Tagarchief: zelfmanagement

Vooruit denken

Ik kan vooruit denken. Het is mij gegeven om dat zelfs erg goed te kunnen. Vandaar dat ik ook zo’n moeite heb om dit stuk te schrijven, maar dat wijst zich later. Ik kan ver vooruit denken en kan voor me zien wat keuzes tot gevolg hebben.
Ik snap bijvoorbeeld waarom dingen op termijn niet zullen brengen wat men er vandaag van verwacht. Ik snap zelfs dat dat voor de mensen die de dingen van vandaag bedenken zo vervelend is dat ze later de focus graag leggen op de dingen die dan verbeterd zijn. Terwijl iedereen dan vergeten lijkt wat er ook al weer mee beoogd werd.

zwermDan lijkt “ver-vooruit-kunnen-denken” dus een prettige eigenschap. Toch is dat niet zo. De meeste mensen denken niet zo ver vooruit en kunnen mij, in mijn uitleg, al snel niet meer volgen. Ze kunnen immers niet zover vooruit denken. Dat is niet om die mensen tekort te doen. De meeste mensen halen alles uit hun mogelijkheden. Iedereen heeft alleen niet dezelfde mogelijkheden.
Zieners en vooruitkijkers hebben het niet altijd gemakkelijk. Het is, ik kan dat verzekeren, enorm moeilijk om je mond te houden over acties die je om je heen ziet gebeuren waarvan je zeker weet dat ze niet gaan werken. Als je echter een aantal keren hebt gemerkt hoe er gereageerd wordt op vooruitkijk-argumenten laat je dat wel uit het hoofd. Het nieuwe devies wordt dan “geduld-oefenen”. Dat is zo mogelijk nog moeilijker dan toezien hoe mensen fouten maken zonder dat je er iets van kunt zeggen.

Er zijn nu, in dit stuk, nog twee soorten mensen over. De ene zal zoiets  zeggen als dat ik niet zo moeilijk moet doen en gewoon moet doen wat ik denk dat goed is. De ander zal misschien herkenning vinden en is benieuwd naar het vervolg. Laat die ander vooral doorlezen. Die ene moet misschien zijn energie in andere dingen stoppen dan het lezen van dit stuk.

Twee voorbeelden:
Het eerste voorbeeld komt uit het verkeer. Bij mij in de buurt is een viaduct verwijderd, is een verkeerssituatie drastisch aangepast en heeft een groot verkeersknooppunt ruim drie jaar op de kop gestaan. Nu is het een oase van stoplichten[1], strepen, aanwijzingen en afremmende- en optrekkende auto’s. Auto’s staan namelijk in hoge mate stil op dit knooppunt.

De bedenker van dit al is tevreden. Hij beziet zijn werk en ziet dat er geen ongelukken gebeuren en heeft tot in de finesses de verkeersstromen onder controle gebracht. De meeste mensen die er rijden zullen ook stellen dat het veiliger is geworden. Men weet immers precies wat moet gebeuren en volgt dat lijdzaam.
Toch is het niet goed. Auto’s kùnnen namelijk sneller en prettiger doorstromen en zo heel nu en dan blijkt dat ook. Dat is als de stoplichten uitvallen. Dan blijkt het stoppen van iedere verkeersstroom helemaal niet nodig te zijn en kan iedereen, op elk willekeurig tijdstip van de dag vlotjes doorrijden. Men moet wel iets beter opletten, maar wie kan daar nu op tegen zijn[2].
Niemand ziet dat. Er is (te)veel geld uitgegeven aan stoplichten en strepen op de weg. Al zou het niet werken, niemand zal het toegeven. Gebruikers zullen niet zien dat het beter kan. Als ik in die momenten van geluk dat de stoplichten niet werken over dat knooppunt kom maakt mìjn hart een sprongetje van blijdschap. Bij de meeste andere mensen is er irritatie over het feit dat de stoplichten (weer) niet werken.

Tweede voorbeeld:
Er zijn in mijn werk[3] zorgpaden ingevoerd. Iedereen krijgt nu standaard maatwerk[4]. Een ongeveer gelijk programma, met een heleboel gelijkheidsbeginsels en een riant boekwerk aan voorschriften. Het lijkt wel een verkeersknooppunt.
Het eerste dat mensen die er mee werken zeggen is dat er meer grip komt op de stroom patiënten. Dat is ook zo. Ik zie dat ook. Ik kan namelijk ook stilstaande patiënten beter bekijken dan patiënten die aan het stromen zijn. Stromen omdat ze geholpen en behandeld worden en uiteindelijk klaar zijn.
De praktijk is dat het helemaal niet stroomt. Er komt geen patiënt meer in. Er is ineens een zee aan tijd in de agenda’s van behandelaars vanwege allerlei voorschriften en gelijkheidsbeginsels die werken als stoplichten. Als dit opvalt wordt er adhoc een oplossing gekozen die zo mogelijk nog belemmerender werkt. Er wordt daardoor heel veel tijd en dus geld verspild.

Al die verspilling is geen moedwil. Het is, in alles, het beste wat er momenteel te bieden is op de plek waar ik werk. Dat is een zorg op zichzelf.

Ik heb er last van dat er geld verspild wordt aan oplossingen waar van te voren over nagedacht had kunnen worden. Waar van tevoren, ver vooruit denkend, van gesteld had kunnen worden dat het geen goed idee was. Het voelt, werkend in een dergelijke situatie of verkerend op zo’n knooppunt, of ik me iedere keer door al dat weggegooide geld moet ploeteren voordat ik aan de slag kan. Dat is niet prettig, maar ik sta daar alleen in. Ik merk niet dat anderen daar veel hinder door ondervinden. Ook daarover kan je (ver vooruit denkend) weer hetzelfde verhaal ophouden[5]. Dat zal ik niet doen.

Die ander die heeft doorgelezen heeft mij nu wel begrepen. Die ene die mijn advies in de wind sloeg (don’t they all?) en toch doorlas zal nu stellen dat ik dan ook maar met oplossingen moet komen. Als ik het dan zo goed weet.
Meneertje.
Voor die ene zal ik een oplossingsrichting opschrijven. Voor die ander is dat niet nodig, maar die mag dat gerust ook meepikken.

De oplossingsrichting zit in het diepere functioneren van een zwerm. Daar is veel onderzoek naar gedaan en onlangs zag ik op televisie Charlotte Hemelrijk (what’s in a name voor een zwermonderzoeker) die bijzonder helder kon uitleggen hoe de zwerm werkt. Dat heeft mij aan het denken gezet.
Waar men aanvankelijk dacht dat zwermen (spreeuwenzwermen met name) allerlei hogere wiskundige of transcendente voorschriften kenden (denk hierbij aan het zenuwcentrum van een verkeersknooppunt of de excelbestanden van zorgpad-minnaars en hun gedeelde geloof in hun systemen) bleek bij nader onderzoek dat spreeuwen zich maar aan een paar afspraken hielden. Die afspraken waren zoooo simpel dat ik ervan in de lach schoot.
Niet botsen, een beetje meedoen en afstand houden.
Daar komt het ongeveer op neer. Als iedere individuele spreeuw dat doet krijg je de figuren die een spreeuwenzwerm maakt.
Bedenk eens wat dergelijke simpele afspraken zouden betekenen voor het verkeer op een knooppunt of het werken in de zorg. Ze zijn toepasbaar. Je moet om dat te kunnen snappen alleen wel een beetje vooruit kunnen denken. De oplossing ligt volgens mij dus in zwermdenken.

Ik weet dat die ene hier geen genoegen mee neemt. Die wil stoplichten, voorschriften, gelijkheidsbeginsels en formulieren. Die ene zal bovendien zeggen dat ik toch vooral bekend sta om mijn botsen en mijn niet meedoen. Dus hoezo zwermdenken!
Meneertje!
Voor de ander gloort hiermee misschien hoop. In dat laatste geval: graag gedaan!

Charlotte Hemelrijk op De Wereld Leert Door over spreeuwenzwermen


[1] Ja, ik weet dat stoplichten in de verkeerskunde verkeerslichten worden genoemd. In mijn ogen zijn het echter dermate grote obstakels voor een vlotte doorstroming van het verkeer dat ik ze graag stelselmatig stoplichten blijf noemen.
[2] Mensen zullen het principe van “Shared-Space” misschien herkennen. Een concept dat wat mij betreft meer navolging en uitwerking verdiend. Al zullen weinigen dat met me eens zijn.
[3] Complexe revalidatiezorg
[4] Jaha, ik ben me bewust van deze onmogelijkheid: standaard en maatwerk lijkt niet goed te passen. Toch doen ze bij mij op mijn werk een dappere, maar vruchteloze poging.
[5] “hoe kan je nu je hoofd wegdraaien, je schouders ophalen, als je zou weten dat een dergelijke wijze van geldverspilling uiteindelijk niet alleen de zorg de nek omdraait, maar ook jouw baan als zorgverlener?”

Schijf van Vijf (maar dan anders)

Afgelopen week in een hulpverleningsgesprek bedacht en nog lang niet klaar. Toch deel ik graag het allereerste prototype en ik zal uitleggen waarom ik het gebruikte. Ik hoor graag of je aanvullingen hebt. Of misschien wel een zesde part kunt bedenken, of het niet eens bent met deze vijf.

De vijf parten van mijn schijf:

1. Voldoende beweging
2. Gezond eten
3. Sociaal contact
4. Cognitieve uitdaging
5. Rust

In de goede verhoudingen toegepast zou je hier goed mee moeten kunnen leven. De juiste verhoudingen zijn hier getekend als 20 procent per part. Dat is arbitrair. De verhouding is nu juist voor iedereen anders. En de verhouding kan wisselen per moment, per dag, per periode. Waar ik bijvoorbeeld momenteel heel veel investeer in cognitieve uitdaging, zou ik voor meer balans misschien meer beweging en meer rust moeten inbouwen. Door ze als vijf corresponderende parten voor te stellen wordt het een geheel.

In het gesprek waar ik het toepaste ging het om iemand die teveel rust had ingebouwd. Door het tekenen van deze schijf zag ze meteen waar voor haar de verandering zou moeten zitten. Het beeld van de schijf en de onderlinge verhoudingen hielpen haar om snel keuzes te maken waarmee ze uit de voeten kon. Dat is meteen ook het belangrijkste doel: helpen om inzicht te verschaffen en keuzes te helpen ondersteunen. Vooral het feit dat er geen vastgestelde verhouding is hielp de mensen waarmee ik er nu mee gewerkt heb. Waar voor de één, op dit moment, meer rust geen item is, kan het dat voor een ander wel zijn. Daarmee wordt de Schijf van Vijf, maar dan anders, een handig middel om iets duidelijk te maken.

Mocht je aanvullingen hebben, of anderzins opmerkingen dan hoor ik dat graag.

Een Handvol Vragen

Een middel dat ik vaak gebruik in mijn gesprekken, om als opdracht mee te geven, om mensen bewust te laten worden is Een Handvol Vragen. Ik zal hier kort uitleggen wat dat is:

Een hand heeft vijf vingers. Hier horen vijf vragen op. De hand is altijd bij de hand en zo kan, met de vragen op elke vinger, iemand stil staan bij hoe het op dat moment gaat. De vragen zijn eenvoudig. Het belangrijkste doel is stilstaan bij het moment en er zit geen verdere evaluatie achter. Er hoeft ook geen actie ondernomen te worden op de vragen. Ongeacht de antwoorden kan iemand, na het beantwoorden, gewoon weer doorgaan met waar ze zijn gebleven. Vaak zal het echter anders gaan: mensen worden zich bewuster, ze staan heel nadrukkelijk stil bij zichzelf en gaan in navolging daarvan toch vaak andere keuzes voor zichzelf maken.

Een Handvol Vragen helpt daarbij.

De vragen:
1. Heb ik honger?
2. Heb ik dorst?
3. Moet ik naar het toilet?
4. en 5. zijn vrij in te vullen. Je kunt specifieke zaken ten aanzien van jezelf vragen: bv. Heb ik mijn schouders opgetrokken, Ben ik rustig, Heb ik het naar mijn zin, etc. Juist deze open vragen geven ook betrokkenheid bij de opdracht en maken dat iemand de opdracht gemakkelijker uit gaan voeren in zijn dagelijkse praktijk.

Zoals gezegd: mensen hoeven niet het antwoord op te volgen. Al zou ik persoonlijk wel naar het toilet gaan als ik die vraag met ‘ja’ zou beantwoorden.

De opdracht is simpel uitvoerbaar: een hand is altijd voorradig en door de vragen te koppelen aan de hand zijn ze meteen ook paraat. Het is een goede eerste stap naar bewustwording.

Revalidatiebuurtzorg

Buurtzorg[1] is een concept waarmee in korte tijd het werk van wijkverpleegkundigen revolutionair is veranderd. Zij zijn afgestapt van een model waarbij gecommandeerd en gecontroleerd wordt door een manager, waarmee vervolgens communicatieproblemen ontstonden. Buurtzorg werkt met de principes van vakmanschap, onderlinge verbinding en vertrouwen[2]. Buurtzorg wordt inmiddels door iedere politieke partij omarmd als voorbeeld voor hoe het zou moeten.

Buurtzorg heeft inmiddels een afdeling Geestelijke Gezondheidszorg[3] gekregen en het wachten is op de transitie van andere sectoren. Ik wil de revalidatie wel “aanbieden”. Revalidatie is een terrein waarbij hoge zorgkosten gepaard gaan met dure accomodaties en een zwaar managementapparaat. Bovendien wordt er organisatorisch niet gemakkelijk veranderd en wordt bij veranderingen vooral de eigen comfortzone gekozen. Dat is jammer, omdat met werkelijke veranderingen de revalidatiezorg voor grote groepen beschikbaar zou kunnen blijven, waar nu de keuze gemaakt dreigt te gaan worden voor de uitsluiting van bepaalde doelgroepen.

Wat zou er dan moeten veranderen? In eerste instantie zou het vakmanschap terug moeten naar de behandelaar. Tussen het vakmanschap van een behandelaar en de revalidant zitten nu vaak registratieformulieren, planningsafdelingen en ict die het uitvoeren van het werk als vakman niet gemakkelijker maken. Vakmensen zijn te veel bezig met het verantwoorden van hun werk naar managementlagen waarvan je je het bestaansrecht kunt afvragen.

Daarmee is niet gezegd dat vakmensen zich niet hoeven te verantwoorden. De vraag is alleen naar wie en met welk doel. Vakmensen zouden zich naar de revalidant dienen te verantwoorden en moderne oplossingen bieden daar ook al voorzieningen voor. Het doel zou moeten zijn dat een revalidant weet met wie hij van doen heeft en wat de kwaliteiten van de vakman zijn.

In tweede instantie zou de vakman weer meer verbinding met zijn vak moeten maken. Dat klinkt wat ingewikkeld maar is het niet. Verbinding met het vak betekent dat hij de verantwoordelijkheid kan dragen voor een traject, voor de afspraken, voor de afronding. Daarnaast moet de vakman verbinding maken met zijn vakgenoten en andere vakmensen om samen het optimale resultaat te behalen. Onderlinge kennisdeling is daarbij het sleutelbegrip.

In de huidige organisatievormen liggen wezenlijke verantwoordelijkheden net buiten de vakman: hij mag zich niet bezig houden met de planning, is gehouden aan een zorgpad met een beperkt aantal verrichtingen en het is de vakman niet toegestaan daar van af te wijken. Ik weet dat elke manager op dit moment zal zeggen dat hij graag zelfdenkend personeel heeft en dat er alle ruimte is voor eigen verantwoordelijkheid. De praktijk is echter anders.

Daarmee kom ik op het derde punt: vertrouwen. De samenleving, de zorgverzekeraar, de revalidant zal vertrouwen moeten leggen in het vakmanschap van de behandelaar. Daar waar controle-instrumenten eigenlijk altijd leiden tot een afnemend vertrouwen zal dat bij de afwezigheid van externe controle niet gelden. Moet er dan helemaal niets? Zeker wel. Bij alle drie items (vakmanschap, verbinden en vertrouwen) draait het om verantwoordelijkheid. Verantwoordelijkheid binnen de grenzen van het mogelijke voor revalidant, behandelaar en zorgverzekeraar.

De vraag is natuurlijk hoe je dit allemaal organiseert. Ik heb daar ideeën over. Ideeën die ik niet zomaar weg geef, maar deel met hen die daar werkelijk in geïnteresseerd zijn en ze op waarde weten te schatten. En het op waarde schatten is iets anders dan een geldelijke beloning.

De ideeën gaan over de organisatie van de zorg, de wijze van afspraakplanning, de indicering, de regierol, de bewaking van de budgetten, de bewaking van de kwaliteit van behandelaars en behandelingen, de financiering, de deskundigheidsbevordering van zelfstandig professionals, etc.

Mijn aanbod van de revalidatie aan buurtzorg komt namelijk voort uit frustratie. Frustratie over het feit dat mijn betrokkenheid op de revalidatiezorg niet leidt tot een verbetering van de situatie van revalidanten. Dat afnemende budgetten, teruglopende vergoedingen niet leiden tot nieuwe keuzes, maar tot het aannemen van meer managers die gaan nadenken over wat ze met deze situatie moeten gaan doen. Die uiteindelijk ook niet kiezen maar in hun eigen staart blijven bijten.

Mijn revalidatiecentrum hoeft niet dicht. Het zou een prima plek zijn voor grote groepen mensen om te gaan werken op de manier zoals ik dat voorsta. Anders georganiseerd, anders gegroepeerd, misschien bevolkt door vooral zelfstandige professionals, maar in ieder geval anders. Slechter zal het er in ieder geval niet op worden.

Het aardige is dat ik iets aanbied dat ik niet heb. Ik bied iets aan terwijl het niet van mij is. Mocht het hele verhaal doorgaan dan zal het ook niet van mij worden. Misschien wordt de revalidatiezorg dan weer van de revalidanten. Revalidanten en hun behandelaars.

[2] De oplettende lezer heeft gemerkt dat ik met de drie C-s en de drie V-s refereer aan een artikel over het Nieuwe Werken dat de transitie van C naar V ziet als belangrijke drijfveer voor het Nieuwe Werken. Zie het artikel van de managementsite daarover:
http://www.managementsite.nl/14313/innovatie/nieuwe-werken-toekomst.html

Altijd van je af!

Een kreet uit Kreatief met Kurk: “Altijd van je af”. Doel: voorkomen dat je jezelf in de vingers snijdt. Het is daarnaast een mooie kreet om aan te geven wat momenteel het grootste maatschappelijke probleem is geworden: het wijzen naar een ander. Of zoals een man mij laatst uitlegde, aan de hand van een voorbeeld over zijn vrouw:

“Als ik mijn vrouw op haar tenen ga staan, moet ik van haar beter uitkijken waar ik mijn voeten zet. Als mijn vrouw míj op de tenen gaat staan, moet ik van haar beter uitkijken waar ik mijn voeten zet.”

Kern van het verhaal is dat een ander het gedaan heeft. In de maatschappij werkt dit voortreffelijk. Zo krijgen de moslims de schuld van de onveiligheid. Zijn de straathufters de oorzaak van straatterreur. Zijn de Grieken oorzaak van de crisis. Zijn de kinderen met etiketten debet aan het verval in onderwijs en is dat weer allemaal de schuld van handelingsverlegen ouders. En als ouders werpen we deze aantijgingen weer hard van ons af door te wijzen naar…

Een ander. Want een ander heeft het altijd gedaan. Gelukkig wel. Zolang een ander het heeft gedaan heb je namelijk zelf geen verantwoordelijkheid. En zolang een ander schuld, oorzaak en boete is hoef je alleen maar te wijzen. Wijzen en wachten totdat de ander eindelijk verantwoordelijkheid neemt en de zaken oplost. Ondertussen kun je rustig achterover.

Het lastige met dat wijzen is wel dat je daarmee ook afhankelijk bent geworden van die ander. Zolang die ander (moslim, griek, straathufter, kind, ouder) namelijk niet doet wat er moet gebeuren wordt er geen probleem opgelost. Krijgen we de crisis niet onder de knie, wordt het niet veiliger, verbetert het onderwijs niet en doen ouders niet harder hun best.

Eigen-verantwoordelijkheid-nemen is de remedie tegen de “altijd-van-je-af-methode”. Wanneer je namelijk je eigen aandeel gaat zien in het grotere geheel en snapt hoe je zelf debet bent aan dat grotere geheel, krijg je ineens ook mogelijkheden om er iets aan te doen. Hij die verantwoordelijkheid neemt heeft namelijk zelf in de hand dat er iets verandert. Dat geldt voor de moslim, de griek, de straathufter, het kind, de ouder en … de ander. De ander die dan jijzelf bent geworden.

“Altijd van je af” reserveren we dan voor die momenten dat je er gewoon even geen zin in hebt. In nemen van je verantwoordelijkheid. Terwijl je eigenlijk heel goed weet dat het wel zo is. Om daarna gewoon toch weer zelf de verantwoordelijkheid op te pakken.

 

Napplaudisseren

De artiest heeft gezongen. Matigjes, dat wel. Desalniettemin staat Joop met zijn script onder zijn arm geklemd het publiek op te jutten om te klappen. Ze klappen. Als iedereen klapt maant hij ze te staan. Ze staan.

In de wereld van Joop is dit “napplaudisseren” functioneel gedrag. Het geeft de televisieuitzending net dat beetje extra waardoor adverteerders hun advertentieruimte aankopen. Hoe meer applaus hoe beter, want hoe meer advertenties.
Bedenk zelf maar eens hoe het is om naar een comedy met een lachband te kijken. Ongewild ga je toch lachen op de momenten dat de band dit aangeeft.

Hoe staat het in jouw team met het napplaudisseren? Herken je het gedrag? Herken je het in de organisatie?

Misschien niet direct. Napplaudisseren in organisaties is te herkennen aan de medewerkers die tijdens vergaderingen ineens overstappen op “wij”-zinnen. “Wij zijn toch met zijn allen van mening dat…” Instemmend gehum valt de spreker ten deel. Dit is organisatorisch napplaudisseren. In de tweede kamer gebeurt het door op de bankjes te trommelen. In het Engelse Lagerhuis hoor je een brommend “Hear!”. Bedenk zelf je andere voorbeelden.

Is het erg?

Nee. Op zich niet. Napplaudisseren heeft een sterk bindende factor. Het geeft in een groep de verbondenheid weer van een groep met een bepaalde gebeurtenis. Applaus verzekerd. De groep vindt zijn bevestiging in dat applaus.
Het nadeel is alleen dat napplaudisseren de nuance verstomd. Het verstomt de nuance en de gewogen mening.

Zoals bij Joop: op de derde rij zit Frank. Frank vond het optreden eigenlijk maar matigjes. De zanger bleef niet goed bij toon, hij miste hier en daar een inzet en het sprankelde nu niet zoals Frank dat graag ziet. Dan komt Joop. Hij wordt door Joop gemaand te klappen. Flauwtjes slaat ook Frank zijn handen op elkaar en tegen de tijd dat hij tegen het achterwerk van de meneer voor hem zit te kijken, omdat die wel is gaan staan, gaat hij ook maar staan. Franks genuanceerde mening en gewogen oordeel vervliegen in het geweld van het napplaudisseren. Dat gebeurt ook in organisaties en teams.

Het wordt echter ernstiger wanneer de leiders van teams en organisaties zich gaan beroepen op dit napplaudisseren. Ik hoor applaus dus zal iedereen het wel met mij eens zijn. Dan ontstaat namelijk de grootste misvatting: napplaudisseren dient namelijk op geen enkele wijze het geven van instemming aan plannen of ideëen. Al zal uw leider anders denken. Hij kreeg immers applaus!
Hij vergeet echter dat napplaudisseren alleen functie heeft voor de verbondenheid in de groep. En nergens anders voor. Zelfs matige leiders, met een beroerde inzet en vals van toon zullen zo nu en dan applaus krijgen. De groep heeft dat nodig. Niet meer en niet minder.

 

Treurige truttigheid

Werken in de revalidatie is een groot goed. Er wordt in het centrum waar ik werk alles gedaan om qua behandeling zo goed mogelijk bij de tijd te blijven. Er wordt, weliswaar met teruglopende budgetten en de hand steeds meer op de knip, geïnvesteerd in de deskundigheid van het personeel.

Alles lijkt er dan ook op dat ook de werkomstandigheden met de tijd zullen meegaan. Je mag verwachten dat er mogelijkheden zijn om op iedere plek binnen het centrum gemakkelijk toegang te hebben tot de digitale gegevens die nodig zijn om behandelingen uit te voeren. Dat er daarnaast ruimschoots mogelijkheden zijn om de dure behandelruimtes vrij te houden en thuis, in je eigen goedkope werkruimte, op je eigen momenten, zaken als verslaglegging en mailbeantwoording ter hand te nemen. Er zijn immers al voldoende online mogelijkheden om voor veilige opslag van de gegevens te zorgen.

In de meest ideale situatie wordt er flink geïnvesteerd in eigen serverruimte, om vermenging met andere gegevens te voorkomen.

Nu weet ik dat het openstellen van WIFI-netwerken beperkingen kent. Beperkingen die gemakkelijk zijn te ontlopen overigens: geef mensen een wachtwoord, nadat ze hun naam hebben genoteerd en getekend hebben voor een aantal fatsoensregels.

Ik weet dat het openstellen van een WIFI je nu nog medeverantwoordelijk maakt voor het verkeer op dat netwerk. Dat is hetzelfde als wanneer de eigenaar van een trottoir verantwoordelijk zou zijn voor de beroving die op dat trottoir plaatsvindt. Weinig kans bij een rechtbank schat ik in.

Het zou dus zo mooi kunnen zijn. Vandaag kwam het interne polygoon-journaal met dito stem met de actuele berichtgeving over de Moderne Tijd.

Veel gestelde ICT beleidsvragen

Naar aanleiding van een paar vragen over het ICT beleid heeft de directie verzocht het geldende beleid nog eens onder de aandacht te brengen.

Het gaat om de volgende onderwerpen:
–         toegang tot het medewerkersnetwerk
–         mogelijkheden voor thuiswerken
–         toegang tot het patiëntennetwerk
–         gebruik van eigen aangeschafte apparatuur (zoals smartphones, tablets en notebooks)

Toegang tot het medewerkersnetwerk

Toegang tot het medewerkersnetwerk kan uitsluitend worden verkregen met door de afdeling ICT verstrekte middelen of een door R### verstrekte iPhone. Deze apparatuur is zodanig geconfigureerd dat wordt voldaan aan alle noodzakelijke veiligheids- en beheerseisen. Tevens geldt dat de inzet van deze middelen en benodigde accounts vallen binnen het licentiemodel en houden de jaarlijks terugkerende licentiekosten inzichtelijk.

Thuiswerken

Voor thuiswerken is geen beleid vastgesteld waar ICT beleid aan kan worden ontleend.

Momenteel is er een experimenteel ingeregelde dienst voor een zeer beperkte groep medewerkers, die van thuis uit een VPN verbinding kunnen opzetten naar het medewerkersnetwerk. Op deze dienst zit geen beschikbaarheidgarantie en kan niet worden gebruikt voor structureel thuiswerken.

Wanneer het de bedoeling is structureel thuis werken R#### breed aan te bieden, moet (ICT-)beleid worden vastgesteld en worden geïnvesteerd in infrastructuur en ondersteuning

Toegang tot het patiëntennetwerk

De toegang tot het draadloze netwerk (WiFi) wordt geboden aan revalidanten voor internetverbinding en is uitsluitend voor deze doelgroep bedoeld. De beschikbare bandbreedte is hierop ingesteld en kan niet worden ingezet voor gebruik van eigen aangeschafte apparatuur.

Gebruik van eigen aangeschafte apparatuur

Uit veiligheidsoverwegingen en het in de hand houden van beheerskosten is de aansluiting van eigen smartphones, tablets en notebooks niet mogelijk. Dit geldt ook voor andere vormen van e-mail synchronisatie.

Samenvatting: internet is eng. De digitale snelweg zit vol gevaren en we willen graag weten wie wat waar doet.

Overigens ter informatie: bovenstaande tekst komt van het interne polygoon-journaal van het centrum waar ik werk. Ik heb vakantie, maar, hoera! Twitter werkt, ik kreeg deze tekst bij toeval onder ogen vandaag. Overigens is dat een waarschuwing die al eerder is afgegeven: iedereen die nu nog denkt dat de Moderne Tijd met dat gevaarlijke internet is tegen te houden mag terug op cursus. Ondanks mijn vakantie kon ik toch reageren.

Overigens hoorde ik ook via dat erg gevaarlijke internet dat er al de nodige actiebereidheid is onder verschillende soorten collegae tegen deze poging de zaken bij het oude te laten.

Gelukkig was ik daarvoor niet afhankelijk van onze vooruitstrevende beleidsmakers van Alles-met-een-Stekker. Ik had al internet en wist er gebruik van te maken….

Simplexity

Revalideren is complex werk. De samenhang tussen wat de ene behandelaar doet en de ander nalaat, de onderlinge afstemming, de verantwoording tijdens en na de behandeling, het plannen en sturen van dergelijke behandelingen. Ingewikkeld werk.

Daar hoeft een revalidant niets van te merken. Sterker nog, een behandelaar hoeft ook niet te merken dat het een complex geheel is. Complexiteit vertroebelt namelijk je professioneel handelen. En daarmee komt die complexiteit je behandelingen niet ten goede. Je zou er dus niet mee lastig gevallen moeten worden: met die complexiteit. Het tegendeel is echter waar. Revalidanten en behandelaars moeten werken in de complexiteit van het Revalideren.

In dit verband moest ik denken aan een industrieel ontwerper die ik een tijdje geleden ontmoette. Hij noemde zichzelf een adept van de ‘simplexity‘. Simplexity, zo legde hij mij uit, is een complex concept op een simpele manier uitgewerkt. Als voorbeeld noemde hij de iPad.

De iPad is een toonbeeld van simplexity: een simpel ogend apparaat, één knop en intuitieve bediening, met een zeer complexe binnenkant. Gelukkig hoeft geen gebruiker te weten hoe complex die binnenkant is. Dat geloven we wel. Als eindgebruikers. Eindgebruikers die van jong tot oud, van computervaardig tot computeronvaardig uit de voeten kunnen met die iPad. Simplexity.

Nu weet ik dat het moment dat ik beweer dat je de revalidatiezorg niet zo complex moet maken het moment is dat ik met pek en veren wordt buitengezet. In de zorg doen we gewoon graag moeilijk. Moeilijk geeft status. Hoe moeilijker je revalidantengroep, hoe meer aanzien. Zeggen dat het simpeler kan is dus aantasting van die status. Desalniettemin probeer ik het toch:

Kan het, aan de achterkant, waar je als behandelaar moet werken, als revalidant behandeld wordt, niet wat simpeler? Dat als ik mijn rechterhand uitsteek ik een kop koffie vindt? En dat als ik denk aan wat ik op wil schrijven het al opgeschreven is? En dat als ik mijn computer bekijk ik alleen dat zie waar ik wat mee moet en wil? En er niet naar hoef te zoeken? En dat ik niet iets hoef te registreren dat toch al gebeurt? Maar dat ik, als behandelaar, alleen iets hoef te melden als het afwijkt? En dat een revalidant iets bij zich draagt (ov-chipkaart bv) dat hij bij mij tegen een kastje kan houden, bij in- en uitchecken?  En dat als zijn budget opraakt hij dit online, in zijn eigen omgeving, kan zien? En dat hij daar zelf op kan sturen? Dat hij zelf zijn afspraken kan plannen? Zelf zijn budget kan beheren? Dat we verantwoording over wat we doen primair naar de revalidant doen? En niet naar tweedeinstantiebetrokkenen?

Let wel: ik roep niet op tot simpel werken. Ik roep op tot simplex werken: snappen dat het complex is, maar er niet zo moeilijk over doen. De meest aansprekende wetenschappers zijn niet zij die wollig van het taalgebruik hun toehoorders met terminologismen en jargon om de oren slaan. De meest aansprekenden zijn zij die aan iedereen, ongeacht niveau, afkomst en kennis, uit kunnen leggen waarom de dingen werken zoals ze hebben uitgevonden. Ook dat is simplexity.

Kom nu maar op met die pek, en met die veren. Wel onderstaande graag…

Patiënt aan de macht!

Natuurlijk weten behandelaars en doktoren wat goed is voor hun patiënten. Misschien zelfs wel beter dan die patiënten zelf. Behandelaren en doktoren hebben immers jaren van studie besteedt aan het Beter Weten. Het is dan ook niet gek dat patientgericht werken zoveel weerstand oproept bij juist die groepen. Want hoe kan je nu patientgericht werken als je het toch al beter wist. Voor die patiënt. Als die patiënt nu maar doet wat ik denk dat goed voor hem is komt alles goed.

Patiënten lijken zich te ontwikkelen. Mijns inziens waren ze al ontwikkeld, maar zagen we het in de zorg en de revalidatie nog niet. Een bredere beschikbaarheid van kennis, de mogelijkheid om het internet steeds meer te gebruiken als voorbereiding op doktersbezoek, een verdere assertiviteit van patiënten maakt dat we in de revalidatie rekening moeten houden met deze nieuwe realiteit.

Alles wat we bedenken moet de toets van de patiënt kunnen doorstaan. Maar in welk revalidatiecentrum zit de patiënt bij de eerste visiegesprekken. En als er al een patiënt is uitgenodigd, zorgt dat revalidatiecentrum er ook voor dat andere patiënten op de hoogte zijn?

Onlangs sprak ik over de optie dat patiënten hun eigen dossier gaan voeren. Omdat het ons toch al jaren niet lukt om dit adequaat te doen. Een van de reacties: “dat kunnen onze patiënten niet”. Zolang we met een dergelijke minachting over onze broodheren spreken is er nog veel werk te doen.

Van mij mogen ze: patiënten aan de macht.