooit naar zichzelf. Misschien is dat wel het grootste maatschappelijke probleem: het wijzen naar een ander, omdat het wijzen naar een ander ons ontslaat van onze eigen verantwoordelijkheid.

Dát en de neiging om gerust te stellen. Als er namelijk een dader is of een sluitende analyse van het incident is er geruststelling en snapt iedereen waarom het gebeurde. Denk in dat kader aan de gevallen van zelfdoding na een geschiedenis van pesten. Ook als het om pesten gaat wisselen de meningen en wordt er driftig gewezen. Naar de school, die het niet gezien heeft. Naar de overheid die laks is in het bieden van mogelijkheden en naar de zorg die er niet was toen het nodig was. Om over de ouders nog maar te zwijgen. Onlangs bleek in een radioprogramma dat zelfs zij vogelvrij zijn als de eerste rouw voorbij is. Dat alles vanuit een behoefte tot verklaring.

Troost u. Mijn kinderen doen geen dingen zoals ik ze net noemde. Ik voed mijn kinderen goed op en heb alle vertrouwen dat dat ook zo is uitgepakt. Sterker nog: ik weet dat zeker. Mijn kinderen waren namelijk niet in Haren, niet in Eindhoven en Oosterhout, hebben niemand gepest en hebben ambulancechauffeurs onder hun beste vrienden. En ook dat wordt bewezen door onderzoek.

Zo zijn ouders er in hun opvoeding vooral op uit dat hun kind weerbaar en eerlijk is. Zorgen voor anderen is daarnaast een belangrijk doel van de opvoeding. Aan de andere kant echter vinden bijna alle ouders ook dat juist alle andere ouders hun kinderen wel eens strenger zouden mogen opvoeden. Bedenk eens wat dat betekent: alle ouders vinden dat alle andere ouders niet streng genoeg opvoeden…

Zoals ik al zei: mijn kinderen doen dat niet…

Scholen zouden graag zien dat ouders kinderen meer in gehoorzaamheid op zouden voeden. Op mijn rapport stond vroeger een mooi rijtje van dat soort traditionele waarden: beleefd, behulpzaam, mededeelzaam. Gehoorzaamheid stond zelfs apart en werd ook als zodanig thuis met mij besproken. Gehoorzaam moest je zijn. Scholen lijken nog niet erg veranderd in hun diepere behoeftes.

Er zit dus een conflict tussen wat ouders belangrijk vinden en wat scholen graag zouden zien. Ook aan de kant van de zorg zijn er wensen ten aanzien van ouders. Ouders moeten op een positieve manier hun kinderen helpen op hun weg naar volwassenheid. Ze moeten tijdig hun vragen stellen en gebruik maken van de mogelijkheden die er zijn op de momenten dat dat voor de zorg gelegen komt.

Even een belangrijk uitgangspunt. Daarvoor gaan we terug naar heel erg lang geleden. Een tijd dat er geen zorg en geen onderwijs was. Een tijd dat er alleen nog ouders en kinderen waren die zich zonder zorg en onderwijs moesten zien te redden. Het zijn mijn voorouders. Het zijn ons aller voorouders. Zij moesten het stellen zonder indicatiestellingen, toelatingsbeschikkingen, multi-problem-aanpakken, etc.

Het lijkt erop dat onze voorouders zich daar prima mee gered hebben. Kijk om u heen en zie de gevolgen. Het feit dat wij hier zitten en het vandaag met elkaar kunnen hebben over zoiets als ouderbetrokkenheid is voldoende bewijs dat die voorouders kennelijk iets goed hebben gedaan.

Nog een belangrijk uitgangspunt: ouders doen het eigenlijk best goed. Kinderen in Nederland blijken uit onderzoek tot de gelukkigste kinderen van de wereld te behoren en de opvoeding van ouders in Nederland wordt als prima beschouwd. Opvoeden tot respect is daarbij niet het belangrijkste doel. Opvoeden tot een zelfsturend individu lijkt belangrijker.

In de transities jeugd en onderwijs zie je dat er bij de domeinpartijen behoefte bestaat om zaken goed te regelen. De domeinen jeugd en onderwijs moeten op enig moment in elkaar schuiven en elkaar gaan versterken. Het lijkt logisch dat de eerste neiging is om dat inderdaad te gaan regelen. En juist in dat regelen lijkt het conflict te schuilen.

In een grote landelijke netwerkbijeenkomst was men druk bezig om dit soort dingen over die beide transities te regelen.De eerste bijeenkomst waarbij ouders aanschoven bleek een kanteling te betekenen in het denken over dat regelen. Ouders bleken zeer goed in staat om overtuigend duidelijk te maken dat zij niet zitten te wachten op protocollen, regels en indicatieprocedures. Ouders willen een vraag kunnen stellen, daar vlot een ter zake kundig antwoord op ontvangen en voor de rest niet al te veel gedoe. In de genoemde bijeenkomst werd de opdracht ter uitwerking daarom dat wat er dan ook maar geregeld zou gaan worden vooral flexibel moest zijn. Dus vooral geen regels!

Iets zonder regels dus. Kan dat eigenlijk wel? Is het in de huidige tijd nog mogelijk om zaken zonder regels te organiseren?

Er zijn twee voorbeelden waar dat uit zou kunnen blijken.

De eerste is Eigen Kracht. De methode waarbij problemen aangepakt worden vanuit een netwerkgedachte: iedere belangrijke persoon uit een netwerk kan onderdeel zijn van de oplossing. De kern van Eigen Kracht is dat de oplossing en de uitwerking van die oplossing uit het eigen netwerk van betrokkenen komt. Hulpverleners en professioneel betrokkenen staan daarbij aan de kant en voegen zich naar deze oplossing. Dit levert soms verrassend eenvoudige oplossingen op. Oplossingen die binnen alle regels van professionele instellingen met name door die regels niet meer mogelijk lijken te zijn.

Inmiddels is er een schat aan ervaring opgedaan met Eigen Kracht Conferenties in de zorg. Het wachten is op een groot aantal conferenties die zich richten op onderwijs. Je zou verwachten dat daar dezelfde ervaringen opgedaan zouden kunnen worden. Eigen Kracht wordt omarmt door bijvoorbeeld Pieter Hilhorst, tegenwoordig wethouder in Amsterdam, die Eigen Kracht ziet als belangrijke methode om de maatschappij te “ontzorgen”. Hij stelt dat we te gewend zijn geraakt om problemen op het bord van professionals te leggen en dat we verleerd lijken te zijn onze eigen problemen op te lossen.

Het tweede voorbeeld komt uit het verkeer. In 1979 wist Hans Monderman, een verkeerskundig ingenieur met een voorliefde voor het gedrag van mensen, te bereiken dat er een door hem bedachte oplossing werd gekozen voor een groot verkeersprobleem. Er was een doorgaande weg waar te hard werd gereden, ongelukken gebeurden en waar het ronduit onveilig was. De gebruikelijke oplossing in die gevallen was (en is overigens nog steeds op veel plekken) dat er dan voor drempels, verkeersremmende maatregelen, handhaving en dergelijke wordt gekozen. Hans Monderman deed het anders: hij haalde alle verkeersbepalende elementen weg. Hij verwijderde de borden, de belijning op de weg, het onderscheid tussen weg en trottoir en maakte er een soort plein van.

In tegenstelling tot wat je zou verwachten nam de verkeersveiligheid op deze Shared Spaces, zoals je ze noemt, toe. Auto’s minderden vaart doordat niet duidelijk was wat de verkeersituatie precies was. Fietsers en voetgangers konden gemakkelijker weer naar de overkant zonder halsbrekende toeren uit te halen. Anderzijds ervaarden alle gebruikers de situatie wel als onveiliger dan voorheen. Dat was precies waar Hans Monderman op uit was: als mensen zich namelijk onveilig voelen gaan ze vanzelf beter opletten. Ze gaan dan weer zelf nadenken. Of zoals hij vaak geciteerd wordt: “if you treat people like idiots, they will act like idiots”. Andersom is natuurlijk ook het geval. Het ontregelende van Hans Monderman lijkt op het pleidooi van Pieter Hilhorst om de maatschappij te “ontzorgen”.

Hoe moet dat nu met de ouders? En met de ouderbetrokkenheid? Is daar het probleem ook minder groot als je er anders tegenaan kijkt? Zou je door te “ontzorgen en te ontregelen” misschien tot verrassende uitkomsten kunnen komen? Kunnen professionals er tegen dat ouders en hun betrokkenheid misschien geen probleem zijn? Kunnen ouders er wel tegen dat ze bij problemen niet door professionals gerustgesteld worden? Horen sommige problemen misschien gewoon bij het leven?

Ouderbetrokkenheid is wat mij betreft niet het probleem. Ouderbetrokkenheid in de zin van ouders die betrokken zijn op het dagelijks leven van hun kinderen is niet het probleem. In mijn werkzame leven ben ik nog nooit ouders tegengekomen die niet betrokken waren op hun kinderen. De wijze van betrokkenheid en de keuzes die daaruit volgden riepen bij mij weliswaar soms vragen op. Vragen die, zo ze ter sprake kwamen, ook beantwoord werden. Maar betrokken was het. Zelfs in situaties waarin kinderen in het geding waren bleek de betrokkenheid van ouders niet het grootste probleem.

Ouderparticipatie zal mogelijk anders zijn. Participatie is het meedoen op school als leesvader, klusmoeder en pannenkoekenbakker op de jaarlijkse fancyfair. Maar participatie is niet hetzelfde als betrokkenheid en moet zeker niet met elkaar verward worden. Bovendien helpt participatie niet het kind, maar slechts de school. Betrokkenheid is goed voor een kind, noodzakelijk zelfs.

Het leven van ouders is een geïntegreerd leven. Ze krijgen gemiddeld 1,7 kind per gezin, hebben daarmee gedurende de rest van hun leven een invulling voor de gesprekken op verjaardagsfeestjes, de zorgen voor het slapen gaan, de zorgen voor de latere kleinkinderen. Wat er ook gebeurt tijdens het leven van die kinderen, het gebeurt altijd op een manier die bij het leven hoort. Ouders vragen zich, zodra ze kinderen hebben ook graag af of ze de dingen wel goed doen. En soms raadplegen ze daarbij professionals.

De komst van professionals heeft gemaakt dat zorg, onderwijs, orthopedagogiek, hulpverlening, revalidatie, specialistische zorg, etc alleen in aparte blokken toegankelijk is voor ouders met hun kinderen. Ik herinner mij dat een KeelNeusOor-arts het gebrekkige gehoor van mijn zoon, vanuit medisch-technisch perspectief geen enkel bezwaar vond. Wij waren maar wat blij met de visie van een logopedist die vanuit het perpectief van taalontwikkeling aandrong op actie. Gelukkig kon de KNO-arts dit voor hem nieuwe perspectief integreren en kon hij hiernaar handelen. Voor ons was onze zoon nog steeds dezelfde. Wij hadden nog nooit het verschil tussen een medisch-technisch en een taalontwikkelingsperspectief bij hem gezien. Hij kon leuk met een bal spelen en sorteerde graag zijn duplo. En het was natuurlijk gewoon een heel erg lief jong! Dát zagen we wel.

Er gaat iets mis in de aansluiting tussen wat ouders nodig hebben en in wat professionals willen regelen. Ik herinner mij een jongerensoos waar ik zijdelings betrokkenheid bij had in een klein dorp hier in de buurt. De jongerensoos was nieuw. Er was van alles geregeld: een ruimte, discolampen, muziek, een drankprotocol, een bardienst en er was eindeloos vergaderd over allerlei scenario’s waarin het mis kon gaan. Alles was geregeld en iedereen was overal op voorbereid. De eerste avond van de jongerensoos werd niet bezocht. Bij alles wat geregeld was, was de organisatie vergeten de jongeren te vertellen over de jongerensoos. Laat staan dat ze de jongeren hadden betrokken bij de planvorming.

Dat is wat dreigt als je kijkt naar de transities waar we het hier vandaag over hebben: hoe betrek je het kapitaal van die transities bij de uiteindelijke plannen? Het kapitaal van zowel onderwijs als zorg is uiteindelijk toch het gezin. Hoe je het ook wendt of keert: als ouders stoppen met hun ouderschap en dus geen kinderen meer krijgen kan de transitie jeugd en onderwijs wel stoppen. Dan valt er niets te transformeren en hoeven we het nergens meer over te hebben. Het enige bestaansrecht van de domeinen jeugd en onderwijs komt voort uit de ouders!

Daar waar de neiging bestaat om veel te regelen, of vooral goede afspraken te maken is dat misschien wel helemaal niet waar ouders op zitten te wachten. Regels belemmeren immers maar de normale gang van zaken. Het voorkomt dat we zelf na gaan denken en het voorkomt dat we zelf leren zorgen voor onze noden. Bovendien zijn ouders niet gek. Als een overheid aanspoort tot Eigen Kracht, Zelfmanagement of OntOrganiseren gaat dat vaak gepaard met een budgettair probleem. Het lijkt bijna op de priemende vinger waar ik het eerder over had. De vinger van verantwoordelijkheid. Het is uw probleem!

Wat ouders betreft hoeft er dus niet zoveel. Regel het misschien dus maar liever niet. Maak er een plein van zoals Hans Monderman dat deed met het verkeer. Laat mensen weer zelf nadenken over oplossingen zoals Pieter Hilhorst dat bedoelde toen hij het had over ontzorgen. Ga uit van Eigen Kracht en zie weer de Eigen Aardigheden van kinderen. En wijs, in geval van incidenten, naar jezelf. Ga eerst als een Griekse filosoof met jezelf in dialoog voordat je wijst naar een ander. Wijs in geen geval naar een ander maar beschouw de dingen in hun noodzakelijke onderlinge verbondenheid.

Sta jezelf toe dat het moeilijke soms bij het leven hoort en dat geruststelling daarbij niet het belangrijkste is, maar misschien wel aanvaarding. Misschien hoort pesten wel bij de eigenschappen van een groep en zul je er vooral je best voor moeten doen om te zorgen dat niet steeds hetzelfde kind gepest wordt.

Maar ga de dingen niet op voorhand regelen. Regel het niet. Vraag het gewoon eens aan de direct betrokkenen. Wat werkt. Ik hoor in mijn adviezen aan ouders die met een kind in het onderwijs vast dreigen te lopen eigenlijk nooit dat ze zelf geen oplossing weten. Ouders zijn meestal al erg gewend aan en ingesteld op de bijzonderheden van hun kinderen voordat ze een school bezoeken. Ze durven het alleen niet hardop te zeggen en er wordt bijna nooit naar gevraagd. Gelukkig gebeurt dat natuurlijk alleen bij al die professionals die er vandaag niet zijn. Jullie doen het natuurlijk wel goed! Het lijkt alsof ouders zelfs onzeker zijn geworden over de oplossingen die thuis en op de sportvereniging gewoon werken.

Zorg dat het dossier van het kind is en daarmee van de ouders. Zorg dat dat duidelijk is: de kennis over dát kind is te vinden bij…. dát kind! Waar heb je je sleutels laten liggen? Waar je ze het laatste gehad hebt…

En ook de ontzorging en de ontregeling hoeft dus niet geregeld te worden. Misschien. Misschien kunnen we dan weer een beetje terug naar de situatie van onze voorouders. Waar geen zorg was en geen onderwijs. En waar toch voor elkaar gezorgd werd en waar kinderen toch het nodige leerden. Ouders zouden moeten aanvaarden dat ze niet overal in gerustgesteld kunnen worden. En zorg en onderwijs zou moeten aanvaarden dat ze ouders niet overal in gerust hoeven te stellen.

Om te ontzorgen en te ontregelen is durf nodig. Durf om juist niet gerust te stellen, niet de priemende vinger te wijzen, maar gezamenlijk de verantwoordelijkheid te dragen. Durf om nooit meer te overleggen over ouders en kinderen, maar altijd met. Omdat ook de oplossing uiteindelijk bij die ouders gevonden moet worden.
De gemeente Hengelo durfde het aan om een “gewone” ouder het woord hier te geven. Durven jullie het aan om de ontzorging en de ontregeling echt te gaan.. eh… oppakken?

 

De nieuwe tijd

20130206-130811.jpgEr komt een nieuwe tijd. En die nieuwe tijd komt er ook snel. Het wordt een tijd waarin het, om met Ricardo Semler te spreken, draait om vertrouwen, openheid en liefde. Waarbij overigens mag worden opgemerkt dat Ricardo Semler daarin zijn tijd ver vooruit is. Die nieuwe tijd is dus op veel plekken al lang begonnen.

Het wordt een tijd waarin binnen organisaties alleen nog mensen werken die van toegevoegde waarde zijn. Een tijd waarin voor iedereen die op dit moment nog werk doet waar je je de toegevoegde waarde van mag afvragen een nieuwe plek is gekomen. Omdat iedereen dan ineens ziet dat het gaat om het toevoegen van waarde aan de ander, de wereld om je heen en aan jezelf. Omdat dàt dan vanzelfsprekend wordt.

Het wordt een tijd waarin er voor iedereen een plek is. Een plek passend bij de mogelijkheden van die persoon, op dat moment, in die periode. Een plek als werknemer, als deelnemer aan de maatschappij, als scholier, als leerling. Geen uitzonderingen meer. Clusters van medewerkers die allemaal binnen hun eigen mogelijkheden werken en bijdragen aan de gezamenlijke doelen. Scholen waar uit principe niet wordt gesproken over zorgstructuren: omdat er voor iedereen per definitie een plek is en omdat dat de verantwoordelijkheid is van iedereen die participeert.

Het wordt een tijd waarin we weer voor elkaar gaan zorgen, zonder dure organisaties die dat namens ons zijn gaan doen. Een tijd waarin de dan ontstane leegstand in kantoorpanden van die dure organisaties slim wordt opgelost door voor iedereen betaalbare woningen te creeren. Woningen waarin het vooral draait om samen leven. Waar rechten ondergeschikt worden aan plichten om tot gezamenlijke oplossingen te komen. Gewoon omdat dat kan en omdat je er gemakkelijker uitkomt als je niet over rechten begint.

Het wordt een tijd waarin we voor onze eigen energie zorgen, voor onze eigen kosten staan en waarbij de kosten van alles weer in verhouding staan tot dat wat het is. Waarbij iedereen een lening kan snappen, uitleggen en begrijpen. Waarbij iedereen weet uit welke windmolen zijn energie komt en waarbij iedereen ook uit kan leggen waarom je wat moet betalen. Een tijd dus waarbij geld weer inwisselbaar wordt voor waarde en waarde niet door geld bepaald wordt. Een tijd waarbij ieder product een reële prijs heeft die voor iedereen duidelijk is. Een prijs die past bij het respect voor het product en die niet kunstmatig is ongedreven door onzichtbare “mee-eters”. Een tijd waar ruilen met gesloten beurs weer gewoonte wordt, waarbij geven het nieuwe nemen is.

Ideaal? Misschien.
Realistisch? Noodzakelijk.
Alleen: Het duurt nog even. Nog eventjes maar. Dus nog even geduld. Kan iedereen die nu niet echt van toegevoegde waarde is gaan nadenken over hoe ze straks van waarde kunnen zijn.
Hun eigen waarde…

Ontorganiseren

We willen alles weten en dus zijn we alles aan het meten. En als we hebben gemeten en we weten het nog niet gaan we nog meer meten. Of in ieder geval begrenzen. Want het meet gemakkelijker op een duidelijk afgepaald terrein. En we meten vrolijk verder en gebruiken die gegevens om te voorspellen wat er zal gebeuren op het door onszelf afgescheiden terrein. Een terrein dat alleen maar bestaat in de hoofden van de begrenzers.

20130208-141559.jpgZo ontstaan in de zorg zorgpaden, in het onderwijs zorgstructuren en leerlijnen en in organisaties werkinstructies. Opmerkelijke overeenkomst bij al deze zaken is dat de eindgebruikers in deze gebieden niet geholpen zijn met deze afgescheiden terreinen.

Patiënten in de zorg zitten niet te wachten op een grens aan de inzet van behandelaars. Misschien hooguit een financiële grens. In de zorg is die financiële grens zo mogelijk nog diffuser dan het afgepaalde zorgpad. Een patient wil geholpen worden op een persoonlijke manier en niet door een zorgpad. Een zorgpad haalt geen adem, heeft geen aandacht en beperkt alleen maar.

Leerlingen op een school willen ook niet leren omdat het dinsdag is. Ze willen leren omdat ze een vraag hebben. En die vraag kan ook op zondag naar boven komen. Misschien gaat de vraag wel niet eens primair over rekenen of taal. Alle leerlingen leren. Ook leerlingen die op dinsdag niet te genieten zijn. Die leerlingen willen niet in een zorgstructuur. Die willen gewoon voor vol aangezien worden. Net zoals ze door hun ouders worden bekeken. Die zien ook geen grenzen of structuren, maar gewone kinderen met de behoefte om kind te zijn, te leren en groot te worden.

Werknemers worden aangenomen om hun kwaliteiten. Werkinstructies maken werknemers dom. Plak eens een briefje met “defect” op een lift en merk op dat niemand de lift meer gebruikt. Tot die eigenwijze werknemer eraan komt en kijkt of de lift echt wel defect is. Als werknemers worden aangenomen om wat ze toch al kunnen, waarom hebben leidinggevenden dan de hardnekkige neiging om instructies te geven over het werk? Dat weet die werknemer toch zelf wel? Of hebben leidinggevenden door dat ze anders niets hoeven te doen? En dus net zo goed thuis kunnen blijven?

De maatschappij is overgeorganiseerd. Voor alles zijn regels en als ze er niet zijn is er binnen de kortste keren een adviseur die ook daar regels voor verzint. Er is een dringende behoefte aan ontorganiseren: regels schrappen, erop vertrouwen dat het wel goed komt, flexibel kunnen omgaan met vragen die er zijn. Dan zal de angst bij regel-adepten actueel worden: de mensen gaan maar wat doen (antwoord: JA!) en maken alles op (antwoord: Er zijn voorbeelden waaruit blijkt dat die gewone mensen op een hele verantwoorde manier geld kunnen besteden en zelfs goedkoper uit zijn. In ieder geval konden die mensen het budget van de regel-adept schrappen).

Ik ga mijn persoonlijke best doen: ik ga in elke gelegenheid zoeken naar de maximale flexibiliteit, de maximale waarde voor degeen waar het om gaat en ik beloof om niet meer op te maken dan er beschikbaar is. Mag ik? Wie doet er mee?

Shared Space in de zorg

In de zorg zijn we op zoek naar andere manieren van organiseren om de kosten beheersbaar te houden en de patiënten centraler te stellen. Bij de meeste reorganisaties gaat dit, in ieder geval in het geloof dat uitgedragen wordt, hand in hand. Al eerder schreef ik over de mythe van de centrale patiënt, dus dat ga ik hier niet herhalen.

Voor mij kent de behoefte tot reorganisatie van de zorg een andere drijfveer: ik vind dat de zorg patiënten teveel verantwoordelijkheid afneemt in het streven tot zelfmanagement. Patiënten staan dit toe (de dokter weet het beter) en zorginstellingen spinnen er goud garen bij. De onzekerheid van patiënten over hun ziekte en prognose geeft kennelijk een goede bodem voor de wijze waarop de zorg nu (over)georganiseerd is.

De patiënt wil gerustgesteld worden en de zorginstelling voorziet in die behoefte door dure apparaten, een veelvoud aan diverse disciplines, eigen jargon en duur opgetuigde managementstructuren. In zekere zin zou je ook de salarissen van de topbestuurders kunnen zien als geruststellend voor patiënten. Als het wat kost, zal het ook wel zinvol zijn.

Het principe van Shared Space kent deze uitgangspunten: de mens wil gerustgesteld worden en de mens die daar voor aangewezen is wil niets liever dan geruststellen. En precies daar ligt het bijzondere van Shared Space. De oplossing wordt namelijk niet dat mensen gerustgesteld worden, maar dat ze verantwoordelijk worden voor hun eigen geruststelling. En dat allemaal tegen aanzienlijk lagere kosten en een low profile uitvoering.

20120916-120008.jpgShared Space is een term uit de verkeerskunde: in Friesland ontstaan in dorpjes waar de verkeersveiligheid te wensen over liet. Er vielen doden. Normaal gesproken wordt dit opgelost met een rotonde, een zebrapad, of als het heel ernstig is een verkeerslicht. Iedereen kent een dorp met zo’n veiligheidsverhogende verkeersvoorziening.

Bij Shared Space doen ze dat niet. Bij Shared Space gaan ze uit van de onveiligheid, aanvaarden die onveiligheid en hebben vervolgens alle verkeersbepalende elementen verwijderd. Er staan dus geen verkeersborden, haaientanden, oversteekplaatsen, pijlen of strepen meer op de weg, laat staan klaarovers of verkeersbrigadiers. Alles is vrij en van iedereen. En dus houden mensen rekening met elkaar, speelt de gunfactor weer een rol en voelen mensen zich, wanneer ze op zo’n Shared Space aankomen vooral onveilig.

Dat is ook wat onderzoek uitwijst: mensen voelen zich onveilig. En dat was ook de bedoeling. Door de toegenomen onveiligheid gaan mensen namelijk beter uitkijken en maken ze minder ongelukken. De verkeersveiligheid (afgemeten aan het aantal ongelukken) neemt toe, terwijl de ervaren veiligheid afneemt.

Wat heeft dit nu allemaal te maken met de zorg?
In de zorg, schreef ik al, stellen de zorgverleners graag gerust. We stellen patiënten gerust en dat doen we door rotondes, verkeerslichten, verkeersbrigadiers en dergelijke aan te leggen en in te stellen. In de zorg heten de rotondes zorgpaden, verkeerslichten zijn plansystemen, en brigadiers zijn bijvoorbeeld alle managers zonder duidelijke relatie tot de kerndoelstelling van de organisatie. En van dat soort managers zijn er er enorm veel, als ik het boek van Jos Verveen goed lees.

Door die weg te laten raakt de zorgverlener de mogelijkheid tot geruststelling bieden kwijt en zal de patiënt minder gerustgesteld worden. Misschien zijn ze wel echt ziek en gaat het ook nog pijn doen. De zorgverlener kan met de patiënt kijken hoe ze kunnen zorgen voor hun veiligheid: beter uitkijken, gezonde dingen doen, je eigen ziekte en ziektespecifieke zaken goed kennen en weten hoe je daar mee om moet gaan. Eigen kracht en zelfmanagement dus.

Waarschijnlijk gaan patiënten zich zieker voelen. Ze gaan echter ook meer doen om hiermee zelf te dealen nu ze weten dat er geen zorginstelling is die hen gerust zal stellen. We gaan als samenleving op deze manier ook anders kijken naar zorg. Wanneer je geruststellende maatregelen wilt nemen kun je daar uiteraard voor kiezen. Of het nodig is is de vraag.

Ik zat ooit met een pasgeborene op het spreekuur bij de kinderarts. Er waren bij de zorgverleners in die eerste dagen wat zorgen en een consult werd geregeld. De kinderarts deed zijn controles en gaf aan dat er in ieder geval niets ernstigs aan de hand was. Hij wilde desalniettemin onze pasgeborene graag opnemen zodat hij na een week observatie zou weten wat er aan de hand was. Onze vraag wat hij met die wetenschap wilde gaan doen en of dat nu nodig was, deed hem glimlachen en achteroverhangen in zijn stoel. “Niets”, zei hij, “ik doe niets. Ik weet het alleen en jullie weten het dan ook. Ik doe niets, want het is niet iets waar je iets anders aan kan doen dan afwachten.”

Hij glimlachte nog eens en we mochten onze pasgeborene meenemen naar huis. Er werd niet klinisch geobserveerd. Later legde hij uit dat hij nog nooit een dergelijke vraag had gehad (“is het nodig?”) en dat hij door deze vraag zelf ook kritischer was geworden over zijn observatiebeleid. Hij vertelde ook dat patiënten er soms zelf om vroegen: ter geruststelling. En dat hij dan nog wel eens overstag ging. “Als ik dat niet doe, doet een ander dat wel”.

Revalidatiebuurtzorg

Buurtzorg[1] is een concept waarmee in korte tijd het werk van wijkverpleegkundigen revolutionair is veranderd. Zij zijn afgestapt van een model waarbij gecommandeerd en gecontroleerd wordt door een manager, waarmee vervolgens communicatieproblemen ontstonden. Buurtzorg werkt met de principes van vakmanschap, onderlinge verbinding en vertrouwen[2]. Buurtzorg wordt inmiddels door iedere politieke partij omarmd als voorbeeld voor hoe het zou moeten.

Buurtzorg heeft inmiddels een afdeling Geestelijke Gezondheidszorg[3] gekregen en het wachten is op de transitie van andere sectoren. Ik wil de revalidatie wel “aanbieden”. Revalidatie is een terrein waarbij hoge zorgkosten gepaard gaan met dure accomodaties en een zwaar managementapparaat. Bovendien wordt er organisatorisch niet gemakkelijk veranderd en wordt bij veranderingen vooral de eigen comfortzone gekozen. Dat is jammer, omdat met werkelijke veranderingen de revalidatiezorg voor grote groepen beschikbaar zou kunnen blijven, waar nu de keuze gemaakt dreigt te gaan worden voor de uitsluiting van bepaalde doelgroepen.

Wat zou er dan moeten veranderen? In eerste instantie zou het vakmanschap terug moeten naar de behandelaar. Tussen het vakmanschap van een behandelaar en de revalidant zitten nu vaak registratieformulieren, planningsafdelingen en ict die het uitvoeren van het werk als vakman niet gemakkelijker maken. Vakmensen zijn te veel bezig met het verantwoorden van hun werk naar managementlagen waarvan je je het bestaansrecht kunt afvragen.

Daarmee is niet gezegd dat vakmensen zich niet hoeven te verantwoorden. De vraag is alleen naar wie en met welk doel. Vakmensen zouden zich naar de revalidant dienen te verantwoorden en moderne oplossingen bieden daar ook al voorzieningen voor. Het doel zou moeten zijn dat een revalidant weet met wie hij van doen heeft en wat de kwaliteiten van de vakman zijn.

In tweede instantie zou de vakman weer meer verbinding met zijn vak moeten maken. Dat klinkt wat ingewikkeld maar is het niet. Verbinding met het vak betekent dat hij de verantwoordelijkheid kan dragen voor een traject, voor de afspraken, voor de afronding. Daarnaast moet de vakman verbinding maken met zijn vakgenoten en andere vakmensen om samen het optimale resultaat te behalen. Onderlinge kennisdeling is daarbij het sleutelbegrip.

In de huidige organisatievormen liggen wezenlijke verantwoordelijkheden net buiten de vakman: hij mag zich niet bezig houden met de planning, is gehouden aan een zorgpad met een beperkt aantal verrichtingen en het is de vakman niet toegestaan daar van af te wijken. Ik weet dat elke manager op dit moment zal zeggen dat hij graag zelfdenkend personeel heeft en dat er alle ruimte is voor eigen verantwoordelijkheid. De praktijk is echter anders.

Daarmee kom ik op het derde punt: vertrouwen. De samenleving, de zorgverzekeraar, de revalidant zal vertrouwen moeten leggen in het vakmanschap van de behandelaar. Daar waar controle-instrumenten eigenlijk altijd leiden tot een afnemend vertrouwen zal dat bij de afwezigheid van externe controle niet gelden. Moet er dan helemaal niets? Zeker wel. Bij alle drie items (vakmanschap, verbinden en vertrouwen) draait het om verantwoordelijkheid. Verantwoordelijkheid binnen de grenzen van het mogelijke voor revalidant, behandelaar en zorgverzekeraar.

De vraag is natuurlijk hoe je dit allemaal organiseert. Ik heb daar ideeën over. Ideeën die ik niet zomaar weg geef, maar deel met hen die daar werkelijk in geïnteresseerd zijn en ze op waarde weten te schatten. En het op waarde schatten is iets anders dan een geldelijke beloning.

De ideeën gaan over de organisatie van de zorg, de wijze van afspraakplanning, de indicering, de regierol, de bewaking van de budgetten, de bewaking van de kwaliteit van behandelaars en behandelingen, de financiering, de deskundigheidsbevordering van zelfstandig professionals, etc.

Mijn aanbod van de revalidatie aan buurtzorg komt namelijk voort uit frustratie. Frustratie over het feit dat mijn betrokkenheid op de revalidatiezorg niet leidt tot een verbetering van de situatie van revalidanten. Dat afnemende budgetten, teruglopende vergoedingen niet leiden tot nieuwe keuzes, maar tot het aannemen van meer managers die gaan nadenken over wat ze met deze situatie moeten gaan doen. Die uiteindelijk ook niet kiezen maar in hun eigen staart blijven bijten.

Mijn revalidatiecentrum hoeft niet dicht. Het zou een prima plek zijn voor grote groepen mensen om te gaan werken op de manier zoals ik dat voorsta. Anders georganiseerd, anders gegroepeerd, misschien bevolkt door vooral zelfstandige professionals, maar in ieder geval anders. Slechter zal het er in ieder geval niet op worden.

Het aardige is dat ik iets aanbied dat ik niet heb. Ik bied iets aan terwijl het niet van mij is. Mocht het hele verhaal doorgaan dan zal het ook niet van mij worden. Misschien wordt de revalidatiezorg dan weer van de revalidanten. Revalidanten en hun behandelaars.

[2] De oplettende lezer heeft gemerkt dat ik met de drie C-s en de drie V-s refereer aan een artikel over het Nieuwe Werken dat de transitie van C naar V ziet als belangrijke drijfveer voor het Nieuwe Werken. Zie het artikel van de managementsite daarover:
http://www.managementsite.nl/14313/innovatie/nieuwe-werken-toekomst.html

No show, please!

20120729-165819.jpgDeze week zag ik Pia Dijkstra van het journaal op haar eigen journaal ernstig kijken, het hoofd een beetje schuin terwijl ze zei: “we moeten daar iets aan doen”. Nu Pia politica is, is dat een opmerking die niet meer over haarzelf of de haren gaan. Het gaat over u en mij. En wij gaan niet naar een afspraak als de dokter ons heeft uitgenodigd en dat kost de maatschappij honderdvijftig euro per afspraak.

Dat was haar nieuws: mensen die niet naar een dokter gaan als er een afspraak voor hen genoteerd staat kosten honderdvijftig euro. Er is iets met zo’n getal. Op de eerste plaats natuurlijk dat het zo’n mooi rond getal is. Dat is wel het eerste dat de wenkbrauwen doet fronsen. Waarom is het bijvoorbeeld niet honderd-zes-en-dertig euro zeventig?

Waarschijnlijk was onze Pia al lang blij dat de rekensom uitkwam op honderdvijftig. Dat bekt beduidend beter. Maar. Heeft Pia wel alles meegerekend. En hoe komt ze eigenlijk aan de honderdvijftig. Waar bestaat dat bedrag uit? Het kunnen de kosten van een werkloze dokter niet zijn. Dat is van dusdanig individueel belang dat het nooit voor Pia tot het maatschappelijk belang zou kunnen gelden. Waar de kosten dan wel gemaakt worden blijft onbekend in het bericht.

Ook onbekend is of Pia wel rekening heeft gehouden met de besparingen die het niet gaan naar een doktersafspraak oplevert: de stoep slijt niet, oom agent heeft iets minder orde te houden, het milieu vaart er wel bij nu u besloten heeft om thuis te blijven. Want het gaat natuurlijk ook niet over mij: ik ga altijd naar mijn afspraken. Net als Pia. Dus Pia had het over u. U kost de maatschappij, lees Pia en mij, honderdvijftig euro.

Of zou Pia het dan toch over de dokter zelf hebben, met zijn afsprakenbureau. En dat die gewoon iets beter hun best moeten doen, omdat ze anders voor niets zitten te werken. Dat ze moeten zorgen dat de afspraken een beetje aansluiten op de andere afspraken van patiënten, dat patiënten liever nog zelf hun afspraaktijd kunnen kiezen. Dat ook van tevoren heel helder is wat de bedoeling van een afspraak is. Gewoon om te voorkomen dat je als patiënt bij een dokter zit en je ongemakkelijk voelt bij zijn geblader in jouw status op zoek naar de reden van weer een afspraak. Dat je niet na één klein incident ineens in de rij voor nieuwe afspraken gezet wordt omdat dat nu eenmaal in het zorgpad staat!

En als u dan toch de afspraak zelf kunt maken en zelf uw tijd kunt plannen kunnen de mensen van het afsprakenbureau misschien bezig met echt belangrijke zaken: het inhoudelijk en praktisch voorbereiden van afspraken.

Pia brengt geen uitsluitsel. Ze houdt haar hoofd schuin en knikt veelbetekend.